Keizer zonder kleren

Bespreking van: Theo Ruyter, De koe lacht niet meer, Uitgeverij Papieren Tijger, Breda 2009.

In: www.ravagedigitaal.org

Theo Ruyter weet waarover hij schrijft. Hij heeft zich al een jaar of veertig beziggehouden met ontwikkelingslanden en met wat wordt aangeduid als ontwikkelingssamenwerking en ontwikkelingshulp. Hij kent die zaken van binnen uit, omdat hij er in verschillende functies bij betrokken is geweest, in Nederland en in Afrika. Hij is er in de loop der jaren steeds kritischer over gaan schrijven. Daarvan getuigt ook zijn jongste bundel artikelen en verhalen, verschenen onder de titel De koe lacht niet meer.

Die koe komt op twee plaatsen in de bundel aan de orde. In het titelverhaal van de bundel, een open brief aan zijn vrienden en collega’s in Tsjaad, hekelt de schrijver een bedelaarsmentaliteit die de ontwikkelingshulp degradeert tot “een melkkoe waaraan men zich naar hartenlust te goed kan doen” (blz. 33). Maar niet alleen hulpontvangers krijgen er van langs, ook hulpgevers. Zij lijden, aldus de schrijver, aan hulpzucht. Die maakt de hulp tot “een heilige koe, die je nu eenmaal moet vereren” (blz. 174). Die verering staat in het teken van “het merk Nederland” en van de belangen van de hulpgevers zelf. Dat zijn niet zozeer de exportbelangen van de Nederlandse economie, maar de belangen van de hulpindustrie, die “goede sier maakt met de (melk)koe” (blz. 156) en doorholt als een kip zonder kop. Dat komt niet omdat de dominee het gewonnen zou hebben van de koopman, maar omdat hulp geven een doel op zich zelf is geworden en hulpgevers daar wel bij varen. Ruyter bekritiseert de psychologische instelling van weldoeners die hulpontvangers een brevet van onvermogen geven en hen veroordelen tot levenslange bijstand. Zijn kritiek betreft eigenlijk het hele systeem van ontwikkelingssamenwerking zoals zich dat in de loop van enkele decennia heeft ontwikkeld. “Grootschalige en aanhoudende westerse hulp heeft het streven van jonge naties hun formeel toegekende onafhankelijkheid en soevereiniteit daadwerkelijk gestalte te geven in de knop gebroken en omgevormd tot een patronage systeem dat wordt gekenmerkt door ongelijkheid en afhankelijkheid” (blz. 165) .

Deze kritiek sluit aan bij die van Graham Hancock (Lords of Poverty) in de jaren tachtig en recentelijk Dambisa Moyo (Dead Aid). Die kritiek kan niet gemakkelijk terzijde worden geschoven. Er is veel mis. Wat ontwikkeling wordt genoemd verdient vaak die naam niet, omdat grote delen van de bevolking er niet van profiteren. Wat als hulp wordt gekwalificeerd leidt vaak tot afhankelijkheid in plaats van verzelfstandiging. Wat met een mooi woord samenwerking heet blijkt vaak een dekmantel voor bevoogding en neokolonialisme. Het is al vaak gezegd, maar het heeft niet geholpen, aldus Ruyter, want de belanghebbenden sluiten de gelederen en doen alsof hun neus bloedt.

Het alternatief van de auteur is niet volledig te stoppen met alles, maar teruggaan tot de kern: “internationale, juridisch verankerde gerechtigheid”, met van buitenaf een “inbreng in het ontwikkelingsproces van de ander (die) aanvullend en tijdelijk is” (blz. 165). Ruyter pleit er voor om niet meer te spreken ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking, omdat deze woorden de werkelijkheid verdoezelen. Ik begrijp dat pleidooi, maar ik deel het niet. Voor mij staan deze twee begrippen voor een ideaal. Dat ideaal betreft nu juist die kern: een wereldwijde rechtsstaat, internationale belastingheffing op verkregen welvaart en buitenlandse steun die de eigen inspanningen niet vervangt, maar katalyseert. De praktijk wijkt af van de norm, steeds verder, maar ik kan die norm niet missen. Hetzelfde geldt wat mij betreft voor begrippen als “Europese unie”, “Verenigde Naties” en “mensenrechten”. In de politieke praktijk van vandaag hebben de meeste mensen weinig rechten, zijn de naties steeds minder verenigd en is Europa steeds minder een gemeenschap, laat staan een Unie. Maar voor mij vertegenwoordigen al deze begrippen een doel dat nagestreefd moet worden, een maatstaf waaraan de praktijk getoetst moet worden. 

Inderdaad, met politiek correct taalgebruik worden realiteiten verhuld en illusies in stand gehouden. Theo Ruyter heeft gelijk waar hij stelt dat de realiteit is dat “negatieve verschijnselen in de hand worden gewerkt door dezelfde mensen als degenen die pretenderen ertegen te vechten”. Aldus wordt de illusie in stand gehouden “dat mensen bewust en daadwerkelijk bezig zijn een andere realiteit te scheppen” (blz. 156). Dat zijn harde verwijten. Ze zijn niet onterecht. Ik heb soortgelijke kritiek geuit toen ik armoede en afhankelijkheid omschreef als situaties die “willens en wetens” in stand worden gehouden door een internationaal politiek en economisch  systeem, dat alleen functioneert ten gunste van degenen die zich al een voorsprong hebben weten te verwerven.  Theo Ruyter richt zijn kritiek echter niet alleen op degenen die binnen dat systeem aan de knoppen draaien, maar ook op de meelopers:  het “draagvlak”, de filantropen, de doe-het-zelvers, de Afrofielen, de erfgenamen van de ethische onderstroom in het kolonialisme, de wensdenkers, en al die anderen die denken dat zij heel goed bezig zijn en dat er geen enkele reden is om de bakens te verzetten.

Die groepen horen niet allemaal over een kam te worden geschoren. Er is nog steeds veel oprechte interesse in hoe de wereld in elkaar steekt en hoe de situatie in Afrika werkelijk is, veel echte betrokkenheid en goede wil. Maar Theo Ruyter heeft gelijk wanneer hij er voor pleit emotionele betrokkenheid te combineren met intellectuele integriteit en koelbloedig handelen. Integriteit voor alles. “Dat betekent in de eerste plaats”, zo schrijft hij, “dat je de werkelijkheid tot je laat doordringen, je verzet tegen psychische mechanismen zoals selectieve perceptie en projectie, om maar te zwijgen van desinformatie en andere doelbewuste pogingen de werkelijkheid naar je hand te zetten. Het komt er ….  op aan inzicht te verwerven, te begrijpen waarom bepaalde dingen zich voordoen, incidenteel of bij herhaling” (blz. 149). Daaraan ontbreekt het vaak, mede omdat mensen een rad voor de ogen wordt gedraaid, door belanghebbenden, door media en door opinieleiders.

Het kritisch analyseren van de werkelijkheid betreft zowel de verhoudingen in de wereld als die in ons eigen land. De eerste categorie komt in deze bundel slechts terloops aan de orde, maar van de wijze waarop een en ander in het Nederlandse beleid is misgelopen worden in deze bundel veel voorbeelden gegeven. Dat maakt de kritiek wat onevenwichtig. Maar dit wordt ruimschoots gecompenseerd door een aantal verhalen over de werkelijkheid in Afrika zelf. Die verhalen beschrijven niet de zieligheid van Afrika. Ze prediken geen doemdenken, maar getuigen evenmin van ongefundeerd Afro- optimisme. Het zijn verhalen over mensen uit het Westen die op een onverwachte manier geconfronteerd worden met de Afrikaanse werkelijkheid. De verhalen schuren, maken dat de lezer zich ongemakkelijk gaat voelen, niet uit schuldgevoel, maar omdat er – zo luidt de titel van een van de verhalen – een striptease wordt uitgevoerd. De expatriate, de buitenlandse docent aan een universiteit, de ontwikkelingswerker, de journalist, de Europese vriend op bezoek, de reiziger, de ervaren Afrika kenner en de naïeve bezoeker, zij komen in deze verhalen allemaal in hun hemd te staan, omdat zij er eigenlijk weinig van begrijpen.

Al deze verhalen zijn illustraties van de onvermijdelijke striptease van het dominante denken over ontwikkelingslanden, ontwikkelingssamenwerking, ontwikkelingshulp en de Nederlandse voortreffelijkheid. De keizer heeft geen kleren aan, dat is de rode draad door het betoog in deze essays. Het is de vraag hoe we daarop reageren. Wenden wij ons af, uit schaamte of weerzin? Verwijten we de boodschapper dat hij ons de ogen wil openen? Brengen we de keizer om? Of kleden we hem opnieuw met het gewaad dat hem past?

 

Jan Pronk

Bespreking van: Theo Ruyter, De koe lacht niet meer, Uitgeverij Papieren Tijger, Breda 2009.

http://www.ravagedigitaal.org/2010/05/artikel.php