Hulp bij Rampen, Toen en Nu

Toespraak herdenking Watersnoodramp 1953. Tholen, 18 September 2003

Zou een storm met de kracht van die van 1953 thans ook kunnen uitmonden in een ramp met bijna tweeduizend slachtoffers? We zijn geneigd te denken van niet. We zijn immers beter voorbereid en onze hulpverlening is beter georganiseerd. De Deltawerken zijn aangelegd. Er zijn rampenplannen opgesteld. Er zijn betere en snellere communicatie mogelijkheden, waardoor we bijna direct weten wat er zich voltrekt en op staande voet kunnen reageren. Dat was vijftig jaar geleden wel anders. Het gevaar leek onderschat. Toen de golven toesloegen werden velen in hun slaap verrast. De berichtgeving kwam laat, de omvang van de ramp drong slechts langzaam tot de rest van Nederland door en de hulp kwam traag op gang. Daarna was die hulp overweldigend qua omvang, hartverwarmend qua inzet en voorbeeldig qua improvisatievermogen. Maar er was ongeveer een dag gemist en bij een ramp vallen de meeste slachtoffers in de eerste uren, direct na een stortvloed, aardbeving of explosie.

Zijn we beter voorbereid of sussen we onszelf in slaap? De Deltawerken vormen een schitterende verdedigingslinie. We zijn er trots op. Waren zij maar eerder gebouwd. Aan hun constructie liggen de meest vergaande risico veronderstellingen ten grondslag. Er is wel beweerd dat zij te veel bescherming bieden, omdat de extreme situatie waarin zij overeind moeten blijven, zich nooit zal voordoen, maar na de ramp konden we het in Nederland natuurlijk niet meer maken om af te dingen op veiligheid en bescherming. Voorheen was dat wel gebeurd. Het risico was onderschat. Waarschuwingen waren in de wind geslagen. Bestuurders hadden op de veiligheid beknibbeld vanwege de hoge kosten. Waterschappen hadden economische belangen te zwaar laten meewegen. Dat mocht nooit meer gebeuren, vonden we. Ook al is de verantwoordelijkheidsvraag nooit gesteld - hetgeen thans ondenkbaar zou zijn - iedereen was het erover eens dat risico’s voortaan beter te hoog konden worden ingeschat dan te laag. Een natuurramp is geen puur noodlot, maar altijd deels mensenwerk.

Tot voor kort dachten we dat de veiligheid met betrekking tot het water in Nederland weer gewaarborgd is. We zullen echter waakzaam moeten blijven. De binnendijken bleken deze zomer minder goed bestand tegen de druk van het water dan we vermoedden. Heeft niemand tevoren aan de bel getrokken en er op gewezen dat sommige veronderstellingen rond de veiligheid van beschermingsconstructies niet meer opgaan, wanneer de weersgesteldheid duurzaam verandert? Zijn bouwplannen langs de rivieren, op plaatsen waar zich overstromingen kunnen voordoen, niet te optimistisch? Willen we niet te veel ontwikkelen langs de kust, waardoor de zeewering zwakker wordt en hoge concentraties van activiteit tot schade en slachtoffers kunnen leiden? Voeren daar economische belangen ook weer de boventoon? Houden we wel genoeg rekening met de stijging van de zeespiegel tengevolge van klimaatverandering? Doen we daar nog wel wat tegen, of beschouwen we klimaatverandering als het moderne noodlot? Of vinden we het te duur?

Er is spanning tussen economie en veiligheid. Vaak wint de economie en komt de veiligheid op de tweede plaats. Soms worden de regels wel gesteld, maar niet gehandhaafd. De vuurwerkramp in Enschede was daarvan het resultaat. Soms worden risico’s weggeredeneerd met behulp van rekenmodellen waarin relaties en coefficienten te optimistisch zijn ingeschat. Daarover gaat de discussie over Schiphol. Het is goed dat die discussie wordt gevoerd, zodat verantwoordelijkheden helder worden en beslissingen transparant. Soms stellen we onderzoek uit dat ons zou moeten helpen om verantwoorde risico’s te nemen. Soms ontwijken we discussies. Dat is bijvoorbeeld het geval rond het vervoer van gevaarlijke stoffen langs onze wegen, langs het spoor door onze binnensteden en over water. Het gaat nog steeds goed, maar velen houden hun hart vast. Terecht, geloof ik. De economische belangen zijn groot. De invloed van belangengroepen op de politieke besluitvorming is groter dan die van de mensen die wonen en werken in risicogebieden. Nul-risico bestaat niet, wordt er altijd geroepen. Maar dat is een loze kreet. Het gaat er om of we weten welk risico we nemen, of we de berekeningen eerlijk maken, de beschermingsconstructies en de bebouwingsregels zo maken - en handhaven - dat zij in overeenstemming zijn met de risico’s. Het gaat er om de burgers bij dat alles volledig te betrekken. Het bepalen van risico’s en het beslissen over veiligheid is meer dan louter techniek.

Tot en met de dertiger jaren, toen Nederland minder welvarend was, viel zo’n afweging anders uit dan thans. Vervolgens werd in de Tweede Wereldoorlog zoveel schade aangericht, en was daarna de wederopbouw zo kostbaar, dat een nieuwe afweging tussen economie en veiligheid nog niet aan de orde was. Maar na de ramp wel. De keuze om de Deltawerken aan te leggen was geen incidentele beslissing. Nederland hoort veilig te zijn. De risico’s zijn groter dan destijds. De ingewikkelde economie van tegenwoordig brengt nu eenmaal meer gevaren met zich mee. We zijn dichterbevolkt. De klimaatverandering zet door. We kunnen ons de noodzakelijke veiligheids- en beschermingsconstructies veroorloven: we zijn immers een rijk land geworden. We hebben onszelf de middelen verschaft om ons, onze kinderen en de generaties na ons te beschermen tegen gevaren die van buiten komen - zoals een vloedgolf - en tegen gevaren die wij zelf veroorzaken door riskant economisch gedrag.

Doen we dat dan ook? Of sussen we onszelf in slaap met wensdenken, steken we de kop in het zand, schuiven we verantwoordelijkheden af, stellen we beslissingen uit en blijven we twisten over wie de kosten moet dragen. Veiligheid is belangrijker dan economische groei. De kwaliteit van onze steden en van het landschap staat en valt met de veiligheid. Is dat besef na 1953 overal voldoende doorgedrongen?
Als het niet zeker is dat we beter zijn voorbereid om calamiteiten te voorkomen, zijn we dat dan in ieder geval wel om de gevolgen op te vangen? Is de hulpverlening beter dan vroeger? Er zijn drie maatstaven om de effectiviteit van de hulpverlening in noodsituaties te beoordelen. Wordt er snel genoeg gereageerd? Immers, hoe sneller de hulpverlening op gang komt, hoe meer mensen kunnen worden gered. Ten tweede: is die hulpverlening goed georganiseerd? Weet ieder wie wat waar moet doen en wanneer? Zijn de verantwoordelijkheden duidelijk afgebakend? Slechte coordinatie van de rampbestrijding maakt onnodig veel slachtoffers. Ten derde: hoe staat het met de kwaliteit, de deskundigheid, de inzet en toewijding van de hulpverleners zelf? Doen zij alles gedaan wat zij kunnen en meer dan dat?

Op 31 januari 1953 en in de dagen daarna hebben de hulpverleners een bovenmenselijke inspanning verricht. Zij hebben vele mensen gered, niet zelden met gevaar voor eigen leven. De hulp stroomde toe, van alle kanten. De betrokkenheid en de inzet waren geweldig. Degenen die toen geholpen hebben en deels vandaag hier aanwezig zijn past dank, veel dank. Zij hebben iets groots verricht. Daarvan getuigen de verslagen van het Rode Kruis en de boeken geschreven door Kees Slager en anderen. Tegenover het afschuiven van verantwoordelijkheden door sommigen stond de creativiteit en heldenmoed van vele anderen.

In die boeken en rapporten komt ook tot uiting dat aan de organisatie van een en ander veel schortte. Dat weten ook de hulpverleners zelf. Zij zullen zich vaak geergerd hebben aan autoriteiten. Mijn schoonvader was binnenschipper, die de Zeeuwse wateren op zijn duimpje kende. Hij had zich direct aangemeld, werd opgeroepen en heeft meegeholpen, maar in zijn verhalen later kwam telkens de opmerking terug: “We hadden meer kunnen doen”. Dat was geen kritiek op personen, maar teleurstelling over onvoldoende maatvoering in de hulp: op sommige plaatsen te veel, op andere te weinig, of verkeerd gericht. Ook dat is geboekstaafd: de onvoldoende samenwerking tussen militaire en burgerlijke autoriteiten, de incompetentie van sommige plaatselijke besturen, de afwachtende houding van de regering. Maar dat vergroot eens te meer de bewondering voor wat de hulpverleners voor elkaar kregen. Velen zijn gered ondanks een gebrekkige organisatie, ondanks amateurisme, ondanks inadequate communicatie. Meer mensen zouden gered kunnen zijn wanneer eerder was begonnen met een grootscheepse inzet van de hulp. Maar wie zich weet te verplaatsen in de omstandigheden waarin Nederland kort na Tweede Wereldoorlog verkeerde, kan niet anders dan grote bewondering hebben voor het feit dat Defensie zo alert snel reageerde, door reeds zondagochtend alle verloven in te trekken; bewondering ook voor de snelle opvang van de evacuees, het met man en macht dichten van de gaten, het herwinnen van het verdronken land, zo spoedig als dat maar enigszins kon.


Informatie, communicatie en hulpverlening: het is tegenwoordig real time, een kwestie niet van minuten, maar seconden, aleer informatie over een catastrofe de andere kant van de aardbol bereikt en actie kan worden ondernomen. In het midden van de vorige eeuw duurde het uren voordat de omvang van een ramp kon doordringen tot degenen die niet eens al te ver weg beslissingen moesten nemen over hoe te reageren. Dan kost het al gauw weer uren voordat hulpverleners zelf worden bereikt en weer uren voordat zij ter plaatse kunnen zijn. Dat is een kwestie van organisatie. Daar schortte het destijds aan. Maar het is ook een kwestie van communicatie infrastructuur. Die was toen heel wat beperkter dan thans. Nederland was nog maar net de fase van ontwikkelingsgebied ontgroeid.

Dat gaat nu inderdaad beter. De Bijlmerramp en die in Enschede en Volendam waren heel wat kleiner dan de stormramp van 1953 en dus ook eenvoudiger te bestrijden. In evaluaties van het optreden bij die drie catastrofes zijn vele noten gekraakt. De voorzorg schoot te kort, de nazorg eveneens, maar de snelheid en de organisatie van de hulp werden geprezen. De rampbestrijding kon in de jaren negentig beter zijn dan in de jaren vijftig en zij was dat ook Wat dat betreft hebben we in Nederland onze les geleerd. De hulpverleners in Amsterdam, Volendam en Enschede hebben snel, betrokken en deskundig geopereerd. In de rapporten staat veel kritiek op de autoriteiten, maar niet op de mensen in het veld: de werkers van het Rode Kruis, de politiemensen en brandweerlieden, de artsen, verplegers en de individuele burgers die meehielpen. Zij deden wat vijftig jaar eerder hun voorgangers in Zuid Holland, Zeeland en West Brabant hadden gepresteerd. Dat was hulp van klasse.
Internationaal is dat niet anders. Hetgeen bij ons mogelijk is, omdat we een welvarende natie zijn geworden, kan niet in bijvoorbeeld India of Turkije. De recente aardbevingen daar maakten talloze slachtoffers. Deels kwam dat door onvoldoende voorzorg: er was niet aardbevingsbestendig gebouwd. Voor velen was dat te duur. Bovendien had ook in die landen economisch profijt bouwers en ambtenaren de hand doen lichten met de regelgeving. Tenslotte kwam de hulp te laat en was er te weinig materieel. Armere landen kunnen zich nu eenmaal minder goed voorbereiden op rampen, op het voorkomen en bestrijden daarvan en op het redden en opvangen van slachtoffers. Maar bij alle kritiek en begrip overheerst bij rampen in ontwikkelingslanden altijd weer de bewondering voor de individuele hulpverleners die met weinig middelen en met gevaar voor eigen leven, met grote inzet onverflauwd doorgaan te redden wie er te redden valt. Dat zien we bij mijninstortingen in Zuid Afrika, overstromingen in Mozambique en Bangladesh, aardverschuivingen in Venezuela. Mensen stijgen boven zich zelf uit wanneer zij worden geconfronteerd met de opdracht anderen het leven te redden. Dat zagen we in de 19e eeuw bij de bemanning van de simpele reddingsboten langs de Nederlandse kust die bij storm en ontij uitvoeren om schipbreukelingen te redden. Dat lezen we in kranteberichten over mensen die in zee verdrinken na anderen gered te hebben.

Diezelfde gedrevenheid en moed zien we bij hulpverleners aan slachtoffers van oorlog en geweld. Artsen, verplegers, buitenlandse noodhulpverleners, helpers van vluchtelingen en ontheemden, mensenrechtenadvocaten in dictatoriale landen, zij zijn het altijd en overal weer die er tegenaan gaan en zo de gevolgen proberen te verminderen van het falen van anderen: autoriteiten, bestuurders, politici, oorlogshitsers, haatpredikers, bendeleiders. De hulpverleners die in Sarajevo bleven tijdens de beschietingen, in Ramallah ondanks de raids op ambulances, in Freetown ondanks de bedreiging door gedrogeerde kindsoldaten, de brandweerlieden van New York, die hun leven waagden en verloren toen zij het WTC gebouw ingingen om overlevenden te zoeken, zij doen hetzelfde als de hulpverleners bij rampen zoals de watersnood van 1953.

De meeste rampen spelen niet af in of rond Europa en Amerika, maar op de andere continenten. De armere continenten. Volgens het rampenjaarboek 2002 vallen er meer slachtoffers van natuurrampen in midden-inkomenslanden dan in de rijkere landen. De meeste slachtoffers vallen in de armste landen. Daar zijn dan nog niet eens de slachtoffers bijgeteld van het catastrofale geweld van burgeroorlogen waardoor veel armere landen worden geteisterd. Armere landen hebben vaak een geografische structuur of een natuurlijke omgeving die hen meer kwetsbaar maakt voor rampen - bijvoorbeeld tengevolge van klimaatverandering - dan andere. De economische structuur en de sociale verhoudingen leiden er eerder dan elders tot hongersnood of milieucatastrofe. Hun politieke structuur kan eerder dan elders tot gewelddadige conflicten leiden en hun bestuurlijke structuur is vaak te jong en fragiel om zich op een en ander voor te bereiden en de gevolgen van een crisis op te vangen. De buffer om schokken te dempen is dun, wanneer armoede heerst, wanneer de staat zwak is en de civiele samenleving versnipperd.

In veel arme landen, anders dan in West Europa en Amerika, is de catastrofe geen uitzondering, maar regel. Daar vervagen grenslijnen tussen hetgeen normaal is en wat elders als uitzonderlijk zou gelden. Veel van die rampen worden vergeten: de altijd maar voortdurende rampen, de verre rampen, de gemaakte rampen, de rampen die zich in de toekomst zullen voordoen omdat wij thans nalatig zijn. AIDS in Afrika, een burgeroorlog in Sudan die decennia duurde en miljoenen slachtoffers maakt, vluchtelingenkampen waar grootouders, ouders en kleinkinderen samen wonen zonder perspectief op een normaal leven, mensen die huizen op eilanden in de Golf van Bengalen waarvan de kust zienderogen afbrokkelt, iedere dag opnieuw. Enzovoort.

Die rampen worden niet alleen niet voorkomen, de slachtoffers worden ook terzijde geschoven. Althans, door autoriteiten, die medicijnenprijzen handhaven op een niveau dat alleen rijke Westerse consumenten zich kunnen veroorloven. Autoriteiten, die schuldaflossing verabsoluteren in plaats van ruimte te bieden voor onderwijs, gezondheidszorg en plattelandsontwikkeling en aldus de buffer te versterken waarmee rampen kunnen worden opgevangen. Autoriteiten die het laten afweten om humanitair te intervenieren. Autoriteiten die beknibbelen op hulp. Opinieleiders die de slachtoffers de schuld geven: “zij hebben het er toch zelf naar gemaakt…”.

Gelukkig zijn er talloze hulpverleners die het niet laten afweten. Het Rode Kruis, Artsen Zonder Grenzen, Unicef, UNHCR, de VN hulpverleners die naar Bagdad gingen ondanks de bedreigingen, vrijwilligers van particuliere organisaties, vluchtelingenwerkers. Zij proberen het ergste op te vangen. Zij trachten te corrigeren wat door anderen werd nagelaten dan wel veroorzaakt. Hulpverleners vragen niet om gehuldigd te worden. Zij vragen steun en bescherming. Zij vragen van bestuurders en politici en autoriteiten net zoveel inzet om rampen te voorkomen als zijzelf betonen bij het bestrijden van de gevolgen daarvan. Door die inzet te tonen - preventie, prioriteiten stellen, geldmiddelen ter beschikking stellen, snelle en doeltreffende organisatie opzetten, spoedig werk maken van herstel en wederopbouw - de basis van de preventie van een herhaling van de ramp - wordt aan de feitelijke hulpverleners getoond dat hun hulp meer is dan een doekje voor het bloeden. Door slachtoffers, overlevenden, nabestaanden en vluchtelingen niet te vergeten, maar voor hen zorg te organiseren, opdat zij spoedig weer een veilige en normale plaats in de samenleving kunnen vinden, kunnen officials, bestuurders en politici aan hulpverleners tonen dat hun inzet niet voor niets is geweest en dat de aanvankelijk geredde mensen niet alsnog het slachtoffer worden van een ramp na de ramp.

Laat de slachtoffers niet in de steek. Laat ook de hulpverleners niet in de steek. Dat zijn in deze wereld de echte helden.


Jan Pronk


Toespraak nationale bijeenkomst voor de hulpverleners na de Watersnoodramp van 1 Februari 1953
Tholen, 18 September 2003.