Leiderschap na 11 September

Burgemeesterlezing, Den Haag, 12 September 2002

De Amerikaanse journaliste Lois Ramondo beschrijft in haar verslag van een reis door een gevaarlijk Afghanistan, eind vorig jaar, hoe zij werd geinspireerd door zes simpele maar bemoedigende woorden die zij, voordat zij vertrok, als presentje kreeg van een vriend: “Wees verstandig. Wees dapper. Wees bevreesd”. Met die woorden spraken zij en haar Afghaanse metgezel elkaar moed in toen zij het front door Noord-Afghanistan volgden tijdens hun confrontaties met Taliban strijders. En, zo schrijft ze, ook nu, terwijl ik veilig en wel in de Verenigde Staten ben en hij met in een in toenemende mate versplinterde coalitie in Afghanistan worstelt, sluit ik ons intercontinentale telefoongesprek af met deze zes woorden: “Wees verstandig. Wees dapper. Wees bevreesd”. 1).

Hoe meer ik deze passage lees, hoe meer ik deze woorden ga zien als het devies om een bedreiging het hoofd te bieden: met wijsheid, moed en vrees. Met alle drie tegelijkertijd. Zij houden elkaar in evenwicht. Dat bepaalt of men een dreiging kan afwenden, een conflict beheersen, een crisis doorstaan. Wijsheid, moed en vrees: het zijn de noodzakelijke ingredienten van leiderschap in crisis situaties.

Over politiek leiderschap verscheen dit jaar het boek “Stijlen van leiderschap” door de historicus Henk te Velde. Het gaat over verschillende stijlen van leiderschap van een aantal politici van Thorbecke tot Den Uyl. Iedere tijd, zo schrijft te Velde, biedt door de politieke constellatie en de maatschappelijke achtergrond een zekere ruimte, maar geen onbeperkte vrijheid aan politiek leiderschap. “Succesvolle leiders”, aldus te Velde, “zijn zij die als politieke persoonlijkheid die mogelijkheden weten uit te buiten, zodat zij hun stempel zetten op de politiek”. 2). Anders gezegd: een succesvol leider ontstijgt de maatschappelijke achtergrond en zet de politieke constellatie naar zijn hand.

Te Velde beschrijft hoe Thorbecke, Kuyper, Colijn, Drees en Den Uyl dat deden, ieder met een eigen stijl die past in de geest van hun tijd. Nu werd voor ieder van deze vijf de periode waarin zij leiding gaven gekenschetst door grote maatschappelijke veranderingen, maar niet door een oorlog of door een crisis die gepaard ging met geweld op grote schaal. Het is jammer dat Te Velde geen Nederlandse politiek leider gedurende de Tweede Wereldoorlog in zijn boek heeft kunnen opnemen. Wellicht was Koningin Wilhelmina de enige die daarvoor in aanmerking zou zijn gekomen, ook al was haar leiderschap van een andere aard..
In zijn studie heeft Te Velde enkele tijdgenoten uit het buitenland opgevoerd die als leidersfiguren internationaal een voorbeeld waren: Gladstone, Kennedy en Willy Brandt. Gladstone’s leiderschap, aldus Te Velde, had drie kenmerken. Hij vertoonde passie in kwesties van moraliteit. Hij kon zich identificeren met zijn achterbanen dat aan die achterban overbrengen (“I am one of yourselves”). En, tenslotte, hij was eerder een alerte volger van een maatschappelijke beweging dan een initiatiefnemer; hij sloot aan, nam over, doch liet zich niet meeslepen.

Het zijn de kenmerken van leiderschap in een evenwichtige maatschappelijke ontwikkeling, noodzakelijk om ‘de boel bij elkaar te houden’, zoals Den Uyl placht te zeggen. Zijn het ook voldoende eigenschappen in een situatie van oorlog of crisis? Of kort daarna, teneinde de samenleving weer op te bouwen en een nieuwe crisis te voorkomen? Dan gaat het er immers niet om de boel bijeen te houden, maar om deze bijeen te brengen: geweld uit te bannen, vrede te bewerkstelligen, herstel en eenheid. Daar is meer voor nodig: naast passie een profetische visie, naast identificatie met de eigen achterban het vermogen een brug te slaan naar anderen, naast alert volgen het nemen van initiatief om doorbraken te bewerkstelligen.

Kennedy kon dat. Hij straalde passie uit en wist een visie over te brengen, een visie op de eigen samenleving en op de wereld. Hij zette zich niet alleen af tegen voorgangers, maar werd de verpersoonlijking van vernieuwing. Die vernieuwing bracht hij niet zelf tot stand. Dat deden mensen die geinspireerd werden door zijn elan en die de ruimte benutten die hij schiep. Hij begeesterde de zijnen, maar oefende ook aantrekkingskracht uit op tallozen wier leider hij niet was, zelfs op de achterban van zijn tegenstanders. Hij zocht de confrontatie, ook in crisissituaties, nam initiatief en risico.

Net als Kennedy zocht Willy Brandt de macht. Maar hij ging er behoedzaam mee om. Hij zocht de confrontatie niet. Zijn leiderschap was er op gericht via discussie en overtuigen eenheid tot stand te brengen. Openlijk sprak hij uit dat twijfel in de politiek belangrijk was om aldus ook vermeende vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen. Dat legitimeerde hem initiatieven te nemen om patstellingen te doorbreken en verzoening na te streven. Daardoor strekte ook zijn gezag, net als dat van Kennedy, zich uit tot velen die eigenlijk een andere leider hadden. Zo’n leiderschapsstijl is functioneel wanneer het er op aan komt vrede te verduurzamen door een nieuwe band te smeden met mensen die gewoontegetrouw beschouwd worden alsde tegenpartij. Brandt ging zijn achterban daarin voor , zonder deze van zich te vervreemden.

Dat was klasse. Het is de klasse van Mandela. Na eerst zijn leiderschap te hebben getoond in de strijd tegen de Apartheid en ondanks een lange periode van ballingschap, bleek Mandela in staat ook na de strijd de onomstreden leider te zijn. Hij ging voor in het proces van verzoening door voormalige tegenstanders niet af te stoten, maar hen de hand toe te steken. Hij leidde de wederopbouw van de samenleving en werd het symbool van het nieuwe Zuid Afrika.
Mandela was uniek. Hij kon zijn leiderschap na de crisis vervullen omdat hij zelf ook persoonlijk strijd had gevoerd en slachtoffer was geweest. Dat gaf hem extra gezag en maakte hem bij uitstek geloofwaardig in pogingen de kloof in de samenleving te dichten. Het unieke van Mandela was niet dat hij zelf had gestreden en geleden, maar dat hij desondanks voorging in het helen van de samenleving. Dat hebben slechts weinig leiders kunnen opbrengen. Mugabe in Zimbabwe, Kagame in Rwanda, Meles Zenawi in Ethiopie hebben ook midden in de strijd gestaan en zijn ook zelf slachtoffer geweest Maar toen zij uiteindelijk als overwinnaar uit te voorschijn kwamen hadden zij onvoldoende grootheid om daarna de leiding te nemen bij de verduurzaming van de overwinning. De een was er niet toe bereid, de tweede niet in staat, de derde hield niet vol.

Verduurzaming komt alleen tot stand wanneer ook de oorzaken van een conflict zijn weggenomen en mogelijke motieven om de strijd te hervatten bij voorbaat uitgebannen. Zo’n motief is wraak, al dan niet gevoed door overmatige vergelding na de strijd, of door nieuw onrecht, maar nu jegens de overwonnen tegenstanders van weleer. Het kan ook gelegen zijn in eenzelfde eigengereide en wellustige omgang met macht door de nieuwe leiders als door de terzijde geschoven machthebbers. Het hoeft niet eens een nieuwe onderdrukking te zijn. Het ontnemen van perspectief aan (nieuwe) minderheden, het bevoordelen van de eigen groep, (etnisch, religieus, cultureel, sociaal, economisch) kan leiden tot het gevoel uitgesloten te zijn, genegeerd en vernederd. Dat leidt tot afkeer, wrok, ressentiment, haat en geweld en tot het hernemen van de strijd.

Dat proces hebben we in bijna alle landen van Afrika gezien. Maar niet alleen daar. Op de Kaukasus en in de Balkan, in het Midden Oosten en in Zuid Azie doet het zich net zo voor. Een eind maken aan de geweldsspiraal tussen Hindoes en Moslims, Israeli’s en Palestijnen,
Bosniers, Serven, Kroaten en Albanezen, Koerden en Turken, Tamils en Sinhalezen, dat vereist niet alleen het wegnemen van huidig onrecht en het vereffenen van bestaande ongelijkheden tussen minderheden en meerderheden, maar ook het ongedaan maken van onrecht en ongelijkheid uit het verleden. Dat kan per definitie niet. Maar in de plaats daarvan kan wel verzoening plaatsvinden en zekerheid worden geboden dat de geschiedenis zich niet herhaalt. Dat vereistvan nieuwe structuren: een rechtsstaat, democratie, geinstitutionaliseerde rechten en vrijheden, sociale zekerheid, een economisch stelsel met ingebouwde correcties tegen machtsmisbruik en ongelijkheid. Dat kost tijd. En het wordt niet door iedereen als vanzelfsprekend noodzakelijk geaccepteerd. Integendeel. De nieuwe structuren die recht en zekerheid moeten bieden aan iedereen, ook aan minderheden en aan voormalige tegenstanders, betekenen immers dat iets wordt afgedaan aan de voorsprong van de meerderheid. Perspectief bieden aan minderheden, hen volwaardig en op voet van gelijkheid laten deel uitmaken van de samenleving vereist dat vrijheden, macht en welvaart van degenen die zich tot nu toe het meeste hebben kunnen toeeigenen worden beperkt. Daartoe zijn zij pas bereid als zij beseffen dat dit in hun eigen belang is en dat er geen alternatief bestaat. Altruisme en solidariteit zijn in zo’n situatie onvoldoende motief. Er is een meer duurzaam alternatief nodig. Verlicht eigenbelang zou dat kunnen zijn: het voorkomen van toekomstig onheil door reeds nu eerlijker te delen. Maar dat motief, hoe verstandig ook, blijkt iedere keer weer te wijken voor de gedachte dat het wellicht niet nodig is, want men zou de voorsprong toch ook kunnen gebruiken om zich te beschermen? En zo zien we telkens opnieuw hoe eerlijker delen wordt uitgesteld, hoe vredesbesprekingen worden afgebroken en maatschappijhervorming op de lange baan geschoven wordt.

Tenzij er een leider opstaat die solidariteit en recht en verlicht eigenbelang als motief weet hoog te houden tegen alle weerstand in en de mensen weet te overtuigen dat dit de enig begaanbare weg is. Zo’n leider moet niet alleen de eigen achterban daarvan overtuigen – en dat is moeilijk, want men was toch aan de winnende hand? – maar ook de anderen, mensen wiens leider hij niet was, maar nog moet worden. Waarom zouden zij het wagen hem te vertrouwen? De overtuigingskracht in beide richtingen zal groter zijn naarmate de leider ook zelf alle fasen van het conflict heeft doorleefd: onrecht hem aangedaan, de strijd door hem aangegaan, leed in die strijd hem berokkend, de overwinning bevochten met middelen die niet haaks staan op het doel – zonder oorlogsmisdaden dus – en een tijdige verzoening, niet pas wanneer het verkregen leiderschap op zijn retour dreigt te raken.

Zo’n leider moet het ook zelf aandurven. Een dergelijk leiderschap houdt nu eenmaal een zekere verwijdering in van de eigen achterban. Het is een waagstuk. Er kunnen concurrenten opstaan die de kans schoon zien. Er kan ruimte ontstaan voor fanatici die hun woede niet richten op de tegenstanders van weleer, maar op de eigen leiders. Wie een dergelijk leiderschap aandurft heeft heldenmoed nodig. Daarom is het uniek en verdient het gekoesterd te worden. Leiderschap als een Godsgeschenk, een leider als een Deus ex Machina. Martin Luther King len Rabin liepen die risico’s en zij werden vermoord.

Daarom past de buitenwacht bescheidenheid. Hoe graag we ook zouden zien dat in het Midden Oosten, in Kashmir, in Tsjetsjenie, in Soedan en in Sri Lanka en in al die andere regio’s die verscheurd worden door gewelddadige strijd de rede zal overwinnen, we weten dat dit niet vanzelf gaat. De rede is nooit vanzelfsprekend. Ook de rede moet bevochten worden.

Kunnen we de rede een handje helpen? Door goed leiderschap te prediken, of ‘good governance’, in het hedendaags jargon van de internationale samenwerking? Dat wordt al gauw beschouwd als de wijsheid van betweters, die het conflict zelf niet aan den lijve hebben ondervonden en gemakkelijk praten hebben. Kan de rede worden geholpen door steun te beloven? Hulp van buitenaf op voorwaarde van goed bestuur? Hulp bij het scheppen van omstandigheden waaronder goed leiderschap kan ontstaan? De buitenwacht heeft echter zelden schone handen en is vaak zelf partij. De buitenlandse adviseurs van nu hebben in het verleden vaak slechte leiders en slecht bestuur gesteund, het conflict verergerd en er van geprofiteerd. Of zij meten met twee maten: interventie in de ene situatie, terwijl elders onrecht wordt gedoogd en in verhoudingen op wereldschaal zelfs wordt bestendigd.

Hoe geloofwaardig is momenteel het internationale leiderschap? Doen we internationaal datgene waarvan we vinden dat het nationaal zou moeten? Die vraag heeft rond de wisseling der Millennia aan betekenis gewonnen nu de globalisering grenzen tussen naties heeft vervaagd. Dat werd in de jaren negentig van de vorige eeuw, na de aanvankelijke euforie over hert einde van de Koude Oorlog gaandeweg duidelijker. De migratie kreeg het karakter van een volksverhuizing. Het conflict op de Balkan werd een Europees conflict met Atlantische proporties. Het Israelisch-Palestijnse conflict deed zich steeds sterker voelen in het gehele Midden Oosten, Europa en de Verenigde Staten. De Golfoorlog deed dat in bijna de gehele wereld. De Aziatische financiele crisis had economische repercussies tot ver buiten het continent. AIDS werd een killer op wereldschaal. De doorbraak op het terrein van de informatietechnologie, de communicatie en het data verkeer luidde een culturele wereldrevolutie in. De internationale orde kraakte in haar voegen. Het internationale leiderschap beperkte zich tot het faciliteren van de wereldmarkt. Parallelle sociale actie bleef uit en internationale conflictbeheersing faalde volledig. En toen kwam, in het eerste jaar van het nieuwe Millennium, 11 September.
Wat gebeurde er op 11 September 2001? Op die dag werd vanuit de Derde Wereld het geweld dat zich daar reeds lange tijd had voorgedaan naar het noorden getransporteerd. Het geweld in het Zuiden had, na de dekolonisatie in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, vooral te maken met een achterblijvende ontwikkeling, economisch, sociaal en politiek. Schrijnende armoede heerste naast nieuwe welvaart. De vorming van onafhankelijke nieuwe naties ging gepaard met grote tegenstellingen en machtsmisbruik. De Derde Wereld was een theater geworden waar Oost en West hun wederzijdse invloedssferen op de proef stelden. Na de Koude Oorlog kregen binnenlandse religieuze, regionale, etnische en economische tegenstellingen vrij spel. Zij werden uitgevochten met veel geweld, ook over nationale grenzen heen. Die grenzen hadden door de economische, technologische en culturele globalisering hun functie inmiddels nagenoeg verloren. De globalisering bracht ook zelf nog grotere tegenstellingen teweeg tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’. Al die conflicten speelden op elkaar in en leidden tot steeds meer geweld. Tal van naties werden gespleten. Indonesie, de Filippijnen, Pakistan, Iran, Irak, Turkije, Egypte, Algerije, Nigeria, Liberia, Sierra Leone, Angola, Mozambique, Kenia, Ethiopie, Eritrea, Soedan, Burundi, Rwanda, Zaire, Argentinie, Peru, Colombia, Guatemala, Mexico., de Kaukasus, voormalig Joegoslavie. Al deze landen werden in de jaren tachtig en negentig langdurig geteisterd door structureel geweld. De lijst is niet compleet. Het geweld rolde over nationale grenzen heen. Het aantal slachtoffers wordt niet geteld in duizenden, maar in miljoenen, tientallen miljoenen. Zij vielen in het Zuiden, niet in het Westen. Dat genoot van steeds meer welvaart, stabiliteit en rust. Het geweld in het Zuiden deerde het Westen niet. Het hield halt bij haar grenzen.

Tot elf september vorig jaar. Toen kwam het vanuit de periferie naar het centrum, en wel naar het echte machtscentrum, de Verenigde Staten. In New York werd het kapitalistische symbool van de globalisering met de grond gelijk gemaakt. De moderne Torens van Babel, aldus Norman Mailer. 3). De moderniteit werd aangevallen, zo schreef Luuk van Middelaar. 4). Voor de eerste keer in haar geschiedenis werden de Verenigde Staten aangevallen op het eigen grondgebied. Duizenden slachtoffers waren het resultaat. Vanaf die dag ervaren de Amerikanen hun eigen territoriale kwetsbaarheid. Dat vroeg om nieuw leiderschap, zowel van burgemeester Giuliani als van President Bush. Beiden veranderden hun stijl. De autoritaire burgemeester werd een vader voor de stad. De provinciale president een wereldleider.

Het was het begin van een nieuwe perceptie van de internationale verhoudingen. De Verenigde Staten beschouwen zich reeds een jaar lang als een land in oorlog, zij het een nieuw soort oorlog. Europa niet. Vele Europeanen denken dat de aanval niet hen gold, doch alleen Amerika, of menen dat het een incidentele aanslag betrof, niet het begin van een brede, langdurige strijd.

Zo schreef Benzakour: de aanval gold de VS, niet het moderne Westen als geheel. De VS, vanwege haar houding in het Israelisch-Palestijnse conflict, haar arrogantie, die door degenen die haar ondergaan als vernederend wordt ervaren. 5). Van Middelaar, daarentegen, stelde dat de plegers van de aanslag een breder doel nastreefden. Zij wilden de Verenigde Staten ondermijnen omdat men het fundamenteel oneens was met niet alleen de Amerikaanse politiek, maar bovenal de grondslagen van de Verenigde Staten als natiestaat: de moderne liberale democratie. De afwijzing van die waarden ontaardde in intolerantie en haat. Omdat het fundamenteel dezelfde waarden zijn als die welke ten grondslag liggen aan de Westerse natie-staten in het algemeen, geldt de fundamentalistische afwijzing en haat ook West Europa. Op dit punt had van Middelaar gelijk.

Ook Europese leiders zullen zich moeten bezinnen op hun strategie en stijl van leiderschap. Nog steeds is waakzaamheid geboden, ook al is een jaar verstreken waarin de Verenigde Staten niet zijn ineengestort en Europa niet is getroffen. Zolang degenen die de aanslag beraamden niet zijn gevat, kan zich een herhaling overal en altijd voordoen, met veel meer slachtoffers dan vorig jaar. Een aanval met biologische, chemische of nucleaire wapens is niet uit te sluiten Maar ook op een andere wijze is de Westerse samenleving gemakkelijk te ontwrichten. Zij is juist door de toepassing van Westers modern technologisch vernuft, door de complexe arbeidsverdeling in de Westerse economie, door de sociale afhankelijkheidsverhoudingen en door de grootschalige en toch fijnmazige financiele netwerkrelaties uiterst kwetsbaar geworden. Modern is kwetsbaar. Zeer modern is heel erg kwetsbaar.

Waakzaamheid is echter niet genoeg .De noodzakelijke bezinning moet meer inhouden dan het geven van een hogere prioriteit aan veiligheid en bescherming. Zelfs wanneer de plegers en beramers van de aanslag onschadelijk zouden zijn gemaakt, is de oorlog tegen het terrorisme niet gewonnen. Er kunnen en zullen nieuwe terroristen opstaan. Zelfs wanneer een schild rond het Westen zou zijn aangebracht, de kwetsbaarheid blijft. De globalisering van de markt en van de technologische systemen maakt dat een aanslag niet meer van buitenaf komt, doch per definitie van binnen uit. Na 11 september 2001 houdt leiderschap meer in dan bescherming van de eigen natie, meer dan het onschadelijk maken van een vijand, meer ook dan het preventief uitschakelen van degenen die mogelijk een nieuwe aanslag beramen. De bescherming van de eigen samenleving, van de waarden die daaraan ten grondslag liggen en, zo men wil, van de beschaving zelf vereist bovenal dat alle mogelijke oorzaken van conflicten en redenen tot escalatie worden weggenomen.

Probeer dus door te dringen in de motieven van de haat. Neem ze serieus, hoe fanatiek ze ook klinken. Kennelijk voelen velen zich er door aangesproken. Dat maakt ze tot een politiek feit, dat niet straffeloos kan worden genegeerd. Ook motieven die we verafschuwen zullen we moeten ontkrachten. Dat kan niet door ons tegen de mogelijke gevolgen te beschermen. Ontkrachting van motieven vindt evenmin plaats door ze te negeren, te ontkennen of te bestrijden. Dat voedt ze slechts. Fundamentalistische haatgevoelens kunnen alleen worden ontkracht door hun voedingsbodem weg te nemen. Dat zal fanatici niet weerhouden. Maar anderen, die zich door dezelfde motieven aangesproken voelen, doch nog twijfelen en nog niet definitief gekozen hebben voor een fanatiek fundamentalisme - mensen die wel wrok koesteren, maar nog geen haat –, zij kunnen wel worden weerhouden van gewelddadige actie of steun. Mits hen een perspectief wordt geboden in een andere richting.
Om dat te kunnen schetsen moeten we zicht hebben op de structurele achtergrond van het ressentiment in de Derde Wereld. Die is er en al geruime tijd. Eigenlijk is het vreemd dat de wrok tegen het Westen niet eerder heeft geresulteerd in geweld. Dat dit ooit stond te gebeuren is wel voorzien. Decennia geleden sprak Tinbergen over de noodzaak van een eerlijke verdeling en van een leefbare aarde, niet alleen om der wille van de solidariteit, maar ook om gewelddadige spanningen te voorkomen. Het met geweld zich toeeigenen van hetgeen waarop men recht meende te hebben zou zich uiteraard niet beperken tot conflict en strijd binnen landen van de Derde Wereld zelf. Het was, aldus Tinbergen, een kwestie van tijd aleer ook het rijke Noorden zou worden aangesproken. Daarom diende het Noorden de haar resterende tijd goed te gebruiken en echt te kiezen voor een rechtvaardige internationale orde. Om dat te verwezenlijken was leiderschap nodig, schreef Tinbergen destijds. 6).

Zoveel te meer nu. Inmiddels is de ongelijkheid groter geworden en de aarde minder leefbaar. Het geweld heeft de grens tussen Noord en Zuid overschreden. En er is nog iets anders gebeurd: het perspectief is vervlogen. Waarom is de wrok tegen het welvarende Westen niet eerder omgeslagen in geweld? Omdat datzelfde Westen tegelijkertijd een wenkend perspectief bood. De armen in het Zuiden koesterden een haat/liefde verhouding ten opzichte van de rijken in het Noorden. Men kon zich veronachtzaamd voelen, of uitgebuit of onderdrukt, maar niet buitengesloten. Er was hoop. Het Westen was een voorbeeld. Men kon proberen het na te volgen, toegang te vinden, er bij te horen. Er was vooruitgang merkbaar. Ondanks de armoede wist men dat het zin had te streven naar ontwikkeling. Er was immers de ervaring dat men het een beetje beter had dan een vorige generatie en de hoop leek gerechtvaardigd dat de kinderen en kleinkinderen het nog wat beter zouden krijgen. Ook een flauw stijgende trend is vooruitgang, groei, ontwikkeling, dynamiek. Maar wanneer mensen weten dat hun grootouders er beter aan toe waren dan hun ouders, en die weer beter dan zij zelf, en wanneer zij beseffen dat er voor hun kinderen en kleinkinderen alleen maar verdere achteruitgang in het verschiet ligt, dan is het perspectief verdwenen.

Voor zeer velen in de wereld is dat de werkelijkheid van vandaag. Duidelijker dan ooit zien zij, dank zij de moderne communicatiemiddelen, hoe het zou kunnen zijn. Meer dan voorheen beseffen zij dat een beter leven voor hen onbereikbaar is, omdat zij zelf steeds minder vaste grond onder de voeten hebben. Geen land om te bewerken, geen werk, geen krediet, geen onderwijs, geen basisvoorzieningen, geen zekerheid omtrent inkomen en voedsel voor de dag van morgen, maar wel steeds meer vervuiling, steeds meer kans op AIDS, een huis zonder elektriciteit, water of sanitair. Ondanks de ongekende economische vooruitgang in de wereld in het laatste decennium van de vorige eeuw restte er voor een kleine twee miljard mensen slechts de ervaring verder weg te zinken in het moeras.

Op de zojuist afgesloten Wereld Top Conferentie voor Duurzame Ontwikkeling in Johannesburg vergeleek de opvolger van Mandela, President M'beki, de huidige situatie in de wereld met die in Zuid Afrika ten tijde van het Apartheidsregime. De verschillen tussen arm en rijk in de wereld zijn niet langer te omschrijven als een schrijnend ongelijke verdeling van de welvaart die door wereldwijde welvaartsgroei en een betere welvaartsverdeling kan worden getemperd. De verschillen zijn blijvend geworden. Arm en rijk staan apart, onderling gescheiden, afgegrensd ten opzichte van elkaar. Je was blank of zwart en dus hoorde je er wel of niet bij. Je bent nu al dan niet een onderdeel van de moderne cultuur. Die is Westers van origine, doch strekt zich uit tot tal van eilanden van moderniteit in het Oosten en Zuiden van de wereld, met elkaar verbonden met behulp van moderne communicatiemiddelen, fysiek en virtueel, die je het mogelijk maken overal ter wereld het besef te hebben er bij te horen, deel te hebben aan de geglobaliseerde uniforme Westerse neo-liberale welvarende consumentencultuur. Die is afgescheiden van de wereld er naast, in fysieke zin soms vlak bij, doch in de tijd gemeten, en qua mentaliteit en beleving ver weg: armoede, honger, werkloosheid, gebrek aan de meest elementaire voorzieningen in de sloppen van de metropool, op het platteland en in de periferie, waar vervuiling de boventoon voert, de productiviteit van de grond gering is, het water schaars, het leven ongezond, en waar voorzieningen ontbreken. “Een samenleving die is gebaseerd op armoede voor velen en rijkdom voor enkelen, gekarakteriseerd door eilanden van welvaart omringd door een zee van armoede is niet duurzaam”, aldus M'beki.7). Aan de ene zijde zekerheid en luxe, aan de andere ontberingen en lijden. Dit zijn geen grote woorden: voor heel veel mensen is het leven mensonwaardig.

Net als destijds onder het Apartheidsregime worden de zekerheden en de luxe aan de ene kant overeind gehouden en beschermd door de bestendiging van de ellende aan de andere kant. Het gaat niet om uitbuiting. Die doet zich nog wel voor - de grondstoffenprijzen worden zijn laag gehouden en illegale migranten krijgen lonen beneden het sociale minimumniveau -, maar uitbuiting is niet meer de allesoverheersend grond van de welvaart. De geglobaliseerde Westerse cultuur beschikt over zoveel kapitaal en koopkracht dat zij zich zelf ook zonder uitbuiting in stand kan houden. Maar derden worden wel buitengesloten, omdat gevreesd wordt dat zij het Westen meer zullen kosten dan opbrengen. Ze passen niet in het Westerse rendementsdenken. De bewoners van de sloppen in Calcutta, Nairobi en Rio de Janeiro, de AIDS-getroffenen in Afrika, landlozen in Bangladesh, subsistence-boeren in de Sahel, migranten die illegaal de Middellandse Zee oversteken, missen zowel bekwaamheden die aansluiten bij de moderne economie als koopkracht naar Westerse producten. Daarom kunnen die mensen zelf gemist worden. Zij zijn niet interessant, doch ons tot last en moeten niet proberen dichterbij te komen. We houden ze tegen door onze eilanden van welvaart wereldwijd zo goed mogelijk met elkaar te verbinden. Daarmee ontnemen we hen ruimte: grond, vooral goede grond, vruchtbaar of commercieel strategisch gelegen, water, bos, natuurlijke hulpbronnen. We zadelen ze op met torenhoge schulden. We onthouden ze basisvoorzieningen om in te overleven, zoals betaalbare medicijnen tegen AIDS. Globalisering ontneemt levensruimte, is een vorm van toeeigening. M'beki heeft gelijk: globalisering is Apartheid. Globalisering is begrenzing en bezetting, waarbij de armen in hun thuislanden moeten blijven, in bezette gebieden, van elkaar gescheiden door grenzen getrokken door degenen die wel beschikken over het kapitaal en de technologie die aan de basis liggen van de moderne Westerse cultuur.

De westerse leiders wilden in Johannesburg niet akkoord gaan met de term 'Global Apartheid' in de slotverklaring de Topconferentie. Integendeel, zij reageerden als door een wesp gestoken. En er bestond vrees voor eventuele juridische consequenties. Zo zou er wel eens een proces aanhangig gemaakt kunnen worden bij het Verenigde Naties Gerechtshof te Den Haag, dat tot taak heeft te oordelen over misdaden tegen de menselijkheid. Het Westen wees iedere vergelijking met het Apartheidsregime van de hand. Dat was schuldig aan het apart zetten van de zwarten in Zuid Afrika. Het Westen heeft toch geen schuld aan het apart zetten van de armen in de wereld? Die schuld, zo werd betoogd, ligt veeleer bij regimes in de Derde Wereld zelf, met slecht bestuur en slecht leiderschap.

Natuurlijk gaat analogie met het Apartheidsregime niet geheel op. Natuurlijk is er in de Derde Wereld vaak een slecht beleid gevoerd. Soms was dat te wijten aan de onderontwikkeling zelf, soms gebeurde het tegen beter weten in door leiders die alleen uit zijn op eigen gewin. Edoch, vaak werden die leiders vanuit het Westen in hun macht bevestigd, omdat een regime verandering niet in het belang was van het Westen. Een enkele maal gebeurde het zelfs in omgekeerde richting, zoals op de elfde September 1973, toen in Chili President Allende werd vermoord na een van buitenaf georkestreerde ondermijning van zijn democratisch gekozen bewind. Met twee maten meten is ook een vorm van apartheid.

Het Westen is zijn verantwoordelijkheid reeds decennia lang uit de weg gegaan. Westers kapitaal, Westerse ondernemers en Westerse technologie maakten de wereld tot een huishouding, maar zonder de sociale mechanismen die dezelfde Westerse landen binnen hun nationale huishoudingen toepassen om de boel bijeen te houden. De ontplooiing van de economieen van ontwikkelingslanden werd stelselmatig gehinderd door nieuwe handelsbelemmeringen, kredietbeperkingen, schuldaccumulaties en aanpassingsprogramma's. Er is ook wat dit betreft met twee maten gemeten. Westerse normen en waarden gelden aan gene zijde van de grens kennelijk anders dan aan deze. Geen wonder dat velen in de Derde Wereld zich opzettelijk buitengesloten achten en apart gezet.

De Westerse afwijzing van het concept van de wereldwijde apartheid kwam natuurlijk niet als een verrassing. Het was eerder een bevestiging van de vervreemding die ook na het koloniale tijdperk tussen het westen en de rest van de wereld is blijven bestaan. Die vervreemding is wederzijds, economisch, sociaal, cultureel en politiek. Het is geen scheiding die zich langs landsgrenzen voltrekt. Zij loopt dwars over nationale grenzen heen. De globalisering heeft een einde gemaakt aan verschillen in afstand en in tijd. Wat ver afgelegen was is dichtbij gekomen, wat nabij was ver weg. Dat heeft de moderne technologie bewerkstelligd Niet de werkelijk afstand of het feitelijke tijdsverschil telt, maar die in de menselijke geest. In het Conferentiecentrum in Johannesburg voelden de meesten van ons zich door vliegticket, CNN, cell-phone, e-mail of credit-card dichter verbonden met metropolen in andere werelddelen dan met AIDS-slachtoffers op het Afrikaanse continent, landlozen in Zuid Afrika en werklozen uit de nabije township Alexandra. En hier in Den Haag zullen de meesten zich in de geest minder verwant voelen met asielzoekers en illegalen in onze eigen stad dan met mede-internetgebruikers aan gene zijde van de aardbol of met toeristen die we deze zomer tegenkwamen op Bali of aan de Middellandse Zee. De globalisering is niet alleen een economische en een technologische wereldrevolutie, het is bovenal een culturele revolutie, een revolutie in de geest.
Die revolutie kent winnaars en verliezers. Echte verliezers en zij die zich als zodanig beschouwen. De globalisering schudt gevestigde verhoudingen en culturen door elkaar heen. Sommigen beschikken over vaardigheden om zich toegang te verschaffen tot de moderne wereldmarkt en doen volledig mee. Anderen, economische asielzoekers bijvoorbeeld, worden meegezogen door de onderstroom van de nieuwe dynamiek. Voor hen is het pompen of verzuipen. Voor weer anderen, alleenstaande vrouwen met kinderen in Afrika, betekent het een totale ontworteling. Hun bestaansbasis was fragiel en breekt. Sommigen worden door de nieuwe verhoudingen meegesleurd en gaan ten onder. Anderen passen zich aan. Weer anderen verweren zich. Hun verweer kan vele vormen aannemen: protest, economische actie, alliantievorming, een politiek tegenoffensief op internationaal niveau. Het kan ook een poging inhouden tot versterking van de eigen cultuur of een versteviging van de band tussen politiek en religie. Het kan ook geweld inhouden, eerst gericht tegen modernisten binnen de eigen cultuur die bereid waren zich te assimileren met het Westen – zoals in Algerije - en vervolgens tegen het Westen zelf. Dat laatste stadium zal zich des te eerder aandienen naarmate het centrum van de globalisering zich minder aan de periferie gelegen laat liggen, niet alleen aan de sociale noden en de economische behoeften van de periferie, maar ook aan de tradities, de cultuur, de religie en de aspiraties aldaar. Die eigen liefde van het Westen, om Norman Mailer nogmaals te citeren, die zelfgenoegzaamheid wordt als arrogant ervaren, als beledigend, een slag in het gezicht. Dat leidt tot ressentiment: men voelt zich niet alleen misdeeld, maar ook vernederd en verslagen.

In de 18e eeuw bleef een dergelijke hautaine houding van de elite niet zonder gevolgen. De Franse revolutie vloeide er uit voort. In de huidige tijd geldt, aldus Thomas Friedman: “if you don’t visit your neighbourhood, it will visit you”. 8). Dat bezoek kan verschillende vormen aannemen. Een ervan is de wassende migratie naar de steden, via Kinshasa naar Rotterdam. Een ander is de toeneming van misdaad en geweld in alle metropolen waar de centra het oog verblinden, maar de verpaupering in de favella’s en de shanty-towns de adem beklemt. Een derde is het terroristisch geweld. Migratie leidt niet tot misdaad en misdaad niet tot terrorisme. Maar alle drie vormen een reactie op ontworteling. Ook al is er geen directe verbinding tussen armoede en geweld, het stelselmatig negeren van aspiraties en gevoelens van onrecht schept daar wel de condities voor. Er ontstaat begrip voor geweld, wanneer men zich vernederd voelt, als mens en als groep, wanneer men ervaart als cultuur en samenleving niet serieus te worden genomen, maar te worden buitengesloten door het nieuwe, vanuit het westen georkestreerde wereldsysteem. Dat gevoel leidt bij sommigen tot stilzwijgende instemming met geweld, bij anderen tot steun, het verschaffen van een schuilplaats dan wel ontvankelijkheid voor de boodschap van gewelddadige actie. Waarom niet, denkt men dan, als ons door het Westen toch geen andere weg wordt gelaten?

Wie het gevoel heeft dat het systeem zich niet om hem of haar bekommert, kan actief toegang zoeken tot dat systeem, zich er een weg naar toe banen. Dat was de aspiratie van migranten en emancipatiebewegingen. Zij hadden vaak succes. Maar als je het gevoel hebt dat het systeem je niet alleen negeert, maar zich van je afkeert, je echt niet wil, dan raak je omgekeerd geneigd je van het systeem af te keren. Dan zoek je niet eens toegang meer, maar keer je het de rug toe, wijs je het af. Een stap verder en je komt er tegen in verzet. Nog een stap verder en je wilt het ondermijnen.

Armoede leidt niet recht toe recht aan tot geweld. Armoede die geen enkel uitzicht biedt, plus de ervaring als minderwaardig te worden beschouwd door anderen die het in de wereld wel gemaakt hebben, dat leidt tot verzet, afkeer, haat geweld en fanatisme. Verzet tegen globalisering die als pervers wordt ervaren, als een inperking van de eigen ruimte, als een bezetting. Afkeer van Westerse dominante waarden die dat globaliseringsproces in de richting hebben gedreven van een wereldwijd Apartheidsysteem. Haat tegen de leiders van dat proces en tegen de machthebbers binnen dat systeem. Geweld tegen haar symbolen. Dodelijk geweld tegen onschuldige burgers binnen dat systeem. Niets en niemand ontziend, ook niet zichzelf, fanatiek gelovend: ‘dit is de enige weg’.

Is het geheel onbegrijpelijk wanneer mensen die wanhopig zijn, zonder enig perspectief, ontvankelijk worden voor de gedachte dat zij tot desperado’s zijn gemaakt door een onbereikbaar systeem? Een stap verder en zij worden ontvankelijk voor de influistering door fanatici, dat zij niets te verliezen hebben in de strijd tegen een systeem dat hen blokkeert. Nog een stap verder en zij geloven dat zij iets te winnen hebben door zich zelf op te offeren in die strijd. Het is afschuwelijk, niet te rechtvaardigen, maar het doet zich voor en het kan alleen voorkomen worden door de beweegredenen weg te nemen.

Terrorisme en geweld, gevoed door een fanatieke haat en afkeer jegens centrale waarden binnen het wereldsysteem, uitgedragen door een fanatieke voorhoede en gevoed door breed gedragen gevoelens van uitsluiting en onrecht, het is een virus dat het immuunsysteem van stabiele en gezonde samenlevingen ondermijnt. Het kan alleen overwonnen worden door het immuunsysteem te versterken en de voedingsbodem van het virus weg te nemen. Dat is wat anders dan de strijd tegen het terrorisme te zien als een oorlog die gewonnen kan worden door de vijand – de terrorist – te verslaan. Terroristen kan een slag worden toegebracht, maar de oorlog kan nooit definitief worden gewonnen. Er zullen altijd anderen opstaan om de wapens op te nemen, nog fanatieker, nog gewelddadiger. Een nederlaag hun voorgangers toegebracht is voor hen geen reden om op te geven, doch juist om nog harder toe te slaan, wraakzuchtig, elders, onverwacht. Dat leidt tot een geweldsspiraal, tot steeds meer nadruk op bescherming en veiligheid, steeds meer muren en technologisch geavanceerde grenzen, die echter telkens opnieuw poreus blijken. Dat leidt tot een veiligheidsobsessie en tot het verdringen van juist die waarden - vrijheid, recht, openheid en pluralisme – die door fanatieke andersdenkenden worden aangevallen. Zo boeken zij toch succes met hun ondermijningstactiek.

Toch zijn de meeste mensen in de Derde Wereld, hoe arm en wanhopig ook, helemaal niet toe aan een keuze voor geweld. Zij zijn vertwijfeld, maar twijfelen wat hen te doen staat. Zij willen voor of tegen het Westen kiezen. Tenzij zij zich daartoe gedwongen achten, bijvoorbeeld door het Westen zelf. Dan krijgen gevoelens van wrok de overhand boven de twijfel. We zien dat niet alleen gebeuren in de Islamitische wereld, maar ook onder radicale inheemse groepen in Azie en Centraal Amerika, ook onder een nieuwe generatie van politiek bewuste jongeren in Zuidelijk Afrika. Een arrogant Westen, dat de aspiraties van deze groepen negeert kan rekenen op een reactie.
Het Westen is arrogant. Het gedraagt zich superieur en hooghartig wanneer het anderen een keuze opdringt. Een keuze tussen goed en kwaad, naar Westerse maatstaven: “wie niet voor ons kiest is tegen ons en is ‘evil’ ”. Het is een betwistbare manier van leiding geven. Wie meent dat met de aanslag op het WTC niet alleen de Verenigde Staten zijn aangevallen, maar de beschaving, doet er goed aan die beschaving niet alleen te verdedigen, maar haar ook te versterken, haar kwaliteit uit te dragen, haar aantrekkingskracht te vergroten. Is beschaving niet veeleer gediend bij nuance dan bij zwart-wit, meer met analyse, discussie en overtuiging dan met polarisatie en keuzedwang? Zijn beschaving en leiderschap niet meer gebaat bij zelfreflectie, twijfel en dialoog dan met zelfverheffing en verkettering?

Het leiderschap na 11 september zal er op gericht moeten zijn de fanatici in deze wereld te ontwapenen zonder de twijfelaars van zich te vervreemden. Vastberaden en omzichtig.
Dat is het niet altijd geweest. De tegenaanval op El Qaeda en de Taliban was ‘gericht en proportioneel’, maar de ‘collateral damage’ was omvangrijk. Daarover en over het aantal burgerslachtoffers in Afghanistan is onvoldoende openheid betracht. Er is bovendien selectief omgegaan met verkeerde regimes: regimes die mensenrechten onderdrukken, doch zoals in Centraal Azie een geopolitiek strategische positie innemen en de strijd tegen het terrorisme ondersteunen - en die misbruiken door hun binnenlandse dissidenten in een moeite door ook maar als terroristen te bestempelen - zijn met de fluwelen handschoen aangepakt, terwijl andere op een harde bejegening konden rekenen. India en Pakistan werden opgeroepen de strijd om Kashmir te staken. Terecht, maar niet omdat dit conflict, zoals werd beargumenteerd, de aandacht zou afleiden van de strijd tegen Bin Laden. Zo’n verabsolutering van een nieuw gevaar komt arrogant over in een regio die een veelvoud aan slachtoffers van terroristische wandaden heeft gekend.

Arrogantie, gebrek aan nuancering en relativering, onvoldoende historisch besef en inzicht in achtergronden van conflicten zijn gedurende het afgelopen jaar kenmerkend geweest voor het Amerikaanse leiderschap. De arrogantie van de retoriek, door Flora Lewis, de dit jaar overleden eminence grise onder de politieke commentatoren in Amerika, ‘kinderlijk’ genoemd, ‘the language of make-belief’, de taal van de sport of van een campagne voor een nieuwe film. “Let us step back and think! Wait a moment.”, luidde de oproep in een van haar laatste artikelen kort voor zij stierf. 9).

Waartoe die bezinning noopt is aangegeven door de Secretaris Generaal van de Verenigde Naties. Haat, fanatisme en geweld en de kwalen van deze tijd (twist, achterlijkheid, aantasting van het milieu, armoede, ziekte en AIDS), zo schreef Kofi Annan, bedreigen iedereen. Binnen de huidige geglobaliseerde maatschappij kunnen daartegen geen barrieres meer worden opgeworpen. Een antwoord kan alleen bestaan in het scheppen van een sterkere, mildere, rechtvaardiger en oprechter internationale gemeenschap, zonder religieuze en raciale grenzen. Dat vereist, zo voegde hij daaraan toe, een visie op een duurzame, democratische, vreedzame wereldsamenleving, waarin de mensheid als ondeelbaar wordt gezien. En die visie zal moeten uitgaan van de waardigheid en de onschendbaarheid van alle menselijk leven, ongeacht afkomst, ras of religie. 10) 11)..

Die visie tot werkelijkheid brengen vereist leiderschap, in woorden en daden. De gelegenheid daartoe was aanwezig op de zojuist gehouden Wereldtopconferentie over Duurzame Ontwikkeling. De top bood bij uitstek de kans om, vlak voor de herdenking van de 11e September, te tonen dat er oprecht gewerkt wordt aan een wereldsamenleving waarin een veilige plaats is verzekerd voor iedereen, zonder enig onderscheid. Een veilige plek, een veilig thuis, veilig werk, toegang tot hulpbronnen en basisvoorzieningen nodig om voor iedereen een veilig en zinvol bestaan te verzekeren. Dat dit niet op stel en sprong kan, begrijpt iedereen, maar een reeel perspectief daarop, in een redelijke spanne tijds te verwezenlijken, daartoe hadden wereldleiders zich moeten committeren.

Die kans is gemist. President Bush, de wereldleider in de strijd tegen het terrorisme was niet gekomen. Het wereldnieuws die week werd gedomineerd door deliberaties in Washington over een eventuele preventieve aanval op Irak. De wereld is in de ban van een mogelijke nieuwe Golfoorlog, zonder dat veel inzicht is geboden in de werkelijke aard van de dreiging vanuit Irak, zonder veel informatie omtrent een band tussen dat regime en het El Qaeda netwerk, zonder de garantie dat Amerika als wereldleider besluitvorming vanuit de multilaterale orde der Verenigde Naties tot uitgangspunt zal willen nemen. Vanuit Washington dreigt het politieke veiligheidssysteem van de Verenigde Naties te worden uitgehold; in Johannesburg kreeg het sociale veiligheidssysteem geen kans. De twee denkwerelden, die van de veiligheid en die van de duurzaamheid, naderden elkaar niet. Ook zij staan nog steeds apart.

De Amerikaanse Alleingang is reden tot zorg. De Verenigde Staten lijken onder president Bush te opteren voor een multilateralisme a la carte. Een oplossing van het Israelisch-Palestijnse conflict zou een geweldige positieve uitstraling hebben naar de wereld als geheel, maar van de zijde van Amerika wordt hierover reeds maanden niets vernomen. De Verenigde Staten uiten terecht grote zorg omtrent de beschikbaarheid van massavernietigingswapens in Irak, maar lijken de reacties in de Arabische en de Islamitische wereld op een mogelijk eenzijdig Amerikaans optreden behoorlijk te onderschatten. Toch ligt het voor de hand dat dergelijke reacties de voedingsbodem van het virus van het terrorisme aanzienlijk zouden versterken.

Hoe kan deze houding van de Verenigde Staten worden verklaard? Door een onvoldoende inlevingsvermogen in de drijfveren van anderen? Geopolitiek? Het militair-industieel complex, waar Eisenhower reeds tegen waarschuwde? Is het een onbeheersbaar proces geworden, ‘blundering into disaster’ zoals McNamara, zijn eigen fouten niet verbloemend, de Amerikaanse politiek rond Vietnam omschreef? Of toch de arrogantie van de macht, zoals eerder door Fulbright aan de kaak gesteld? Vijf mogelijke verklaringen, overigens geenszins uniek voor de Amerikaanse buitenlandse politiek. Elk ervan heeft bij tijd en wijle ook de Europese buitenlandse politiek parten gespeeld.

Hoe staat het met het Europese leiderschap? Europese leiders beseffen drommels goed dat een zwak Amerika de Europese kwetsbaarheid vergroot. Maar dat besef had wel eens eerder omgezet mogen worden in daadwerkelijke initiatieven. Een minder halfslachtige houding ten opzichte van de landen die gaan toetreden tot de Europese Unie, een versnelling van de Europese politieke eenwording, een vredesinitiatief in het Midden Oosten, een actief beleid om ook elders crises te beheersen (Soedan, Congo), veel meer steun aan vluchtelingen in de regio, tijdige voedselhulp bij dreigende hongersnood zoals thans in Zuidelijk Afrika, een aanzienlijke verhoging van de ontwikkelingshulp en een dienovereenkomstige verlaging van de handelsbelemmeringen ten opzichte van de Derde Wereld, het zou de Europese leiders niet hebben misstaan in een gezamenlijk offensief voor duurzaamheid en veiligheid. In Johannesburg werden ook door Europa mooie woorden gesproken maar geen verplichtingen aangegaan.
De risico's zijn groot. Er wordt te veel oorlogstaal gebezigd. Oorlogsretoriek leidt tot vervreemding, uiteindelijk zelfs van het gedachtegoed (vrijheid, recht, non-discriminatie) dat men wil beschermen. Er is te veel vijanddenken. De vreemdeling wordt tot verdachte gemaakt. Wie dat predikt verabsoluteert verschillen, heeft geen oog voor overlappingen tussen culturen, kan niet relativeren, schoffeert welwillende twijfelaars, gooit alles en iedereen op een hoop, ziet niet dat er juist binnen culturen dynamiek bestaat en dat het beter is die niet te bevriezen door de tegenstellingen op de spits te drijven.

Oorlogsretoriek en vijandsdenken zijn desastreus. Zij werken processen in de hand die niet meer beheerst kunnen worden. In plaats daarvan is het zaak bruggen te slaan en te investeren in de preventie van escalatie van conflicten. Conflicten zelf kunnen niet worden voorkomen; ze bestaan. Maar ze kunnen worden gemitigeerd, hun intensiteit en hun uitstraling kan worden beperkt en daarmee ook de werking van het virus van het terrorisme. Dat vereist diplomatie, vredesinitiatieven, armoedebestrijding en de bevordering van mensenrechten.

Kofi Annan had het over de onschendbaarheid en waardigheid van alle menselijk leven. Dat vraagt om een recht op individualiteit en een plicht tot solidariteit. Solidariteit wordt niet meer gezien, zoals in het ideologisch debat voor 1989, als een beperking van de individualiteit ten dienste van de gemeenschap, maar als een voorwaarde om de individualiteit van ieder mens tot zijn recht te laten komen, zonder onderscheid. Overal ter wereld cirkelt de politieke discussie rond dezelfde vragen. Gaat het vooral om ontplooiing en solidariteit in sociaal-economische zin of ook in cultureel opzicht? Gaat het alleen om het verzekeren van een basisniveau voor ieder individu, met daarboven een mogelijk grote economische ongelijkheid en een grote culturele diversiteit, of zijn daar grenzen aan te stellen? Strekt de solidariteit zich alleen uit tot de erkende medeburgers in eigen land, of ook tot diegenen die we binnen onze eigen samenleving als vreemdeling beschouwen (met diverse gradaties van legaliteit), of zelfs ook tot over de grens? In welke mate? Hoe wordt over dit alles beslist: democratisch of autoritair? Tenslotte: zijn er min of meer algemeen geldende antwoorden op dit soort vragen te geven, of worden die mee bepaald door de historische ontwikkeling van een land, haar cultuur dan wel het bereikte niveau van economische ontwikkeling?

Dit waren kernvragen in Nederland tijdens de herwaardering in de jaren tachtig van het sociaal-democratisch gedachtegoed (“Schuivende Panelen”). Het waren ook Paarse vragen en het blijken tevens de belangrijkste post-Paarse vragen te zijn. Het zijn wezenlijke vragen in het debat over de toekomst van Europa. Het waren ook de vragen achter de Top in Johannesburg. In Nederland verschilden de antwoorden van Den Uyl, Bolkestein en Fortuyn , maar over de kern waren zij het eens: mensen hebben het recht op individuele ontplooiing, de realisering van dat recht vereist een bepaalde mate van solidariteit, een tekort daaraan leidt tot spanningen die een samenleving kunnen breken. In Europa is dat ook de visie van Schroder, Chirac en Blair. In Amerika ligt het verankerd in de constitutie; binnen de Verenigde Naties in het Verdrag over de Rechten van de Mens.

De naleving verschilt. In sommige landen lopen de antwoorden flink uit de pas met de gegroeide intenationale communis opinio. In andere worden officieel zelfs de vragen genegeerd. Maar de discussie is niet te stoppen, ook al niet omdat zij tegenwoordig gemakkelijk nationale grenzen overschrijdt. Dat is een van de verworvenheden van de globalisering. Ook in Arabische en Islamitische landen is een debat op gang gekomen dat niet wezenlijk verschilt van hetgeen in het Westen aan de orde is: de opkomst van het moderne individu, autonoom, zelfbewust, verantwoordelijk.

Die opkomst vormt het enig afdoende antwoord op slecht leiderschap. Kan dat worden gegeven zonder steun van buitenaf? Van Middelaar vond van niet. “Mensenrechten”, zo schreef hij, “kunnen niet zonder Napoleon worden verspreid”. In die opvatting is een regime verandering niet de uitkomst van het proces maar het begin, niet in de vorm van een binnenlandse revolutie, maar een kruistocht.

Napoleontisch leiderschap na 11 September. Is dat wat de wereld nodig heeft? Napoleon keerde onverrichterzake uit een leeg Moskou terug en verloor uiteindelijk de strijd bij Waterloo. De boodschap van de Franse revolutie was aan zijn geopolitieke ambitie ondergeschikt geraakt. Het ging hem minder om vrijheid, gelijkheid en broederschap dan om glorie. Daar hadden de Russen en Engelsen geen boodschap aan.

Een kruistocht is een gevaarlijke route. Zodra geweld tegen Het Kwaad door de twijfelaars niet gepercipieerd wordt als de ondersteuning van universele waarden als vrijheid en recht, maar als een middel ter bevordering van Westerse belangen, raakt iedere ontvankelijkheid zoek. Dan vindt een hedendaagse Napoleon een lege Derde Wereld, een verenigde en vijandige Arabische wereld, waar de voedingsbodem van het terroristische virus niet is verzwakt, maar versterkt. Een Waterloo is ver weg, maar wanneer het terrorisme de vorm aanneemt van een nucleaire, chemische of biologische aanval is een catastrophe dichtbij

Maar om dat te voorkomen moet er toch juist een regimeverandering in Irak worden bewerkstelligd, preventief en, aldus Balkenende, keihard? Misschien is dat ooit onvermijdelijk, maar dan niet door een natie die zich zelf tot de politieman van de wereld uitroept. Het kan alleen door en namens de zich bedreigd voelende wereldsamenleving als geheel, dus mits gelegitimeerd door besluitvorming in het kader van de Verenigde Naties en pas nadat alle andere wegen geblokkeerd blijken. Zo niet, dan achten fanatici en twijfelaars zich gelegitimeerd tot nieuw geweld.

Het gaat na 11 September om een keuze tussen twee paradigma's. Dat van de veiligheid, exclusief: 'onze' veiligheid, die wij bedreigd achten derden - vreemden, de potentiele vijand - en die wij trachten te beschermen door hen zoveel mogelijk buiten te sluiten. Daartegenover een incusief paradigma, dat van de duurzaamheid: een veilige en menswaardige plaats voor iedereen, met zoveel wederzijds vertrouwen dat het recht zal worden gehandhaafd, zonder onderscheid, dat daarmee tegelijkertijd ook de wederzijdse veiligheid is gegarandeerd. Dat
vereist een wereldwijd program om mensen en bevolkingsgroepen die zich slachtoffer voelen van onrechtvaardige structuren, die de indruk hebben dat men zich in de machtscentra een hen niets gelegen laat liggen en die twijfelen over wat hen te doen staat, niet van zich vervreemdt maar een perspectief biedt. Het perspectief er volledig bij te horen, in de Palestijnse gebieden, in Afrika, in de verpauperde buurten van de grote steden en overal elders waar men zich apart gesteld voelt.

Veiligheid versus duurzaamheid. Zien we in de ander een mogelijke vijand of een nabuur? Hoe gaan leiders ons daarin voor? Na 11 September is er behoefte aan leiderschap dat de passie van Gladstone voor de moraliteit combineert met de bereidheid van Kennedy om risico's te nemen, de wijsheid in de omgang met de macht, zoals betracht door Willy Brandt, en het vermogen van Mandela om bruggen te slaan naar oude en nieuwe tegenstanders. Het volstaat niet om daar alleen wereldleiders op aan te spreken. Iedereen kan zich leider tonen in de eigen omgeving: inclusief denken, waken tegen een verkeerde retoriek, duurzaamheid nastreven, initiatieven nemen, bruggen slaan. Kortom, het devies ter harte nemen van Lois Ramondo ”Wees wijs. Wees moedig. Wees bevreesd”.




Jan Pronk Burgemeesterslezing
Den Haag, 11 September 2002
1). Lois Ramondo, “Long Road Home”, in: National Geographic
Vol.201, No 6, Juni 2002.
2). Henk te Velde, “Stijlen van Leiderschap”, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2002., blz 11.
3). Zie verslag Jan Donkers in NRC Handelsblad, 29 Oktober 2001.
4). Luuk van Middelaar, “Et voila: de moderniteit”, in: Trouw, 1 dDecember 2001.
5). MohammedBenzakour, Wij zijn niet allen New Yorkers”,in: De Groene
msterdammer, 29 September 2001.
6). Jan Tinbergen, “Een Leefbare Aarde”, Agon Elsevier, Amsterdam?Brussel, 1970.
7). Toespraak President M’beki bij de opening van de World Summit on Sustainable
Development, Johannesburg, 26 Augustus 2002.
8). Thomas L. Friedman, “Give Another ‘Greatest Generation’ Its Chance”, in The New
York Times, I Oktober 2001.
9). Flora Lewis, “Extravagant Languague in Lieu of Sober War Aims”, in International
Herald Tribune, 8 Februari 2002.
10).Kofi Annan, “Eensgezind tegen het terrorisme”, in NRC Handelsblad, 25 September
2001
11).Toespraak Kofi Annan bij de aanvaarding van de Nobelprijs voor de Vrede, Oslo, 10
December 2001.