Paarse Passie

Presentatie Jaarboek Parlementaire Geschiedenis, Den Haag, 25 November 2003

Had Paars een passie? We hadden er zin in. Dat was niet hetzelfde, maar het kwam er wel dicht bij. In het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2003, dat vandaag ten doop wordt gehouden, maakt Remieg Aerts, in zijn beschouwing over emotie in de politiek, een onderscheid tussen drie manieren om naar politiek te kijken: politiek als ideologisch program, de reikwijdte van de politiek (alleen het parlement of ook politieke processen in de maatschappij zelf?) en, ten derde, de politieke praktijk van alle dag, de werkwijze op de politieke werkvloer. De passie van paars betrof vooral de laatste twee: de verhouding tussen burgers, politieke partijen, het parlement, de regering. Die verhoudingen, zo vonden we, waren in de jaren tachtig vastgeroest. Burgers herkenden zich steeds minder in hun volksvertegenwoordiging, de no-nonsense politiek had een vervreemdend effect, in de achterkamertjes was het dualisme ten grave gedragen en het CDA had te lang geregeerd. De verkiezingsuitslag van 1994 was de opmaat voor een pluche revolutie: VVD en PvdA hadden tientallen jaren als ideologische erfvijanden tegen over elkaar gestaan maar wilden het nu, voor het eerst, met elkaar wagen. Zo kon het CDA, de grootste verliezer bij die verkiezingen, van de macht worden weggehouden, ook voor het eerst sinds Haagse mensenheugenis. Dat was het gemeenschappelijk belang van liberalen en socialisten en D'66 maakte het mogelijk. Het was ook voor de toekomstige politieke verhoudingen in Nederland van belang. Voortaan zouden er altijd drie opties zijn: CDA/VVD, CDA/PvdA en VVD/PVDA.

Ik was het er van harte mee eens. Eindelijk een keer regeren zonder het CDA, het was een lang gekoesterde wens. Voor mijn partij had samenwerken met het CDA altijd voor de hand gelegen. Op sociaal-economisch terrein stemden onze opvattingen beter overeen met Christen-democraten dan met liberalen. Maar dat had een keerzijde. Door ons gewenste veranderingen in de culturele sfeer waren tegengehouden. Op dat terrein zijn socialisten liberaal.

Een coalitie tussen socialisten en liberalen bood bovendien een kans op een mentaliteitsverandering in de politiek zelf. In de jaren zeventig hadden we geprobeerd politiek te bedrijven, zowel programmatisch als qua sfeer en werkwijze, geinspireerd door het motto “De verbeelding aan de macht”. Dat was minder goed gelukt dan we hadden beoogd. De verbeelding was gekortwiekt en de marges bleven smal. Maar de passie was gebleven en dat hielp vervreemding te voorkomen.

Dat was anders in de jaren tachtig. Ik had die periode als regentesk en technocratisch ervaren. De no-nonsense politiek had veel mensen van de politiek vervreemd. Misschien had men het destijds goed bedoeld: “no-nonsense, gewoon doen”, maar het had anders uitgepakt: “no-nonsense, uw alternatief heeft geen zin”.

Die sfeer hadden we tijdens het kabinet Lubbers-Kok niet echt weten te veranderen. Ook daarom kozen we voor Paars. Paars betekende: minder autoritair, minder vanzelfsprekend, open, democratisch. Die politieke keuze had meer om het lijf dan de bevestiging dat Paars de meest voor de hand liggende uitslag was van de numerieke verkiezingsuitslag. Dat was zo, maar wie geen vertrouwen heeft in de mogelijkheid daar iets van te maken kan er beter niet aan beginnen. Dat vertrouwen hadden we wel en daarom begonnen we er aan, bewust, met gepaste passie.

Verzin ik dat achteraf? Nee, het voorgaande schreef ik in min of meer gelijkluidende bewoordingen in een interne PvdA notitie in 1995. Edoch, tien jaar later heeft Paars een geheel tegenovergestelde klank gekregen: “oude politiek”, iets van de vorige eeuw. Het kan verkeren. De marges waren niets breder geworden en we waren kennelijk in dezelfde fout vervallen die we vorige coalities hadden verweten. Daar kregen we de rekening voor gepresenteerd en die was niet mis.

Hadden we de risico's onderschat? Dat geloof ik niet. In hetzelfde stuk dat ik zojuist noemde, in 1995 dus, kort na het begin van Paars, had ik vier risico's beschreven. Het gevaar net zo regentesk te worden als weleer. Het risico dat we de nieuwe programmatische coalitie niet zouden waarmaken en zouden verzuimen doorbraken in de niet-materiele sfeer tot stand te brengen. Het gevaar dat we, door met onze ideologische tegenvoeter te gaan regeren, te veel zouden inleveren van ons eigen programma, vooral op sociaal gebied. En, tenslotte, het risico dat de politiek zelf zou worden gedepolitiseerd. Ik noemde die vier risico's samen “De schaduw van Paars”.

Die risico's zijn inderdaad manifest geworden. We werden misschien geen regenten, maar wel managers. Regenten verheffen zich boven het wel en wee in de maatschappij, managers staan er buiten. De houding verschilt, maar de effecten komen op hetzelfde neer. Het tweede risico wisten we aanvankelijk te vermijden. In het beleid rond de persoonlijke levenssfeer van burgers brachten we enkele doorbraken tot stand die lang onmogelijk waren geweest. Maar we hadden onvoldoende antwoord op een geheel nieuwe uitdaging: de sociaal-culturele verschillen die voortvloeiden uit de immigratie. De oude culturele agenda was afgehandeld, over de nieuwe aarzelden we. Dat had een weerslag op risico nummer drie: een minder herkenbaar sociaal gezicht. Dat bleek vooral in de steden, waar cultuurverschillen waren verscherpt door een concentratie van sociale achterstanden.

Hadden we het kunnen voorkomen? De nieuwe begrotingsnormen waren zowel een keurslijf als een opluchting. Een keurslijf, omdat er minder ruimte kwam voor publieke financiering van de aanpak van sociale problemen. Maar, eerlijk gezegd, dat keurslijf was niet erg nauw. De ongekende economische groei maakte dat we toch behoorlijk wat ruimte kregen. En er was een tweede opluchting. Zalm, ere wie ere toekomt, introduceerde procedures die het mogelijk maakten dat we ons niet voortdurend met de financieringsproblematiek hoefden bezig te houden. Een a twee maal per jaar scherp beslissen was voldoende. Daartussendoor was er alle ruimte voor beleid. Natuurlijk ging het politiek niet allemaal van een leien dakje, maar we moeten eerlijk zijn: paarse politici konden zich er niet op beroepen dat er te weinig geld was voor beleid. Vervolgens bleek dat meer geld zonder beleidshervormingen geen zoden aan de dijk zet. Dat weten politici natuurlijk wel, maar het is toch wennen.

Dat gaat zich wreken wanneer een coalitie bestaat uit partijen met in wezen tegen elkaar staande ideologieen. Niet dat dit onder Paars leidde tot diepgaande politieke gevechten over de inhoud van gewenste beleidshervormingen. Was dat maar waar. De politieke tegenstellingen kwamen eigenlijk niet tot hun recht. Daarmee werd het vierde risico dominant: de depolitisering van de politiek. Wanneer partijen, die voorheen elkanders tegenvoeter waren, met elkaar gaan samenwerken, lijkt het alsof er geen fundamentele politieke verschillen meer bestaan. Die gedachte wordt in de hand gewerkt wanneer alle partijen lonken naar het politieke midden. De suggestie van de onderlinge inwisselbaarheid van politieke credo's wordt bevestigd wanneer partijen verklaren hun zogenaamde ideologische veren af te schudden. Dan is het in de ogen van de mensen een pot nat.

Zo is het gegaan. Wat gepassioneerd begon, in ieder geval qua toon, stijl, sfeer en een oprecht streven om andere politiek te bedrijven, verkeerde in haar tegendeel. Als politieke strijd over wezenlijke zaken uitblijft, of plaatsmaakt voor kortstondige oprispingen en beeldvorming, dan rest slechts de grootste gemene deler. Dat is politieke stagnatie, de dood in de pot. Dan krijgt de politiek haar trekken thuis, zoals gebeurde tegen het eind van Paars. Dat is niet ongezond, want het kan zuiverend werken. Je mag hopen dat zo'n proces van vernieuwing thans in gang wordt gezet. Maar het blijft riskant en dat risico betreft niet slechts afzonderlijke partijen of coalities, maar de politiek als geheel. Wanneer buiten het Binnenhof geen mens meer in de politiek gelooft verloedert het politieke systeem. Als het eenmaal zover is valt de schaduw tot ver buiten dat Binnenhof.

Wat is de remedie? Meer passie in de politiek, een her-ideologisering? Misschien heeft U mij uitgenodigd om te spreken over het thema “emotie in de politiek” omdat U juist van mij een dergelijk pleidooi verwacht. Ik doe dat niet. Het zou te gemakkelijk zijn, een slag in de lucht, gegeven door iemand die ruimte heeft willen maken voor nieuwe politieke generaties. Die nieuwe generatie moet zelf beslissen hoe zij politiek gaat bedrijven: zakelijk of missionair, met alle tussenliggende schakeringen die zich in de loop van de Nederlandse politieke geschiedenis hebben voorgedaan. In het Jaarboek worden ze met verve beschreven.

Mijn pleidooi richt zich op iets anders: geef politici alle ruimte, de rationalisten zowel als de gepassioneerden. Alle ruimte voor strijd, debat, en compromis. Alle ruimte om rekenschap en verantwoording af te leggen aan kiezers en burgers. Ontdoe de politiek van een keurslijf dat het democratisch mandaat beperkt, de creativiteit doodt en burgers vervreemdt van degenen die zij gekozen hebben om keuzes te maken. Zo'n keurslijf is er. Het is het keurslijf van het midden, de politieke correctheid, de volgzaamheid en de belangenbehartiging. Het wordt gevormd door belangengroepen, uitvoeringsorganisaties, adviesinstellingen, zelfstandige bestuursorganen, overlegstructuren met het maatschappelijk middenveld en overlegorganen met andere bestuurslagen. Het is geen netwerk, maar een wirwar. Het is de polder zoals ze nooit was bedoeld, niet vlak en open, maar volgebouwd, onoverzichtelijk. Niet de Wijde Wormer, maar de Alexanderpolder. Die straalt dynamiek uit, maar het is de dynamiek van de Bermuda driehoek: wat er in gezogen wordt, komt er niet meer uit. Keuzes worden uitgesteld, dan wel zo geformuleerd dat het geen echte keuzes zijn, maar vervolgstappen in een procedure. En als er toch een beslissing wordt genomen, wordt de uitvoering op de lange baan geschoven. Zo is het ook gegaan onder Paars: de WAO, Schiphol, de files, de stelsels in de zorg, de wachttijden in de gezondheidszorg, de bestrijdingsmiddelen in de landbouw, de mest, de bolletjesslikkers, het vreemdelingenbeleid, de integratie van minderheden, de Wadden, de contouren in de ruimtelijke ordening, de Betuwelijn, allemaal onderwerpen die voortsleepten en de politieke besluitvorming in een houdgreep hielden. Het politieke systeem - regering en parlement - stond steeds minder boven de problematiek. Integendeel, de problematiek hing als een donkere wolk boven het politieke systeem. En dat terwijl het geen exogene problemen waren, zoals een terroristische dreiging of een verandering in het klimaat, maar problemen van binnenuit. Het waren geen kleine problemen, maar wel problemen die aangepakt kunnen worden door er als gekozen politici strijd over te voeren - al dan niet gepassioneerd -, keuzes te maken, politieke compromissen te sluiten, de genomen beslissingen uit te voeren, over dat alles verantwoording af te leggen en de politieke gevolgen te dragen.

Ontdoe de politiek van haar keurslijf. Ik doe zeven voorstellen:

Schaf de doorrekening van de verkiezingsprogramma's door het Centraal Planbureau af. Die doorrekening maakt parlementariers tot technocraten, die de maatschappelijke realiteit kneden tot deze past in een abstract model.

Schaf het regeerakkoord af. Onderhandel over de samenstelling van de coalitie en over de ministersploeg. Laat die vervolgens een regeringsverklaring opstellen als uitgangspunt voor het eerste debat in de Kamer. Wanneer het kabinet op basis daarvan het vertrouwen van het parlement verkrijgt, functioneert die tekst voor het kabinet als intern bindend akkoord, maar voor de coalitie als politieke richtingwijzer, niet als “wet”.

Schaf het polderoverleg af. Het veroordeelt het parlement tot adhesie, in plaats van tot dispuut.

Schaf de beleidsnota's af. Zij leiden niet tot meer inzicht in de problemen, maar tot uitstel van oplossingen. Zij versterken de bureaucratie in plaats van de politiek, verlengen en verharden competentiegeschillen en maken de problemen groter dan zij zijn.

Schaf de convenanten af. Ze leggen vast wat flexibel en bespreekbaar moet blijven, hollen de politieke verantwoordelijkheid uit en verplaatsen het gewicht naar organen die niet verplicht zijn rekenschap af te leggen.

Schaf de adviesraden af. Ze maken politici tot uitvoerders van deelbelangen en fraai opgetuigde lobby's.

Schaf het lobbyen af, althans het lobbyen in achterkamertjes. Verbied lobbyen bij ambtenaren en maak het contact tussen politici en belangengroepen net zo openbaar als dat binnen de Kamer zelf: openbare besprekingen, geen vertrouwelijke stukken.

Zeven voorstellen. Ik heb ze niet pas verzonnen nadat ik de Kamer had verlaten. Elk van deze suggesties heb ik ooit eerder geopperd, binnen Kabinet en fractie, maar ik kreeg weinig handen op elkaar. Ik verwacht minder heil van discussies over staatsrechtelijke hervorming of hervorming van parlementaire procedures dan van het politieke debat zelf. Maar dat inhoudelijke politieke debat moet onbelemmerd gevoerd kunnen worden. Gepassioneerd door de een, gedisciplineerd door de ander, elk met de eigen inzet, toon en stijl.



Jan Pronk
Presentatie Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2003
Den Haag, 25 November 2003