Partij kiezen

Toespraak symposium ‘Participatief onderzoek samen met gemarginaliseerde populaties’, ter gelegenheid emeritaat Prof Ivan Wolffers, Vrije Universiteit, Amsterdam, 31 januari 2014

“Research is not taking place in a vacuum”. Dat is de openingszin van het boek dat Ivan Wolffers schreef bij zijn inauguratie als hoogleraar Gezondheidszorg en Cultuur aan deze universiteit. Vandaag neemt Ivan Wolffers afscheid en dat gebeurt met een symposium over ‘Participatief onderzoek samen met gemarginaliseerde populaties’. De titel geeft aan dat van een vacuüm geen sprake is. Integendeel: onderzoek beïnvloedt de samenleving en wordt ook zelf weer beïnvloed door krachten werkzaam binnen die samenleving. Daarom moet precies worden omschreven waarop het onderzoek betrekking heeft, door wie de onderzoeksvraag wordt bepaald, met wie en voor wie het wordt uitgevoerd.

Onderzoek vindt nooit plaats door alleen de onderzoekers zelf. Er zijn altijd anderen bij betrokken. Wie dat zijn, en hoe zij zijn betrokken, bepaalt of het onderzoek relevant is.

Samenwerken met andere onderzoekers is nuttig. Bestudering van ontwikkelingsprocessen vraagt om een multidisciplinaire - of liever: interdisciplinaire – benadering. Maar dat is niet voldoende. Mensen die een rol spelen in ontwikkelingsprocessen zullen bij het onderzoek betrokken moeten worden. Niet zo maar iedereen. Participatief onderzoek is iets anders dan onderzoek samen met het bedrijfsleven, hoe nuttig dat ook moge zijn om financiering te garanderen, en profijt. Onderzoek wordt niet participatief door beleidsmakers er bij te betrekken, ook al kan daardoor het maatschappelijk rendement worden verhoogd. Het wordt evenmin participatief door het uit te voeren samen met representanten van een bevoorrechte klasse, die belangen hebben bij dat onderzoek, en macht om de inhoud, richting en methodiek van het onderzoek te sturen. Nee, het gaat om onderzoek samen met mensen die niet bevoorrecht zijn, die het niet goed hebben, die gemarginaliseerd zijn, tot de onderklasse behoren en tot minderheden binnen een samenleving. Pas dan mag het participatief heten.

Dat onderzoek vindt plaatsvindt in een vacuüm betekent: onderzoek is niet neutraal. Dat geldt voor gezondheidsonderzoek, landbouwonderzoek, sociaaleconomisch onderzoek, milieuonderzoek en elk ander onderzoek naar ontwikkelingsprocessen binnen een samenleving, in Nederland, in het Westen, in ontwikkelingslanden en ook wereldwijd. Ook mondiaal gezondheidsonderzoek en onderzoek naar economische crises stuit op machtsverhoudingen en is niet neutraal.

 

Ontwikkeling en samenwerking

Ik ben gevraagd op dit symposium iets te zeggen over het thema participatie en ontwikkelingssamenwerking. Ik kan daar kort over zijn: ook samenwerking vindt niet plaats in een vacuüm. Er is geen vacuüm; ook bij samenwerking is neutraliteit onmogelijk. Datzelfde geldt voor het begrip ontwikkeling zelf. Ontwikkeling is niet neutraal. Ontwikkeling is een proces van, voor en door mensen. Ook dat proces speelt zich niet af in een vacuüm. Iedere samenleving wordt gekenmerkt door ongelijkheid. Dus moeten we bij de vraag of een ontwikkelingsproces leidt tot meer welzijn, tot verbetering en vooruitgang, in eerste instantie kijken naar de positie van de zwakste, armste en meest kwetsbare bevolkingsgroepen, de gemarginaliseerde populaties dus. Als bevoorrechte klassen erop vooruit gaan, terwijl de onderklasse op achterstand wordt gezet, is er geen ontwikkeling. Dan is de ontwikkeling pervers.

Beleid, inclusief ontwikkelingsbeleid, ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking, dat vooral ten goede komt aan gemarginaliseerde groepen, vereist onderzoek waarin die groepen zelf centraal staan. Dat is, schrijft Wolffers, niet het geval bij ontwikkeling gerelateerd onderzoek. Development related research is afstandelijk, vermeend neutraal. Participatief ontwikkelingsonderzoek staat niet op afstand van het ontwikkelingsproces, maar er midden in, teneinde ontwikkeling te bevorderen: Research for development, betrokken, partij kiezend. Dat onderzoek is vraag gestuurd, of liever: behoefte gestuurd, vooral de behoeften van gemarginaliseerde groepen.

De titel van dit symposium verplicht. Participatief betekent: samen met anderen. Die anderen, dat zijn de gemarginaliseerden. Er moet gekozen worden. Kiezen betekent: partij kiezen. Niet neutraal zijn betekent: politiek niet neutraal. De kernvraag is altijd, bij onderzoek zowel als bij ontwikkeling en samenwerking: wordt de ongelijkheid tussen de geprivilegieerden en de gemarginaliseerden groter of kleiner?

Onderzoekers, actoren, beleidsmakers en stakeholders kunnen wel beweren neutraal te zijn, proberen objectief te zijn, oprecht, maar zij zullen daar nooit in slagen. Sommige mensen en groepen in de samenleving zullen meer profiteren van onderzoek, ontwikkeling, vooruitgang en samenwerking dan anderen. Beleidsmakers zowel als onderzoekers doen er goed aan zich daarvan bij voorbaat bewust te zijn. Men kiest altijd partij, impliciet dan wel expliciet. Doe het dan maar expliciet, van het begin af aan, ten gunste van mensen die het risico lopen door de samenwerking, door marktverhoudingen, door machtsrelaties, door veranderingen die het resultaat zijn van ontwikkelingsprocessen, door beleid en ook door onderzoek verder gemarginaliseerd te worden.

 

Pretenties

Dat is iets anders dan wat in Nederland is bepleit door Wetenschappelijke Raad van Advies voor het Regeringsbeleid (WRR). Die publiceerde enkele jaren geleden een rapport over ontwikkelingssamenwerking, getiteld: Minder pretentie, meer ambitie. De ondertitel is onverbloemd: Ontwikkelingshulp die verschil maakt. Dat is pretentieus. Verschil voor wie? Voor ontwikkelingslanden, voor Nederland, voor beide? En voor wie binnen deze landen: voor het bedrijfsleven, voor mensen die het al redelijk goed gaat, of voor gemarginaliseerden?

We kunnen het antwoord op die vraag afleiden uit de wijze waarop de WRR het begrip ontwikkeling definieert. Ontwikkeling is, aldus het rapport, “een bewuste versnelling van modernisering”. En modernisering is, zo vervolgt de WRR, “wat in het Westen is gerealiseerd vanaf de negentiende eeuw”.

De enig logische aanbeveling die uit deze definitie valt af te leiden is: ‘doe als wij; moderniseer en verwesters’. Echter, nog afgezien van het feit dat wat in het Westen is gerealiseerd gepaard ging met koloniale onderdrukking en uitbuiting van ontwikkelingslanden, en daargelaten of wij in het moderne Westen wel zo blij moeten zijn met alle producten van de Westerse beschaving en met de vanuit het Westen sedert de negentiende eeuw geëntameerde globalisering (Wereldoorlogen, klimaatverslechtering, massavernietigingswapens, drones), rijst de vraag wie in ontwikkelingslanden van die modernisering en verwestersing profiteert?

Zijn het de boeren in Afrika, slachtoffer van de westerse honger naar grondstoffen om de westerse consumptiebehoefte te bevredigen en die van de eigen, westers georiënteerde, middenklasse? Is het de inheemse bevolking van Latijns Amerika, wier habitat wordt vernield om ruimte te scheppen voor de aanplant van biobrandstoffen, om de westerse levensstijl op peil te houden? Zijn het de kleine boeren, waar dan ook, die op de markt moeten concurreren met gesubsidieerde landbouwproducten uit het Westen? Zijn het de landarme en landloze dorpsbewoners, horig aan grootgrondbezitters, van hun land verdreven, omdat de oogst mislukt en zij hun schulden niet kunnen betalen? Zijn het de sloppenbewoners in grote steden, werkloos, dakloos, zonder opleiding en zonder middelen om zich toegang te verschaffen tot voorzieningen als drinkwater en basisgezondheidszorg? De ontheemden en vluchtelingen die van hun bestaan zijn beroofd door het geweld in eigen land en aan wie het Westen toegang ontzegt en hulp onthoudt?

Het WRR rapport pretendeert op wetenschappelijk onderzoek te zijn gebaseerd. Het is alom geprezen. Het vormt de basis voor de huidige aanpak van ontwikkeling en samenwerking. De modernisering bestaat vooral uit een gezamenlijk verdienmodel: intensivering van handelsrelaties met landen die voor onze export aantrekkelijk zijn, en binnen die landen met de middenklasse en met bedrijven die kunnen opereren op de wereldmarkt. Dat is ontwikkelingssamenwerking die voor Nederland verschil maakt.

Participatief onderzoek staat haaks op de pretenties van de WRR. In participatief onderzoek worden de onderzoeksvragen en -methoden bepaald door de ontwikkelingsbehoeften en -vragen van mensen die behoren tot de onderkant van de samenleving. Het richt zich op duurzame ontwikkeling van onderop en op samenwerking die ongelijkheden verkleint, in plaats van pretendeert ‘verschil te maken’.

Ivan Wolffers heeft zijn lang volgehouden pleidooi voor participatief onderzoek zelf in praktijk gebracht, zijn hele werkzame carrière lang. Hij heeft partij gekozen en zijn keuzes regelmatig publiekelijk verantwoord. Hij heeft conflicten niet vermeden, bijvoorbeeld met instellingen die beweren de wetenschappelijke kwaliteit van onderzoek voorop te stellen, en zich geringschattend uitlaten over onderzoek dat niet aan Westerse maatstaven voldoet. Die instellingen plegen het begrip ‘wetenschappelijk’ eng te definiëren. Zij zien  mensen in ontwikkelingsprocessen alleen als object van onderzoek, niet als mensen die hun eigen situatie en mogelijkheden zelf onderzoeken en met wie samen de relevante vragen kunnen worden geformuleerd en antwoorden kunnen worden gezocht. Zo’n benadering is top down. Zulk onderzoek sluit mensen uit, zelfs diegenen die door het te onderzoeken proces reeds buitengesloten of gemarginaliseerd waren. Participatief onderzoek daarentegen is bottom up. Het is, aldus Ivan Wolffers, “research ... with and for the people and not on them”.

Soms is participatie een schaamlap. Participeren in onderzoek kan variëren van louter geïnformeerd worden tot volwaardig meebeslissen. Participeren in de samenleving kan betekenen op je zelf en op de markt teruggeworpen worden vanwege bezuiniging op publieke voorzieningen à la Rutten, maar ook medezeggenschap en socialisatie van de vraag à la den Uyl. Bij ontwikkelingssamenwerking geldt, zeker na brede omarming van het neoliberale gedachtengoed, aanpassing van hulpontvangers aan eisen van good governance, opgesteld door hulpgevers, als een bevordering van participatie die kan leiden tot de gewenste volledige integratie op de wereldmarkt. Gelukkig staan daar andere opvattingen tegenover, zoals het streven naar empowerment en zelfontplooiing. Dat streven staat haaks op modernisering volgens een geïmporteerd model, geschoeid op westerse leest.

Empowerment (of: self-empowerment) geschiedt in hoofdzaak op eigen kracht, van binnen uit, bottom up. Anders is het geen zelfontplooiing, maar het ondergaan van een ontwikkelingsbehandeling. Echter, aldus Prins Claus, “On ne developpe pas, on se developpe”. Maar als ontwikkeling op eigen kracht moet plaatsvinden, wat is dan nog de rol van ontwikkelingssamenwerking? Leidt samenwerking niet tot beïnvloeding en inmenging, en dus tot beperking van de eigen capaciteiten. Vaak wel, en dan wordt samenwerking even pervers als een ontwikkeling die mensen op achterstand zet, in plaats van verheft.

Ontwikkelingssamenwerking die die naam verdient moet niet beperken, maar stimuleren en faciliteren. Samenwerking die helpt ongelijkheden te verkleinen vindt plaats doordat de rijkere en machtiger partners (het Westen, de bovenklasse), die zich zelf in een eerdere fase een voorsprong hebben verschaft door anderen arm te houden en te verzwakken, waarna zij die voorsprong stelselmatig en cumulatief hebben vergroot, een stap terug doen en ruimte bieden. Dat is samenwerking: de ene doet een stap terug ten bate van de ander. Dat is ontwikkelingssamenwerking, althans dat zou het moeten zijn: ruimte bieden aan minder geprivilegieerde landen, aan destijds achtergestelde gemeenschappen en nog immer gemarginaliseerde bevolkingsgroepen. Oftewel: de ooit gecreëerde en gevestigde ongelijkheden en machtsverhoudingen onderkennen en afbouwen en zwakkere partners voorrang geven. Dat kan tijdelijk, zij het langdurig tijdelijk, zodat de samenwerking een katalyserend in plaats van een overheersend karakter krijgt. En net zo als het de voorkeur verdient te spreken over research for development in plaats van development related research, gaat om cooperation for development in plaats van development (related) cooperation. Samenwerking ten gunste van ontwikkeling, dat betekent dat je je gezamenlijk en eendrachtig verzet tegen machtsongelijkheid: politiek, economisch en cultureel, inclusief de ongelijkheid in de toegang tot informatie, kennis en technologie.

 

Gevecht

In de afgelopen decennia is er veel gediscussieerd over de aard en richting van ontwikkelingsprocessen en ontwikkelingsbeleid. Die discussie was deels gebaseerd op onderzoek, deels op verschil van opvatting over de beste uitkomsten van processen en de meest effectieve en duurzame resultaten van beleid. Het hing er ook van af wie mee discussieerden: betrokkenen of buitenstaanders, vertegenwoordigers van de bovenwereld of van de wereld beneden de globale markt. Ik heb de discussie gedurende de afgelopen zestig jaar niet alleen ervaren als een gezamenlijke poging om steeds beter inzicht te krijgen in de aard van ontwikkelingsprocessen, maar ook als een strijd om de waarheid. Het was niet zozeer een zoektocht naar kennis van de werkelijke verhoudingen, als wel een gevecht om die verhoudingen niet te doen verhullen. Het waren machtsverhoudingen. In het bestuderen daarvan ging het er om de dagelijkse werkelijkheid bloot te leggen van mensen aan de onderkant van de samenleving, hun leven, hun ervaringen, hun waarden, hun dromen, hun waarheid. Die strijd om beter inzicht in de werkelijkheid van ontwikkelingsprocessen is ook in Nederland gevoerd. Ivan Wolffers heeft er een actieve rol in gespeeld. Hij behoort tot een select gezelschap, samen met onderzoekers zoals Gerrit Huijzer, Jan Breman, Els Postel, Jan Douwe van der Ploeg en Joske Bunders. Dat waren onderzoekers die probeerden een stem te geven aan mensen aan de onderkant, gemarginaliseerd en buitengesloten: vrouwen, kinderen, inheemse groepen, landloze boeren, sloppenbewoners, vluchtelingen en mensen die behoren tot etnische, tribale dan wel religieuze minderheden. Zij allen stonden, elk binnen hun eigen gebied, aan de wieg van participatief onderzoek.

Destijds zijn op initiatief van minister Boy Trip, Minister voor Wetenschapsbeleid in het kabinet den Uyl, op vele terreinen sectorraden onderzoek en ontwikkeling ingesteld, waarin wetenschappers zouden samenwerken met stakeholders. We waren er trots op, toen in 1987 de desbetreffende wet eenmaal in het Staatsblad stond, dat de eerste sectorraad die in werking trad de ontwikkelingssamenwerking betrof. Dat was de RAWOO: de Raad van Advies voor het Wetenschappelijk Onderzoek in het kader van Ontwikkelingssamenwerking. De RAWOO was niet alleen de eerste, maar ook de enige die stakeholders uit het buitenland aantrok als gelijke partners. Daarbij werd gekozen voor een nieuwe aanpak: interactieve bottom-up onderzoekssamenwerking. Die vroeg om een interdisciplinaire kijk op ontwikkelingsprocessen, holistisch en toch locatie specifiek, uitgaande van de eigen percepties van mensen op de eigen situatie, de door hen zelf gekozen formulering van hun behoeften, en de beperkingen waarmee zij te kampen hebben bij het verwezenlijken van hun ambities. Die benadering werd vorm gegeven in meerjarige multidisciplinaire onderzoeksprogramma’s, gebaseerd op vertrouwen in, en autonomie van de partners. We wilden een eind maken aan traditionele donor-ontvanger relaties, weg van het projecten beleid, weg ook van de macht van donoren, fondsenverschaffers en onderzoekers uit donorlanden, inclusief wijzelf. De samenwerking zou geleid worden door mensen in de partnerlanden zelf, en dan vooral mensen aan de onderkant van die samenlevingen en onderzoekers dicht bij hen.

Die aanpak is op veel tegenstand gestuit, vooral van de Nederlandse universiteiten. Ivan Wolffers, die jarenlang deel uitmaakte van de RAWOO, heeft er uitgebreid over geschreven. De RAWOO bestaat niet meer. Over de wenselijke aard en richting van onderzoek, en over de vraag “Who should call the tune?” wordt tegenwoordig anders gedacht. Dat is deels het gevolg van neoliberaal marktdenken, ook in het onderzoek, maar ook van zwaar lobbyen door instellingen die geen afstand kunnen nemen van aanbodgericht denken. Ik betreur dat, maar het parlement beslist.

 

Agenda

Intussen is de wereld veranderd. De jongste fase van globalisering heeft geleid tot grotere ongelijkheid en grotere machtsconcentraties, ook op onderzoeksterrein: transnationaal opererende farmaceutische bedrijven, voedselketens, banken en financiële instellingen; de informatie-, communicatie- en entertainmentindustrie; intelligence en security netwerken. Samen met de wapenindustrie, de chemische industrie en de energiebedrijven beslissen zij over een aanzienlijk deel van de wereldwijde onderzoekbudgetten. Deels geschiedt dat in eigen beheer, deels door universiteiten, onderzoeksinstellingen en consultants aan wie opdrachten worden verstrekt. Dat is altijd al zo geweest, maar het heeft nu grotere gevolgen voor mensen in de onderklasse. Omdat het onderzoek transnationaal is, footloose als het ware, en zich grotendeels onttrekt aan nationale democratische besluitvorming, en omdat door het vervagen van nationale grenzen de resultaten en toepassingen van onderzoek overal ter wereld gevolgen hebben, zijn er twee krachten die alles bepalen: de economische en politieke macht van de instellingen in wier opdracht onderzoek wordt uitgevoerd, en de koopkrachtige vraag op de wereldmarkt. Om die vraag op peil te houden wordt zij gemanipuleerd, bijvoorbeeld door het commercieel sturen van waardensystemen (‘je identiteit wordt bepaald door wat je consumeert’), en door huidige welvaart een grotere waarde toe te kennen dan het welzijn van toekomstige generaties. Die hebben geen stem in het kapittel. En ook de wereldwijde onderklasse ontbeert zowel politieke invloed als koopkracht. Zij kan dus alleen de gevolgen ondergaan - drones, boskap, klimaatverslechtering - of langs zich heen zien gaan: arbeid die gevorderde scholing vergt, levensduur verlengende gezondheidszorg, gemakkelijke toegang tot wereldwijde transport en communicatienetwerken.

De nieuwe achterstelling van gemarginaliseerde bevolkingsgroepen in de huidige fase van globalisering wordt nog versterkt door drie dominante tendensen. Ten eerste: het wereldsysteem is kapitalistischer dan ooit. Het tendeert steeds meer tot uitsluiting van aanvankelijk uitgebuite en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen. De krachten die zich voorheen uitspraken ten gunste van de sociale welvaartsstaat, welvaartsoverdrachten, sociale zekerheid, ontwikkelingshulp en publieke voorzieningen lijken verstomd. Ten tweede: de wereldeconomie is instabieler geworden, met meer fluctuaties, meer crises en minder groei. Dat brengt grotere risico’s en geringere vooruitzichten met zich mee voor juist die groepen die het al zo moeilijk hebben. Bovendien, ten derde, leggen regeringen steeds meer nadruk op nationale veiligheid. Dit denken in termen van ‘veiligheid eerst’ leidt tot een afnemend vertrouwen van regimes in hun eigen burgers. Het zijn opnieuw de mensen aan de rand van de samenleving die het eerst gewantrouwd worden.

Kan onderzoek een tegenwicht bieden? Is er daarbij nog wel ruimte voor participatief onderzoek? Is dat niet te soft?

Juist in het licht van deze ontwikkelingen pleit ik voor research als tegenwicht tegen de krachten van de globalisering. Enkele jaren geleden, op een conferentie waar werd teruggekeken op de RAWOO, heb ik vier prioriteiten genoemd voor onderzoek als tegenwicht. Ik wil ze vandaag herhalen.

Ten eerste: Onderzoek naar de mechanismen van de macht, wereldwijd.

Ten tweede: Onderzoek naar de gevolgen van economische keuzebeslissingen van rijke landen, transnationale ondernemingen en hogere inkomensklassen op de positie van mensen die opgesloten zitten in de beneden-wereld, een wereld beneden de markt.

Ten derde: Onderzoek naar alternatieven om duurzame ontwikkeling tot stand te brengen die vooral ten goede komt aan de armste bevolkingsgroepen in de wereld.

Ten vierde: Onderzoek dat deze groepen, de gemarginaliseerden, de mensen zonder koopkracht en zonder stem, in staat stelt hun eigen ontwikkelingspad uit te stippelen en dat te bewandelen.

Het is vooral die laatste categorie onderzoek die  participatief moet plaatsvinden. Daar is te meer reden voor, nu de krachten van de globalisering steeds meer mensen dreigen te marginaliseren. Maar dat participatief onderzoek, samen met mensen aan de onderkant van de samenleving, zal gecomplementeerd moeten worden door de drie eerder genoemde categorieën. Die richten zich op een analyse van de macht en van de consequenties van machtsongelijkheid. Dergelijk onderzoek is niet eenvoudig, want van de onderzoekers wordt gevraagd instellingen waarvan zij afhankelijk zijn kritisch te benaderen: opdrachtgevers, financiers, leidinggevenden binnen universiteiten en onderzoeksinstellingen die bovenal geïnteresseerd zijn in hoge ratings, regimes die feiten achterhouden en de werkelijkheid verhullen. Onderzoeken betekent grenzen verleggen en autoriteiten tegenspreken.

Echte ontwikkelingssamenwerking vraagt om het ontwikkelen van tegenmacht, deels participatief, deels contesterend. Ook dat is partij kiezen.

 

Jan Pronk

Toespraak symposium ‘Participatief onderzoek samen met gemarginaliseerde populaties’, ter gelegenheid emeritaat Prof. Ivan Wolffers, Vrije Universiteit, Amsterdam, 31 januari 2014

 

 

 

 

Bronnen

Louk Box, Rutger Engelhard and Henk Molenaar: Knowledge on the Move. Emerging Agendas for Development-oriented Research, Leiden, 2009, pp. 267-272.

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Minder pretentie, meer ambitie. Ontwikkelingshulp die verschil maakt, Amsterdam University Press, Amsterdam: 2010

Ivan Wolffers, The Democratisation of Science. Demand-Driven Health Research for Development. VU University Press, Amsterdam: 2000.