Peter Kooijmans. Ontwapening: doel en middel

Symposium ter herdenking Prof. P.H. Kooijmans, Universiteit Leiden 26 april 2013

Peter Kooijmans is lid geweest van twee kabinetten: als Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken in het kabinet den Uyl, van 1973 tot 1977, en als Minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet Lubbers III. In dat laatste kabinet nam hij tussentijds zitting, in 1993, toen zijn voorganger Hans van den Broek aftrad na diens benoeming tot Europees Commissaris in Brussel.

De start van beide kabinetsperioden viel samen met markante keerpunten in de internationale verhoudingen. Het ene keerpunt betrof de Noord Zuid verhoudingen in de wereld, het andere de relatie tussen Oost en West. In het jaar van aantreden van het kabinet Den Uyl, 1973, werden we geconfronteerd met een internationale oliecrisis van ongekende omvang. De viervoudige stijging van de olieprijs, van de ene op de andere dag, tastte de basis aan van de economische groei, de macht en de voorsprong van het Westen: spotgoedkope energie. In de woorden van den Uyl: de wereld zou nooit meer zou worden zoals zij was. De oliecrisis werd een omslag in de economische machtsverhoudingen tussen Noord en Zuid. Althans, dat was de bedoeling van de OPEC landen. De andere ontwikkelingslanden, verenigd in de Groep van 77, schaarden zich achter hen. Het heeft het internationale beleid van het kabinet Den Uyl ingrijpend bepaald. Dat betrof niet alleen de buitenlandse politiek en de ontwikkelingssamenwerking, maar vooral ook onze houding ten opzichte van de internationale rechtsorde en de mensenrechten, het dekolonisatiebeleid, het VN beleid, het Europa beleid en de vredespolitiek. Juist op die terreinen speelde Peter Kooijmans een essentiel rol.

Het derde kabinet Lubbers trad aan in november 1989, enkele dagen na de val van de Muur. Het was het einde van de Koude Oorlog, een fundamentele omwenteling in de betrekkingen tussen Oost en West in de wereld, die niet alleen in Europa, maar ook in het Zuiden van de wereld ingrijpende gevolgen zou hebben.

In beide kabinetsperioden gebeurde er veel in de wereld om ons heen. In de jaren zeventig werd het democratische bewind van Chili ten val gebracht, brak de Yom Kippur oorlog uit, kwam een einde aan de oorlog in Vietnam, werd Suriname onafhankelijk, en moest Portugal als laatste koloniale mogendheid haar koloniën in Afrika opgeven. In de jaren negentig barstte het geweld los in Somalië, Rwanda, Sudan en, dichterbij, in toenmalig Joegoslavië. In Centraal en Oost Europa ontstonden nieuwe onafhankelijk staten, de Europese Gemeenschap werd een Europese Unie, in het Midden Oosten brak de eerste Golfoorlog uit en Nederland ging meedoen aan VN vredesoperaties.

Zowel de cesuur in 1973 als die in 1989 was de uitkomst van ontwikkelingen in de jaren daarvoor. De omslagpunten luidden een tijdperk in dat langer zouden duren dan de kabinetsperioden. De schokken die zich voordeden waren een onderdeel van fundamentele veranderingen inde wereld. Het beleid mocht zich niet beperken tot  het reageren op gebeurtenissen in het buitenland, om specifiek Nederlandse belangen veilig te stellen, maar moest een onderkenning inhouden van structurele veranderingen, die proactief systematisch meesturen vereisten.

De jaren zeventig werden gekenmerkt door vier structurele veranderingen: het einde van de dekolonisatie (1), de politieke en economische emancipatie van nieuwe landen in het Zuiden van de wereld (2), de verplaatsing van het Oost-West conflict, dat zich tot dan toe vooral in het Noorden had gemanifesteerd, naar het Zuiden (3), en een roep vanuit dat Zuiden om een Nieuwe Internationale Economische Orde (4). Die vier thema’s domineerden het discours, vroegen een adequaat beleidsantwoord, zowel in het kader van de Verenigde Naties als van individuele landen, inclusief Nederland.

Peter Kooijmans voelde zich daarin thuis. Als staatsecretaris was hij verantwoordelijk voor het beleid inzake de VN en voor ontwapening. Dat waren langere termijn aangelegenheden. Zij vereisten visie en analyse, en die kon Kooijmans verschaffen. Dat binnen het kabinet een speciale plaats was ingeruimd voor zijn staatssecretariaat, vloeide voort uit de wens die in de jaren zestig was verwoord ter linkerzijde, om afstand te nemen van een buitenlandse politiek in het voetspoor van de NAVO en de VS. Men wilde een Minister voor Vrede. Die kwam er niet, maar er kwamen wel een Minister met een geheel andere kijk op de wereld dan Luns, namelijk Max van der Stoel, en een Staatssecretaris die zich vooral moest bezig houden met vrede en recht: Peter Kooijmans. Hij was de ideale man daarvoor.

Van der Stoel achtte dat staatsecretariaat niet zo nodig, niet vanwege een geringer gewicht van deze onderwerpen, maar omdat hij ze zo belangrijk vond, dat hij ze liever niet behartigd zag als een hoofdstuk apart. Hij gaf er de voorkeur aan ze te integreren in de buitenlandse politiek en had er zelf verantwoordelijkheid voor willen dragen. Burger, Ruppert en Den Uyl beschikten anders. Een kernthema van linkse politiek werd in het kabinet, dat zich afficheerde als “rood met een wit randje”, opgedragen aan iemand die in korte tijd veel gezag had verworven als wetenschapper, maar politiek onervaren was en bovendien afkomstig was uit dat ‘witte randje’. Peter Kooijmans slaagde met vlag en wimpel. Zijn samenwerking met van der Stoel was rimpelloos. Zijn bijdrage aan onderhandelingen in de VN en met de VS werden wijd en zijd gewaardeerd. Zijn ontwapeningsnota beoogde niet om politiek goedkope successen te boeken, maar was visionair en realistisch. Zoals Ko Colijn recentelijk opmerkte: dergelijke veranderingen gaan met stappen, maar het zijn stappen van veertig jaar. Een aantal voorstellen is internationaal dichterbij gekomen: vermindering van het aantal strategische kernwapens, verbod op kernproeven, verbod op inhumane wapens en massa vernietigingswapens, instelling kernwapenvrije zones, en een internationaal verdrag inzake de regulering en beperking van de wapenhandel. Dat laatste kwam er, met moeite, vorige maand, via de Algemene Vergadering van de VN, een beetje ongebruikelijk, met omzeiling van consensus en veto procedures, maar Peter zou zowel de uitkomst als het proces hebben toegejuicht.

Ook in het begin van de jaren negentig waren er vier kernthema’s: de doorwerking van het einde van de Koude Oorlog (1), het begin van een volstrekt nieuwe fase in de globalisering, technologisch, economisch en ook cultureel: ideeën en verwachtingen (2), een veenbrand van gewelddadige politieke, sociale en culturele conflicten; binnenslandse conflicten weliswaar, maar met de potentie te escaleren over vervagende landsgrenzen (3), en pogingen van de VS en haar bondgenoten om een nieuwe internationale orde vast te leggen (4).

Peter Kooijmans heeft in de bijna twee jaar van zijn ministerschap op deze terreinen duidelijk stelling genomen. Hij was verrast geweest tot het ambt te worden geroepen, maar hij heeft niet geaarzeld, nam moeiteloos over van Hans van den Broek, bewees zich niet alleen als denker, maar ook als doener en voelde zich als een vis in het water. Ik herinner mij hoe premier Lubbers hem introduceerde en sprak over een ‘verlengde sabbatical’ van Kooijmans, die daarna werd geacht zijn oude liefde, academia, weer op te opvatten. Wel, het was geen sabbatical, maar zwaar werk, en hij deed het met groot plezier. Peter Kooijmans durfde beslissingen te nemen, bijvoorbeeld iedere keer wanneer internationaal gepalaver over opties betreffende Bosnië dreigde uit te monden in afstel van welke vorm van actie dan ook. Hij toonde zich principieel en daadkrachtig toen Boutros Ghali een avond lang met ons had gedelibereerd over de uitzending van Nederlandse troepen naar Srebrenica. Boutros had uitgeweid over de beperkingen waaraan de VN was onderworpen bij de uitvoering van vredesoperaties. Peter vertelde mij ‘onthutst’ te zijn geweest door de het gevoel van verlamming dat Boutros had uitgestraald. Maar hij aarzelde niet: ‘er moet iets gebeuren en wij gaan bijdragen’ .

In de jaren zeventig werd de wereldvrede bedreigd door regionale conflicten in het Zuiden, gevoed door Oost en West. In de jaren negentig bedreigden oorspronkelijk binnenlandse conflicten diezelfde wereldvrede. Ook deze hadden met de Oost West tegenstelling te maken: zij konden zich manifesteren juist omdat de verhouding tussen Oost en West zich had ontspannen en territoriaal afgebakende geopolitieke invloedsferen niet langer werden nagestreefd. In beide situaties kon niet volstaan worden met ad hoc beleid. Het verwezenlijken van een meer duurzame vrede vroeg om een versterking en een hervorming van de internationale rechtsorde. Dat was de rode draad door de Nederlandse buitenlandse politiek in beide decennia. Daar heeft Peter Kooijmans een onuitwisbare bijdrage aan geleverd, als wetenschapper, als rechter, en als politicus.

In een discussie in de Ministerraad over safe areas in Bosnië, toen ik een optie had bepleit die ik principieel beter achtte dan andere, maar die op weinig steun kon rekenen bij onze NAVO partners, antwoordde Peter Kooijmans: “Het gaat niet alleen om ethische uitgangspunten. Je moet ook politieke criteria toepassen”.

Dat was hij dus ook: politicus. Geen man die zich liet opsluiten in een binnenlands politiek keurslijf en zich alles liet gezeggen door de achterban. Wie dat doet kan geen internationale politiek bedrijven. Internationale politiek vereist diplomatie en leiderschap. Het vereist terughoudendheid, zonder de confrontatie te schuwen met een bruut regime dat mensenrechten schendt. Het vereist de bereidheid risico’s nemen in het belang van vrede, recht en humaniteit. Dat kon Peter Kooijmans, niet eigenzinnig, maar ontwapenend.

 

Jan Pronk

Toespraak Symposium ter herdenking Professor P. H. Kooijmans (1933-2013), Faculteit Rechtsgeleerdheid, Universiteit van Leiden

26 April 2013