Srebrenica: de pijn blijft

Toespraak bij de opening van de fototentoonstelling ‘Enduring Srebrenica’. Foto’s: Claudia Heinermann. Mechelen, Kazerne Dossin, Memoriaal Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en de Mensenrechten, 17 september 2013

Er zijn in de loop der jaren tal van verzachtende omstandigheden genoemd voor het falen in Srebrenica. Het ‘safe area’ concept zou onhoudbaar zijn geweest, een uitvinding van politici die militairen met een onmogelijke taak opzadelden. Van die gebieden zou juist Srebrenica fysiek onverdedigbaar zijn geweest. De uitzending van de Nederlandse militairen zou politiek gemotiveerd zijn geweest, onverantwoord, en nooit hebben mogen plaatsvinden. Toen dat toch gebeurde, was het verloop der gebeurtenissen onafwendbaar: wat men ook zou beslissen, het noodlot zou toeslaan, het latere onheil lag onherroepelijk besloten in een verkeerd begin.

Vier verwijzingen naar verzachtende omstandigheden, even zovele verontschuldigingen. Daar kwamen er vier bij die verwezen naar derden. De regering van Bosnië zou Srebrenica al hebben opgegeven. De Moslims zouden de massamoord over zich zelf hebben afgeroepen, door in strijd met de afspraken gewapende uitvallen te plegen. Het militaire commando van de Verenigde Naties had nagelaten Dutchbat luchtsteun te bieden, misschien opzettelijk, misschien vanwege een te gecompliceerde bevelsstructuur, met als gevolg dat de Nederlandse militairen aan hun lot waren overgelaten. Het aantal slachtoffers zou veel lager zijn dan door de overlevenden werd beweerd.

Vervolgens is met nog eens vier argumenten aannemelijk gemaakt dat juist Nederland niets te verwijten viel. Wij waren toch naar Srebrenica gegaan, terwijl andere landen het lieten afweten? Men kon toch niet bevroeden wat er met de door de troepen van Mladic gevangen genomen mannen en jongens zou gebeuren? Bovendien, Dutchbat stond tegenover een overmacht en daarom was haar optreden begrijpelijk en verklaarbaar. Dat gold ook het niet toelaten van vluchtelingen tot het terrein in Potocari - omdat er al zoveel waren; het wegzenden van mensen die bescherming zochten; het faciliteren van de scheiding tussen mannen, vrouwen, kinderen, ouden van dagen en mogelijke combattanten; het niet begeleiden van vluchtelingen die zogenaamd voor een verhoor werden meegenomen. En, ten slotte, de zogeheten lotsverbondenheid van de Nederlandse militairen met de vluchtelingen zou geen feitelijke beslissing zijn geweest van het Nederlandse kabinet, waaraan daadwerkelijk consequenties moesten worden verbonden, maar slechts een situatieschets in politiek correcte termen.

Twaalf argumenten, twaalf rechtvaardigingen, twaalf drogredenen, twaalf uitvluchten. Het zijn halve waarheden en de optelsom bevredigt niet. Alles begrijpen is alles verontschuldigen. Het klonk overlevenden en nabestaanden hol in de oren en leidde tot boosheid en wrok. Feit is: de bevolking van Srebrenica was bescherming beloofd, maar die werd niet geboden. We kwamen de toezegging niet na. De overlevenden van Srebrenica hebben altijd gezegd: wij willen geen verontschuldigingen horen, maar de waarheid. Misschien is die waarheid is die nooit bevredigend te verwoorden, maar dat geeft niemand het recht om het er maar bij te laten zitten, zich achter excuses te verschuilen, zelfs al zouden die deels terecht zijn. Overlevenden en nabestaanden hebben er recht op dat beschermers, die te kort schoten in het bieden van bescherming, niet verzaken in pogingen tot waarheidsvinding.

Zo is het wel ervaren, als een opnieuw verzaken. Eerst werd de verantwoordelijkheid voor het niet beschermen van mensen, die hun toevlucht hadden gezocht in een gebied dat door de internationale gemeenschap tot ‘veilige haven’ was uitgeroepen, doorgeschoven naar anderen: de VN, de leden van de Veiligheidsraad, de Fransen, de regering in Sarajevo, de Moslim strijders zelf. Daarna werd gezegd dat geen oude wonden moesten worden blootgelegd, omdat dat de beschermers van voorheen zou traumatiseren. De trauma’s van de overlevenden en nabestaanden waren kennelijk van een andere orde. Vervolgens hoorden de overlevenden hoe zich een woordenstrijd ontspon rond begrippen als verantwoordelijkheid en schuld. Dat is wat anders dan een oprechte poging tot waarheidsvinding.

Het boek Srebrenica kan niet worden gesloten, zolang niet alle overlevenden en nabestaanden een antwoord hebben gekregen op de vraag waar hun geliefden zijn, wat er is gebeurd, hoe het kon gebeuren en wie daarvoor verantwoordelijk waren. Het is niet aan Nederlanders om te bepalen of de vragen legitiem zijn. Het is ook niet aan Nederlanders om te zeggen dat het geen zin heeft dit soort vragen telkens te herhalen, omdat definitieve antwoorden toch nooit gevonden zullen worden.

Ontkenning, stilzwijgen, negeren en doorverwijzen naar anderen, het bleef maar doorgaan, ook nadat het kabinet Kok in 2002 was afgetreden na kennis genomen te hebben van een rapport van het Nederlandse Instituut voor Oorlogsdocumentatie over de Nederlandse betrokkenheid. Het NIOD rapport verhulde en vergoelijkte. Premier Kok lichtte het aftreden van zijn kabinet toe met verwijzingen naar Nederlandse medeverantwoordelijkheid voor het tekortschieten van de internationale gemeenschap bij het beschermen van de bevolking van Srebrenica. Internationaal is dat als een unicum ervaren, maar in Nederland zelf kreeg deze erkenning geen vervolg. Vluchtelingen uit Srebrenica die in Nederland toevlucht zochten werden jarenlang aan het lijntje gehouden. Overlevenden en nabestaanden die juridische processen wilden beginnen, werden stelselmatig van het kastje naar de muur gestuurd. Het officiële Nederlandse standpunt was dat de rechter zich niet mag uitspreken over het optreden van vredestroepen. Men vreesde dat een rechterlijk oordeel de bereidheid om in de toekomst aan vredesoperaties mee te werken zou doen afnemen. Maar VN vredesoperaties ondernomen ter bescherming van mensen zijn pas geloofwaardig wanneer mensen die op bescherming vertrouwen er op mogen rekenen dat het mandaat recht overeind blijft staan, ook wanneer plegers van genocide en oorlogsmisdaden de vredestroepen uitdagen.

Als de politiek geen thuis geeft, de legerleiding publicaties probeert tegen te houden, en de rechter niet mag toetsen, loopt de weg dood. ‘Maar bij ons moet u ook niet zijn’, zo werd door autoriteiten in Nederland gesteld, ‘wendt u zich maar tot de Verenigde Naties’. Maar iedereen weet: de VN kunnen zich beroepen op immuniteit. Kennelijk vrezen gezagsdragers juridische gevolgen in de vorm van claims op compensatie, wanneer het tonen van een speciale betrokkenheid wordt geïnterpreteerd als een erkenning van specifieke verantwoordelijkheid en als schuldbekentenis. En wat dan nog? Mag zo’n vrees reden zijn om de slachtoffers te ontlopen en hen uit het bewustzijn te verdringen? Zijn we de schaamte voorbij?

Kort geleden heeft de Hoge Raad, het hoogste rechterlijke college in Nederland, uitgesproken dat Nederland medeverantwoordelijk is voor de dood van drie Bosniërs: de vader en de broer van de tolk Hassan Nuhanovic, en de elektricien Rizo Mustafic, die voor de Nederlandse VN vredesmacht werkte. Zij waren al op het terrein van Potocari, maar werden weggestuurd. Dat betekende dat zij werden overgeleverd aan Mladic en de dood in werden gedreven.

Die ondubbelzinnige uitspraak is een doorbraak, maar zij betreft alleen de verantwoordelijkheid voor het lot van deze drie personen, niet dat van de achtduizend anderen die werden vermoord. Hun nabestaanden dreigen vergeten te worden.

Het Joegoslavië tribunaal heeft inmiddels een aantal personen tot zware straffen veroordeeld. Recentelijk kregen twee oorlogsmisdadigers, Beara en Popovic, levenslang. Dat is in het licht van de massamoord op duizenden mannen en jongens geen genoegdoening, maar het is in ieder geval erkenning, zeker omdat het rechterlijke vonnis de ondubbelzinnige uitspraak bevat, dat er inderdaad genocide heeft plaatsgevonden. Ook dat was in Nederland aanvankelijk ontkend. Het waren Bosnische Serviërs, onder leiding van Mladic, die de genocide hebben gepleegd, opzettelijk, bewust, gruwelijk. Maar de internationale gemeenschap, inclusief Nederland, heeft de bevolking van Srebrenica niet tegen die genocide beschermd. Er was geen lotsverbondenheid. Lotsverbondenheid is uitgesproken en toegezegd, maar niet waargemaakt. De mannen en jongens van Srebrenica zijn uiteindelijk aan hun lot overgelaten. In laatste instantie is Mladic geen strobreed in de weg gelegd. Ook dat falen dient te worden erkend. Als politicus, destijds mede betrokken, voel ik wroeging en schaamte.

Als we terugdeinzen voor woorden als verantwoordelijkheid, falen, schuld, zouden we dan niet een ander begrip laten prevaleren: de vluchteling als naaste? Het lot heeft de mensen uit Srebrenica op de weg van Nederland geplaatst als onze naasten. Ook in de politiek gaat het uiteindelijk om de vraag: hoe maken we de lotsverbondenheid met onze naaste waar, ook na de genocide?

 

Jan Pronk

 

Toespraak bij de opening van de fototentoonstelling ‘Enduring Srebrenica’

Foto’s: Claudia Heinermann

Mechelen, Kazerne Dossin, Memoriaal Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en de Mensenrechten.

17 september 2013