Tuin van Holland

Toespraak jubileum Mobarak moskee, ‘s Gravenhage, 9 december 2015

Van harte gefeliciteerd met het diamanten jubileum van de Mobarak Moskee van de Ahmadiyya gemeenschap, hier in Den Haag.

Toen de Moskee zestig jaar geleden werd geopend was ik 15 jaar. Ik was leerling van een middelbare school en fietste iedere dag hierlangs, vanuit Scheveningen naar het Bezuidenhout. De opening is langs mij heen gegaan. Ik fietste er langs, maar zag het niet. De wereld van de Islam was mij vreemd, iets van ver weg, niet behorend tot mijn eigen buurt, mijn eigen stad.

Ik kwam uit een Protestants Christelijk gezin en ging naar een Protestants Christelijke school en iedere zondag twee maal naar de kerk, een Protestants Christelijke kerk. We werden tamelijk streng opgevoed. Met Katholieken hadden we geen contact, met niet-Christenen al helemaal niet. Op school en in de kerk leerden we dat wij Protestanten gelijk hadden – sommige Protestanten (Gereformeerden, Christelijk Gereformeerden, Vrijgemaakt Gereformeerden, Gereformeerde Gemeenten) nog meer gelijk dan andere Protestants Christenen, zoals de Hervormden en de Vrijzinnigen. We wezen elkaar na en verketterden elkaar. En Katholieken hadden helemaal ongelijk. Ze hadden, zo werd in onze kring gezegd, de Bijbel volstrekt verkeerd begrepen en zouden dat later nog wel merken. De Hemel was voor hen uitgesloten. Protestants Christenen daarentegen mochten hopen op de uitverkiezing door God. Maar dan moesten ze wel de Heidelbergse catechismus en de andere Formulieren van Enigheid onderschrijven en zich eigen maken.

Dat ligt tegenwoordig gelukkig anders. Maar het is niet lang geleden. We leefden langs elkaar heen, ontmoetten elkaar niet en hadden ook geen enkele behoefte om elkaar te ontmoeten. We definieerden onze eigen identiteit door ons tegen anderen af te zetten en ons boven hen verheven te achten. Misschien ging het minder om een religieuze overtuiging, dan om een afbakening van een eigen identiteit, om zelfbevestiging, een groepsgevoel, en om angst voor het onbekende, voor wat als anders en vreemd werd ervaren.

Gelukkig waren er tegenstemmen, mensen die vonden dat je juist met iedereen contact moest zoeken omdat je van elkaar kon leren en jezelf door die contacten geestelijk kon verrijken. Ik heb het geluk gehad in de jaren zestig ruimdenkende leermeesters te ontmoeten.

Nederland is veranderd. Verschillen tussen Protestants Christelijke stromingen en tussen Protestanten en Katholieken spelen nog slechts een geringe rol. Ook andere opvattingen die de meerderheid van de Nederlandse bevolking zestig jaar geleden nog als absolute waarden beschouwden - heiliging van zondagsrust, geen seks voor het huwelijk, hetero seksualiteit als norm, eerbied voor gezagsdragers - kwamen ter discussie te staan en gelden niet meer. Maar betekent dit dat Nederland echt ruimdenkend is geworden? Of zijn we onze eigen identiteit op een andere manier gaan afbakenen, vanuit diezelfde behoefte aan zelfbevestiging, eigen groepsvorming en bescherming van zelfgekozen waarheden en waarden, als schild tegen het vreemde dat ons zou kunnen ontregelen?

Het lijkt er wel op. Het zijn niet meer andersgelovige Christenen die misprijzend worden bejegend, of ongehuwde moeders en medeburgers met een ander seksueel gedragspatroon, maar migranten, vluchtelingen en asielzoekers, zogeheten allochtonen, Joden - helaas opnieuw - , Moslims, mensen met een Arabisch klinkende naam of uiterlijk, en vreemdelingen in het algemeen. En om de schijn van openheid en tolerantie op te houden worden gedragspatronen die nog slechts zestig jaar geleden door de goegemeente werden veroordeeld, thans tot norm verheven, waaraan het geïntegreerde burgerschap van anderen – minderheden, nieuwe Nederlanders en de nazaten van de migranten van weleer – worden getoetst. En o wee als zij dezelfde aarzelingen uiten als onze grootouders destijds.

Een zoektocht naar de Nederlandse identiteit

Enige tijd geleden bracht Toneelgroep De Appel hier in Den Haag een theater show op de planken onder de titel ‘Tuin van Holland, een zoektocht naar de Nederlandse identiteit’. In de openingsscènes van het stuk ontmoeten enkele historische figuren elkaar. Elk van hen vertegenwoordigt een stukje Nederlandse identiteit: Willem van Oranje, Kenau Simons Hasselaar, Anne Frank, Majoor Boszhard, Mata Hari, Prins Bernhard, Anton Mussert, Zeeuws meisje, Sjoukje Dijkstra, een Oranjefan, Andre Hazes en Sinterklaas, bien étonneés de se trouver ensemble. Uit de gesprekken die zij voeren komt naar voren dat de mentaliteit van de Nederlander een mengeling is van alles en nog wat: nu eens heldhaftig en principieel, dan weer sluw en jansalieachtig; doorgaans ruimdenkend en goedgeefs, maar altijd commercieel; prestatiegericht, niet gespeend van flair, maar ook volks; gezellig, op gezette tijden brallerig, nooit gespeend van eigendunk en geneigd tot zelfoverschatting. Voor elk wat wils.

Mentaliteit is een oppervlakkige notie. Mentaliteit is niet hetzelfde als identiteit. Een duiding van een gemeenschappelijke identiteit, als die al bestaat, vereist een meer fundamentele analyse, bijvoorbeeld middels een duik in de geschiedenis. In datzelfde stuk werden enkele taferelen getoond van gebeurtenissen die cruciaal zijn geweest voor de ontwikkeling van de Nederlandse natie: de Opstand in 1572, de terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt, het Rampjaar 1672, de eeuwige strijd tegen het water, het koopmanschap, en de kolonisatie van Indië. Het werd allemaal minder principieel en heroïsch ten tonele gevoerd dan de Nederlander lief is. De achterkant van de geschiedenis kwam naar voren: een combinatie van toeval, ambitie, uit de hand gelopen tegenstellingen, godsdiensttwisten, strijd om de macht,  heerszucht, jaloezie, koppigheid, revanche, populisme en fundamentalisme. Zij wonnen het van tolerantie en ruimdenkendheid.

Het was toneel, theater, dus een kijk op de werkelijkheid, in plaats van die werkelijkheid zelf. Maar wie goed keek en aandachtig luisterde zag een ontluisterend beeld en een beschamend demasqué van een Nederlandse identiteit, geworteld in slavenhandel, koloniale uitbuiting, racisme, zelfvoldaanheid en huichelarij.

Het stuk eindigt pessimistisch. Bepaalde elementen van de Nederlandse mentaliteit en identiteit leiden er uiteindelijk toe dat de strijd tegen het water wordt verloren. Onze grootste trots, de basis van onze nationale identiteit, verschrompelt. Het land verdrinkt.

We maken er het beste van

In het licht van de drastische klimaatverslechtering van vandaag, die we zelfs verergeren in plaats van proberen af te wenden, is dit niet eens zo’n onwaarschijnlijk scenario. Maar het is theater, en het slottoneel speelt zich af in de kleedkamer. De spelers vragen zich af: stel dat Nederland inderdaad onder water verdwijnt, beginnen we dan ergens anders opnieuw? Zo ja, waar? De keuze is aan de toeschouwers, maar de ondertoon in de kleedkamer is: ‘we zijn nu eenmaal wie we zijn, we gaan gewoon verder en we maken er het beste van’.

Inderdaad, de keuze is aan ons allen samen. Biedt een zoektocht naar de wortels van de Nederlandse identiteit ruimte om de weg te vervolgen? Kunnen we verder, of past ons slechts schaamte over onze daden in de geschiedenis. Moeten we noodgedwongen halt houden? Loopt de weg dood, door eigen schuld? Of proberen we er toch maar het beste van te maken? Zo ja, wat is dat dan: het beste? Het beste voor wie, en wie bepaalt dat?

Het zijn de kernvragen van 2015, zeker na jongstleden vrijdag 13 november. Het zijn de kernvragen van de multiculturele samenleving, multi-etnisch, multireligieus. Respect, verdraagzaamheid, co-existentie, met elkaar leven, wederzijds van elkaar leren, wederzijdse verrijking, samen werken aan de vrede, zoals geduid in de Bijbel en in de Koran.

Ik hoop nog veel te leren van contacten met U en andere Moslims in ons land. En ik hoop dat U zich bij ons thuis zult blijven voelen en dat vele Nederlanders zich ervoor zullen inzetten dat ons land een echt open huis blijft, dan wel opnieuw wordt.

Ik feliciteer de Ahmadiyya gemeenschap in Den Haag met het diamanten jubileum van de Mobarak moskee en ik wens u allen de komende jaren geluk en vrede binnen onze gezamenlijke Nederlandse samenleving.