Versimpeling van wereldnieuws

Dick Scherpenzeel prijs, Den Haag, 19 mei 2008

Dick Scherpenzeel was deskundig, kritisch, betrokken en ondernemend. Hij trok er op uit, wilde ter plekke waarnemen hoe het proces van ontwikkeling zich in de Derde Wereld voltrok. Onder de geleidelijk aan steeds grotere groep journalisten die zich net als hij daarvoor interesseerden was hij de meest gezaghebbende. Hij toonde zich geraakt door de armoede in ontwikkelingslanden en schreef kritische beschouwingen over de internationale economische verhoudingen en over het ontwikkelingsbeleid. Aan het eind van tien jaar ontwikkelingssamenwerking schreef hij een artikel onder de titel Een trieste balans. Max Arian koos dit als titel voor de bundel beschouwingen van de hand van Dick Scherpenzeel, gepubliceerd kort na diens overlijden. In een aantal artikelen had Dick Scherpenzeel kritische kanttekeningen geplaatst bij de politieke keuzes van nieuwe leiders in kort daarvoor onafhankelijk geworden landen in Afrika. Maar hij had vooral het Westerse neokolonialisme aan de kaak gesteld en de tekortschietende ontwikkelingssamenwerking. Daarbij spaarde hij mij niet. In zijn laatste artikel, dat enkele weken voor zijn dood verscheen, schreef hij dat ik de pretenties van Keerpunt ’72 niet waarmaakte en dat mijn eerste beleidsdaden nauwelijks het predikaat beleidsombuiging konden verdienen. “Zij kunnen eigenlijk alleen worden beschouwd als een flauwe bocht ten opzichte van het oude beleid”, zo schreef hij. Dat soort kritiek houdt je scherp.

Ik heb Dick enkele dagen voor zijn overlijden verteld dat wij een prijs zouden instellen die zijn naam zou dragen. Die prijs zou gegeven worden, zo schreef Max Arian in zijn voorwoord voor Trieste balans, “aan publicisten over de Derde Wereld, in wier werk een hoge kwaliteit van analyse en informatie gevoed wordt door bewogenheid en politieke visie, zoals dat het geval was in de door Dick Scherpenzeel geschreven beschouwingen”. Dat is,  met een betreurenswaardige onderbreking in de jaren tachtig, een kleine vijfentwintig jaar lang gebeurd.

De prijs betreft publicaties over processen in en rond ontwikkelingslanden. In en rond: de eerste maal werd zij uitgereikt aan twee personen, Jan van der Putten en Harry Lockefeer. Jan van der Putten was een van de eerste correspondenten ter plekke in een continent dat gerekend werd tot Derde Wereld (zo heette dat vroeger), Latijns Amerika. Hij had geschreven over de ontwikkelingen in Chili, waar een experiment in sociaal-democratische ontwikkeling op bloedige wijze de kop was ingedrukt. Hij had die gebeurtenissen weten te plaatsen in een Latijnsamerikaanse context, en veel gepubliceerd over andere landen op dat continent. Zo ging dat toen: schrijven vanuit Santiago over gebeurtenissen en ontwikkelingen in een heel werelddeel. Wat dat betreft is er in de prioriteiten gesteld door de media niet veel veranderd. Harry Lockefeer was inmiddels de meest gezaghebbende journalist geworden op het terrein van internationale economische ontwikkelingen. Hij schreef niet alleen over de positie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie, maar hield zich bezig met globalisering avant la lettre. Daardoor werd het schrijven over ontwikkelingssamenwerking meer dan een afwijking van hobbyisten, maar een bezigheid die ook serieus werd genomen door collega’s en lezers die eigenlijk meer geïnteresseerd waren in ontwikkelingen dichter bij huis.

De prijs die hen werd toegekend had niets te maken met het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Dat was ook in de jaren daarna niet het geval. Ik ben nooit bijster geïnteresseerd geweest in het stimuleren van aandacht voor het beleid. Het beleid moet zichzelf waarmaken. Aandacht vragen voor andere landen, voor processen die zich daar afspelen, voor de mensen die daar wonen, voor de problemen waartegen zij moeten opboksen en de oplossingen die zij zelf vinden, dat alles is veel belangrijker. Wanneer mensen in Nederland daarover informatie krijgen en kennis vergaren, zullen zij beter begrijpen wat er aan de hand is en uit zich zelf komen tot een beter begrip en misschien tot enige solidariteit. Wat dat betreft paste de instelling van de Dick Scherpenzeelprijs in een bredere aanpak, met bijvoorbeeld ook de oprichting van het tijdschrift SamSam, waarin kinderen in ons land konden lezen over het dagelijkse leven van kinderen in andere landen, hun achtergrond, hun wensen en ambities; niet zielig, maar gewoon.

Ik heb de toespraken er nog eens op na gelezen die ik mocht houden ter gelegenheid van de uitreiking van de Dick Scherpenzeel prijs aan Jan Kees van der Werk in 1991, Michael Stein in 1992, Els de Temmerman in 1993, Jeroen Akkermans in 1994 en Koert Lindijer in 1996. Het waren pleidooien om te blijven schrijven en te blijven kijken, zoveel mogelijk van binnen uit. Blijf er naar toe gaan en ter plekke schrijven, zoals Jan Kees van der Werk, of filmen zoals Jeroen Akkermans. Blijf alsjeblieft kijken, zoals Els de Temmerman dat deed in Somalie, zodat de slachtoffers van het geweld weten dat zij niet vergeten worden. Blijf kritisch, zoals Michael Stein en Koert Lindijer, over leiders die zich weinig gelegen laten liggen aan het lot van de eigen bevolking. Een paar jaar geleden mocht ik een soortgelijk pleidooi houden ter gelegenheid van het vijftig jarig jubileum van World Press Photo: kom alsjeblieft naar Darfur, want “We need more stories and more pictures”.

Dat is de kern: blijf gaan, blijf kijken, blijf schrijven, fotograferen en filmen, en blijf kritisch.

Dat is niet altijd mogelijk. In Darfur worden journalisten en fotografen geweerd, niet alleen de buitenlandse media, maar ook de Soedanese. Zo kan het regime geweld uitoefenen tegen haar eigen bevolking, zonder dat de mensen in Khartoum en in het buitenland daarover regelmatig lezen of  verontrustende TV beelden zien. En in deze maand doet hetzelfde zich voor in Birma, waar de bevolking getroffen is door een natuurramp, over de omvang waarvan wij slechts kunnen speculeren, omdat het regime het land hermetisch afsluit. Maar dat zijn uitzonderingen. Wie wil kan kennis nemen van gebeurtenissen, ontwikkelingen, problemen, oplossingen, opvattingen en verwachtingen van mensen waar dan ook ter wereld. De technische ontwikkeling op het gebied van informatie, communicatie en media heeft dat mogelijk gemaakt, nagenoeg overal ter wereld, continue en stante pede, 24/7.  Er zijn bovendien meer buitenlandse correspondenten, meer reizende journalisten, meer locale persbureaus, meer mogelijkheden om zo snel mogelijk kennis te nemen van kranten die worden uitgegeven in andere landen, meer TV kanalen, en meer Internet sites. En wie wil hoeft niet te volstaan met feiten alleen. Een geïnteresseerde burger kan alom kennis nemen van achtergrond analyses, duidingen en commentaren, een breed en divers palet.

Ik ben niet ontevreden over de mogelijkheden die ik heb als krantenlezer, radioluisteraar, TV kijker, boekenkoper en Internet surfer, om mij een beeld te vormen over de wereld, inclusief voorheen de Derde Wereld. Uitzonderingen daargelaten, als ik er een beetje moeite voor doe en mij niet beperk tot mijn eigen taalgebied, is er veel meer informatie en analyse binnen bereik dan toen we de Dick Scherpenzeel prijs instelden. Die prijs blijft van belang, omdat net zoals Dick Scherpenzeel de door hem gevolgde beleidsmakers scherp hield, journalisten scherp gehouden mogen worden door degenen die hen volgen. Het gaat immers om diversiteit en kwaliteit.

Het maakbare nieuws

Kwaliteit waarvan? Vorig jaar werd de Dick Scherpenzeel prijs uitgereikt aan Joris Luyendijk. Meer dan terecht. Niemand had eerder zoveel aandacht weten te krijgen voor de kwaliteit van de verslaggeving vanuit ontwikkelingslanden met een dictatoriaal regime. Berichtgeving vanuit die landen is onvermijdelijk gefilterd, vervormd, gemanipuleerd, versimpeld en partijdig. Dat geldt eigenlijk ook voor berichtgeving vanuit minder dictatoriaal geregeerde ontwikkelingslanden, reageerden sommigen, en misschien wel voor alle berichtgeving, zeiden anderen. In het recentelijk verschenen boek Het maakbare nieuws vertellen collega’s van Luyendijk hoe zij als buitenlandcorrespondenten omgaan met de condities die deze filtering en vervorming van de berichtgeving in de hand werken. Wat zij schreven deed mij veel herkennen en begrijpen. Ik ben geen journalist, maar consument van berichtgeving en maker van beleid. Ik voel mijzelf zowel deskundige als student. In die capaciteit acht ik mij aan Luyendijk en zijn collega’s verwant. Ik herken de beperkingen die Luyendijk beschrijft. Als onderzoeker van ontwikkelingsprocessen ben ik mij er altijd van bewust geweest nooit genoeg te weten, bronnen te missen, noodzakelijkerwijs selectie toe te passen, voortdurend subjectieve informatie te ontvangen en gekleurde analyses te raadplegen, wanneer ik een studie verrichtte of een stuk moest schrijven. Als Minister voor Ontwikkelingssamenwerking wist ik dat mijn medewerkers, wier memoranda en notities ik las alvorens beslissingen te nemen, met dezelfde moeilijkheden kampten. Dat gold ook voor mijzelf, toen ik in Soedan als hoofd van de Verenigde Naties vredesmissie verantwoordelijk was voor de dagelijkse berichtgeving en frequente analyses ten behoeve van het VN hoofdkwartier in New York. Maar dat was nu eenmaal zo. De enige remedie is te blijven beseffen dat die beperkingen bestaan en proberen er het beste van te maken: nog meer informatie boven tafel krijgen, uit nog meer bronnen, nog meer checken, de grenzen van je kennis expliciteren, je conclusies nuanceren, de inzichten die je verworven hebt niet verabsoluteren, doch telkens opnieuw toetsen. Of, zoals Jan Blokker schrijft in de epiloog bij de artikelen gebundeld in Het maakbare nieuws, de waarheid misschien niet onthullen, maar wel dichterbij brengen.

Voorzover ik dat kan beoordelen hebben de meeste buitenlandcorrespondenten dat consciëntieus gedaan. Dat geldt ook voor de drie journalisten die voor de Scherpenzeelprijs 2007 zijn genomineerd: Jacqueline Maris, Bram Vermeulen en Aernout Zevenbergen. Het geldt ook voor die vele anderen, die ik volg, lees, beluister via de radio of van wier werk ik kennis neem via de TV, hoe kort de uitzendingen soms ook mogen zijn. Ik breng de door hen aan mij meegedeelde feiten met elkaar in verband, vergelijk ze met wat ik van anderen hoor, plaats ze in een context, bestudeer hun achtergrondbeschouwingen, savoureer hun analyses en weeg hun commentaren. Ik stel vast dat ik daar wat aan heb. Wat mij betreft valt het met de kwaliteit van de berichtgeving best mee.

Dat gold ook het afgelopen jaar. Geert Mak en Adriaan van Dis hebben het afgelopen jaar prachtige genuanceerde televisie programma’s kunnen maken over Europa en Afrika. Over de politieke strijd die zich dit jaar in Kenia heeft voltrokken hebben Koert Lindijer, Kees Broere en anderen inzichtelijk geschreven in Nederlandse dagbladen. Bovendien verschijnen er tegenwoordig heel wat belangwekkende boeken van journalisten en correspondenten over landen die zij bereizen of waarin zij werken.

Ik besef dat ik bevoorrecht ben. Ik ben een ervaren consument van nieuws en een gevorderde student. Maar je mag als journalist en correspondent eisen stellen aan je kijkers en lezers, en hen vragen ook anders gekleurde informatie tot zich te nemen, ook naar andere beelden te kijken en meer dan een achtergrondbeschouwing te lezen, alvorens een oordeel te vormen. Is dat te veel gevraagd?

Ik begrijp de ophef niet zo goed die ontstond na het verschijnen van Luyendijks Het zijn net mensen. Ophef over de kwaliteit van informatie aangaande andere landen en culturen is gerechtvaardigd, maar zij zou zich op iets anders moeten richten. De echte beperkingen liggen niet bij de journalisten en correspondenten die deze informatie vergaren, maar elders. Die beperkingen liggen vooral bij de kanalen waarlangs zij hun berichten en beschouwingen doorgeven en bij de instellingen die beslissen over de wijze waarop lezers, kijkers en luisteraars worden benaderd. Wanneer mensen door het huidige systeem van de media getrakteerd worden op infotainment, in plaats van op informatie, worden zij niet aangesproken op hun nieuwsgierigheid en hun intelligentie, maar op hun zucht naar amusement. Vaak gaat het nog verder dan het ondergeschikt maken van informatie aan de eisen van het entertainment. De meningsvorming, die op informatie dient te worden gebaseerd, ondergaat hetzelfde lot. Zij wordt vervormd tot ‘opiniotainment’: onvoldragen en gemakkelijk in het gehoor liggende uitspraken van ondeskundige zogeheten bekende Nederlanders, die denken de waarheid in pacht te hebben en wier mening men zich gemakkelijk toeeigent. De zich voortdurend herhalende brede maatschappelijke discussie over van alles en nog wat, die in Nederland haar intrede deed in de jaren zeventig, toen burgers zich hadden ontdaan van het ontzag voor autoriteiten, is verworden tot een luid en gemakkelijk nabauwen van populaire opvattingen. De zo welkome dekolonisatie van het individu en van de individuele mening – de term is destijds geijkt door Joop van de Berg – die voortvloeide uit de emancipatie van de jaren zestig, heeft tot nieuwe groepsvorming geleid. In plaats van traditioneel verzuilde groepen met verzuilde opinieleiders ontstonden hype groeperingen, neigend tot populisme. Daarbinnen wordt men aangetrokken door opvattingen waarbij men zich veilig en comfortabel voelt, al was het slechts omdat die opvattingen door velen gedeeld worden. Dat is niet de schuld van de media, maar media versterken die tendens, zeker commerciële media die afhankelijk zijn van kijk-, luister- en oplagecijfers.

Informatie over andere landen, volken, religies en culturen bereikt talloze mensen in ons land inderdaad pas na te zijn gefilterd, vervormd, gemanipuleerd, versimpeld en op een vooringenomen wijze te zijn gepresenteerd. Die manipulatie vindt allereerst plaats in landen waar de informatie wordt verkregen. Journalisten die weten van de hoed en de rand kunnen proberen dat te voorkomen en te corrigeren. De meeste van hen slagen daar ook wel in. Een groter probleem is echter de manipulatie binnen mediasystemen zelf. Lezers, kijkers en luisteraars worden bestormd met plat amusement, met continue reclame die mensen doet denken dat eigen comfort zaligmakend is, met spel en nog eens spel, met informatie en opinies aangepast aan de eisen van het entertainen, met een gebrek aan respect voor andere culturen, denigrerende opmerkingen over de Islam, met het idee dat alles in het Westen beter is dan de rest, dat wij de maat van alles zijn, met demagogie, generalisaties, clichés en versimpeling.

Er is veel goede berichtgeving over processen elders in de wereld. Er worden genuanceerde beschouwingen ten beste gegeven over andere landen en culturen. Journalisten en onderzoekers stellen serieuze pogingen in het werk om middels woord en beeld mensen uit andere landen tot leven te wekken in ons bewustzijn en aandacht te vragen voor de wijze waarop andere mensen leven, werken en denken. Maar die genuanceerde berichtgeving dreigt ten onder te gaan in het geweld van de domheid die ons wordt opgedrongen door mediacoryfeeën die zichzelf tot opinieleiders uitroepen, door managers die zweren bij hoge kijkcijfers naar infantiliserende programma’s en door de commercie die daarmee veel geld verdient. Aan het einde van de kanalen van informatie-, cultuur- en waarden overdracht vindt meer manipulatie plaats dan aan het begin.

Valt daar iets tegen te doen? Zeker: nog meer inspanningen om serieuze informatie en genuanceerde duiding daarvan te sturen langs de kanalen van cultuuroverdracht: kranten, tijdschriften, radio, televisie, blogs, boeken, de media in de breedste zin van het woord en het onderwijs. In aanvulling daarop: onderricht en opvoeding tot kritisch lezen, kijken en luisteren. Onderricht op school, op de universiteit en via de media zelf. Kritische lezers, kijkers en luisteraars kunnen protesteren tegen het feit dat zij behandeld worden als analfabeten, die informatie alleen in simpele vorm tot zich kunnen nemen en zeker niet op prime time benaderd zouden moeten worden met achtergrondbeschouwingen.

Tegenwicht kan ook geboden worden door mensen uit andere culturen dichtbij te brengen, hen te ontmoeten, hen zelf aan het woord te laten. Veertig jaar geleden schreef Dick Scherpenzeel over het “etnocentrisch denken” aan de kant van het Westen. Onze opvattingen, zo schreef hij, zijn niet alleen “op zich zelf voor discussie vatbaar, maar nog dubieuzer is het, ze te projecteren op een sociale werkelijkheid … waarvan de meeste westerlingen slechts een vertekend beeld hebben. Er zijn nog andere redenen om met de overdracht van deze opvattingen uiterst voorzichtig te zijn”, vervolgde hij. “Wij vergeten namelijk al te vaak, dat de westerse levenswijze een proces van ingrijpende heroriëntatie ondergaat en dat er bovendien, als we [andere landen en culturen] onze eigen beginselen en instituties voorhouden, in niet weinig gevallen een grote afstand is tussen theorie en praktijk in onze eigen samenleving”.

Dat geldt vandaag net zo zeer als toen. Nuance tegenover versimpeling. Terughoudendheid en relativering, naast betrokkenheid en kritische zin, bij journalisten en buitenlandcorrespondenten, maar vooral bij bazen die beslissen wat allemaal nog meer aan lezers, kijkers en luisteraars wordt voorgeschoteld.



Jan Pronk
Toespraak bij de uitreiking van de Dick Scherpenzeel prijs 2007 aan Jacqueline Maris
Den Haag, 19 Mei 2008.