Voorwoord in: Willem van het Hekke e.a. (red.), “Terug naar de aarde. Leven en lessen van Marinus van der Goes van Naters”. Nijmegen: R&Z Boeken (2026)

Rond de samensmelting van de Partij van de Arbeid en Groen Links tot één partij, PRO – ‘Progressief Nederland’ - klonken sceptische commentaren. Passen ze wel bij elkaar? Is Groen Links wel sociaal genoeg? Is de PvdA groen genoeg? Lopen de ideologieën en prioriteiten niet ver uit elkaar? Die vragen werden vooral door buitenstaanders gesteld, maar ook op de flanken van beide partijen klonken aarzelingen. Die gaven niet de doorslag. Integendeel. Vanuit beide partijen werd de fusie met overweldigende meerderheden gesteund. 

Nu komt het erop aan geïntegreerde politieke programma’s uit te werken en te realiseren. Dat moet op verschillende niveaus: nationaal, lokaal en internationaal. Dat dit niet van een leien dakje gaat bleek toen een keus gemaakt moest worden bij welke politieke familie in het Europese parlement fractieleden van PRO zich aansluiten: de Europese Groene Partij (EGP) of de Partij van Europese Socialisten (PES). De beginselen en ideologieën van beide families verschillen, maar zijn niet met elkaar in strijd. Doch de programmatische prioriteiten en politieke tradities lopen wel uiteen. 

Dat ligt ook voor de hand. In de eerste helft van de vorige eeuw kwam sociale vooruitgang pas tot stand na politieke strijd. Die vond niet alleen plaats binnen de formele politieke instellingen, maar vooral daarbuiten, ook op straat. Na de Tweede Wereldoorlog werd die strijd milder. Veel was al verworven; nu ging het om behoud en om stapsgewijs verdere verbetering. Accenten verplaatsten zich: om de gestelde sociale doelen te bereiken moest voldoende politieke macht worden verworven. In de strijd om die macht klonken machtswoorden, niet om te zegevieren, maar om binnen een uiteindelijk onvermijdelijk compromis aan een langer eind te trekken dan de tegenpartij. 

De strijd om behoud van de natuur en een beter milieu verliep anders. In de eerste helft van de vorige eeuw vond die alleen incidenteel plaats, bijvoorbeeld om een afgebakend stuk natuur te conserveren. Partijen en bewegingen die vochten voor sociale vooruitgang lieten dat soort groene onderwerpen doorgaans over aan de al bevoorrechte klasse, de elite.  Maar dat gold niet voor al die onderwerpen. Wanneer men aan den lijve ondervond dat een slecht leefmilieu een gevaar is voor gezondheid van iedereen, ook het sociaal achtergestelde deel van de bevolking, dan drong het besef door dat sociale strijd en het gevecht voor een betere leefomgeving twee kanten zijn van dezelfde medaille.   

Dat besef werd nooit algemeen en blijvend. Toen na de Tweede Wereldoorlog de gedachte de overhand kreeg dat economische groei en sociale vooruitgang niet met elkaar in strijd zijn, maar elkaar nodig hebben, bleef voor natuur en milieu weinig ruimte over. Vergroting van die ruimte werd gezien als een te zware belasting van een mogelijk compromis tussen de belangen van het kapitaal en die van werkenden, uitkeringsgerechtigden en consumenten. Over die belangen - vermogen, werk, inkomen, uitkering, wonen, boodschappen, bezit, prijzen, belastingen, e.d. - kon worden onderhandeld.  Ze zijn direct, concreet en particulier, ook wanneer ze worden verwezenlijkt in de vorm van publieke voorzieningen. Daarentegen werden de belangen van natuur en milieu gepercipieerd als indirect, collectief, algemeen of abstract. Ze waren zacht in plaats van hard en konden niet gemakkelijk in een machtsstrijd worden uitonderhandeld. 

Daarom werd politieke actie ten gunste van natuur en milieu meer en meer toegespitst op het hard maken van die belangen. Die moesten concreet en manifest worden, net zo persoonlijk als werk en inkomen. Zo kreeg politieke strijd voor natuur en milieu vaak de vorm van confrontatie in plaats van overleg, verzet in plaats van compromis, net zoals voorheen de sociale strijd.

Een politieke beweging kan haar doel op twee manieren proberen te bereiken. Men kan streven naar macht om zelf mee te beslissen en mee te sturen en besturen. Men kan ook opponeren: de macht van anderen beteugelen, beperken of bijsturen. In Nederland kozen vooral de SP (rood) en de Dierenpartij (groen) voor de tweede strategie. De PvdA streefde er altijd naar mee te delen in de macht. Dat Groen Links daar doorgaans genuanceerder tegenover stond, had niet alleen te maken met de politieke machtsverhoudingen, maar ook met bij verkiezingen, onderhandelingen en coalitievorming minder gemakkelijk hard te maken groene thema’s zelf. Die dolven vaak het onderspit, ook door toedoen van partijen als de PvdA, die de neiging hadden prioriteit te geven aan rode thema’s.

Dat gold ook in de tijd van Jonkheer Mr. Marinus van der Goes van Naters, vooraanstaand SDAP-socialist in de jaren dertig, gijzelaar gedurende de Duitse bezetting, na de oorlog fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer, afgetreden omdat hij het niet eens was met het Nieuw-Guineabeleid van de eigen regering, vervolgens Kamerlid in de jaren vijftig en zestig, lid van het Europese Parlement en het Parlement van de Raad van Europa in de jaren zeventig, zijn hele leven milieuactivist, ook op mondiaal niveau. Een ‘Rode Jonker’ met een groen hart? Dat is te zacht uitgedrukt: niet alleen zijn hart was groen, ook zijn geesteshouding en denktrant waren dat.

Hij was zijn tijd vooruit. Dat blijkt ook uit drie redevoeringen van een halve eeuw geleden, die in deze bundel zijn samengebracht. Toen al pleitte hij ervoor rechten toe te kennen aan de natuur. Hij bestempelde de eerste reis naar de maan, waar de hele wereld met bewondering naar keek, als een ‘nederlaag voor de mensheid’. Hij hekelde technologen en chemici die geen oog hadden voor biologie. Hij hekelde ambtelijke deskundigen die hun minister maar wat op de mouw speldden om critici van de economische groei te misleiden. Ook in die tijd waren bewindslieden niet wars van retoriek waarin zij drogredenen verstopten. Zo sprak minister Gielen in het Kamerdebat over de afgraving van een deel van de Pietersberg, die werkgelegenheid zou verschaffen, maar een ecologisch systeem zou verwoesten: “Mijne heren: U moet kiezen: mensen of vleermuizen”. Smerig, vond van der Goes.

Ik heb hem enkele malen ontmoet. De eerste keer in de jaren zeventig, toen hij zich hard maakte voor een ecologisch verantwoord Sahel-beleid. De brieven die hij mij als minister voor Ontwikkelingssamenwerking stuurde lieten aan duidelijkheid niets te wensen over.  Hij had een grote liefde voor Afrika, was vasthoudend en had gelijk. Dat had hij ook toen hij mij later aansprak over een oliepijplijn in Tsjaad (‘Wie profiteert daarvan?”) en over de noodzaak van internationaal onderzoek om Antarctica te redden.

Van der Goes dacht mondiaal, of, in zijn eigen woorden: planetair. Aan zijn instelling lag een weloverwogen visie ten grondslag. Begrippen en ideeën die thans gemeengoed zijn komen in zijn toespraken overtuigend beargumenteerd naar voren.

De mens stellen tegenover de natuur, dat is, aldus van der Goes, een foutieve  benadering. De mens staat niet boven de natuur, maar maakt deel uit van de natuur. Genesis 1 vers 26 wijst de verkeerde weg: de mens die zou heersen ‘over de vissen van de zee, de vogels van de hemel, en alle dieren die op de aarde rondkruipen’. Natuur conserveren ten behoeve van verbruik door toekomstige generaties is niet de juiste weg. Dat heeft met verduurzaming niets te maken. Het is een utilitaire benadering, die geen recht doet aan de wezenlijke betekenis van de natuur voor het leven. Gebruik maken van de natuur mag, verbruiken niet, nu noch in de toekomst. 

Anderzijds: de natuur staat ook niet boven de mens, want de mens is zelf natuur. Daarom moeten in de politiek keuzes gemaakt worden die recht doen aan de existentiële samenhang tussen mens, natuur, water, grond, atmosfeer, milieu en klimaat.

Dat zullen radicale keuzes moeten zijn. Die kunnen zelf alleen op een duurzame wijze worden gemaakt binnen een democratisch systeem, dat van het begin af aan rekening houdt met planetaire consequenties van nationaal beleid. Internationale solidariteit en samenwerking zijn essentieel.

De denkbeelden die  door van der Goes van Naters  werden uitgedragen stuitten bij tijdgenoten op weerstand. Maar als iemand het lang heeft volgehouden te proberen anderen binnen zijn eigen partij en daarbuiten te overtuigen, dan was hij dat. Bij zijn overlijden in 2005 was hij 104 jaar, nog steeds scherp van geest. 

In de toen net begonnen eenentwintigste eeuw is het iedereen nu wel duidelijk geworden dat natuur, milieu en klimaat geen zachte onderwerpen zijn. Opwarming van de aarde, zeespiegelstijging, gletsjerafbraak, droogte, overstromingen, bosbranden, virusuitbraken, verlies aan biodiversiteit, vergiftiging van de bodem en het water, het zijn allemaal onderwerpen die het leven van mensen in eigen land en daarbuiten heel direct raken. Die bedreigingen het hoofd bieden vereist een radicale visie, zoals die voorbehouden is aan groene sociaaldemocraten, thans verenigd binnen PRO. Degenen die zich aansluiten bij die nieuwe progressieve politieke beweging doen er goed aan oude tradities en vanzelfsprekendheden af te schudden. Er is een gezamenlijk programma nodig en een gezamenlijke strategie, gericht op het deelhebben aan de macht binnen een democratisch Nederland en een democratisch Europa, gericht ook op het zo effectief mogelijk beteugelen van de macht van anderen, zoals Big Tech, Big Fin en Big Oil, die de toekomst naar de hand willen zetten van de belangen van het kapitaal.  

Laten we nog maar eens luisteren naar Marinus van der Goes van Naters, de eerste Groen Linkser binnen de PvdA, grondlegger avant la lettre van PRO. 

 

Jan Pronk

Voorwoord in: Willem van het Hekke e.a. (red.),  Terug naar de aarde. Leven en lessen van Marinus van der Goes van Naters, pp. 7-14, Nijmegen: R&Z Boeken (2026),