Europa, het mondiale Zuiden en een andere wereldorde.
In: Socialisme en Democratie, 83 (3), mei 2026
Het jaar 2025 is het jaar waarin de internationale rechtsorde definitief aan haar eind kwam. De voortekenen waren al lang zichtbaar, maar de drastische ommekeer in de Amerikaanse politiek na de machtsovername door Trump gaf de doorslag. Alom wordt gespeculeerd over de gevolgen en over mogelijkheden om erger te voorkomen. Hoe kunnen de veiligheid, vrijheden en welvaart van Europa overeind blijven nu de grootmachten Verenigde Staten, Rusland en China zich in onderlinge confrontaties en bij conflicten met andere landen weinig gelegen laten liggen aan beginselen van internationaal recht?
In beschouwingen daarover raakt de rol van het mondiale Zuiden onderbelicht. Dat is vreemd, want in dat Zuiden leeft, zelfs wanneer China niet wordt meegeteld, het overgrote deel van de wereldbevolking. Gaat het in de nieuwe wereldverhoudingen alleen om een machtsspel tussen de VS, China, Rusland en Europa, zonder rekening te houden met de belangen van het Zuiden, of bieden de gewijzigde verhoudingen voor dit deel van de wereldbevolking juist nieuwe kansen?
Ik wil die vraag als volgt uiteenrafelen:
- In hoeverre heeft het mondiale Zuiden baat gehad bij de huidige internationale rechtsorde? Meer of minder dan het Westen?
- Wordt het Zuiden meer of minder dan het Westen geschaad door de afbraak van die rechtsorde?
- Hoe kan het Zuiden profiteren van een nieuwe orde?
- Welke rol kan dat Zuiden spelen bij herstel dan wel hervorming van de rechtsorde?
Na 1945
Terug naar 1945, toen de Verenigde Naties werden opgericht. Dat vond plaats in San Francisco, de Verenigde Staten. Onder de eerste ondertekenaars bevonden zich destijds staatkundig onafhankelijke landen in het Zuiden van de wereld: bijna alle landen in Centraal en Zuid-Amerika, enkele in het Midden-Oosten (Turkije, Iran, Irak, Egypte en Saudi-Arabië), twee in Afrika (Ethiopië en Liberia), en de Filippijnen. Ook India tekende, maar haar inwoners golden als niet onafhankelijke onderdanen van het Britse Rijk.
Met de oprichting werd beoogd veiligheid, stabiliteit en wereldvrede te verzekeren. De nationale soevereiniteit van alle landen zou worden gerespecteerd. Conflicten zouden niet meer op het slagveld worden uitgevochten maar aan de onderhandelingstafel worden opgelost. Anders dan na de Eerste Wereldoorlog waren de overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog bereid macht te delen met anderen. Dat gold ook voor Amerika, dat in vele opzichten het machtigste land van de wereld was geworden: militair, technologisch, economisch en politiek. Die bereidheid tot machtsdeling leidde tot de instelling van de Veiligheidsraad, waarin de permanente leden Amerika, de Sovjet-Unie, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en China een vetopositie kregen en enkele andere landen (eerst zes, nu tien) bij toerbeurt zitting kregen. Gekozen landen uit het Zuiden hadden binnen de Raad dezelfde rechten als niet-permanente leden uit het Noorden. Zij hadden geen veto recht. Dat bleef voorbehouden aan Oost en West.
Parallel aan de besprekingen over de oprichting van de Verenigde Naties hadden onderhandelingen plaatsgevonden over een nieuwe internationale economische orde, die stabiliteit moest brengen in de wereldeconomie. Die had na de Eerste Wereldoorlog geleden onder monetaire instabiliteit, handelsprotectionisme en massale werkloosheid. Daar moest een eind aan komen door de instelling van een wereldwijd Internationaal Monetair Fonds (IMF) dat toezicht hield op de wisselkoersen van de lidstaten en kredieten kon verstrekken wanneer een land in moeilijkheden kwam. Monetaire stabiliteit zou worden verzekerd met behulp van een vaste omwisselingskoers tussen het goud en de dollar, de valuta van het machtigste land van de wereld. Parallel daaraan werd de Wereldbank opgericht. Die zou investeringen financieren die noodzakelijk waren voor wederopbouw en economische groei. Het ging in eerste instantie om Westerse landen, maar toen hun naoorlogs herstel op gang gekomen was en men zich voor financiering van infrastructurele investeringen kon wenden tot de kapitaalmarkt, ging de aandacht van de Wereldbank uit naar de economische ontwikkeling van landen in het Zuiden.
De onderhandelingen hierover waren in 1944 afgerond in Bretton Woods, eveneens in de Verenigde Staten. Ook in de Bretton Woods instellingen werd de macht gedeeld: alle landen konden meebeslissen naar rato van een toegekend quotum. Maar de quotaverhoudingen waren zo vastgesteld dat de meerderheid van het Westen was gewaarborgd. Inspraak van het Zuiden was nagenoeg nihil. Net als andere landen hadden ontwikkelingslanden het recht de waarde van hun valuta te devalueren of revalueren, na goedkeuring door de Board van het IMF, maar daarin hadden Westerse landen de meerderheid. Hun visie op wat goed was voor de ontwikkeling van het Zuiden gaf de doorslag. De Wereldbank verstrekte leningen onder voorwaarden die gezamenlijk waren overeengekomen, maar ook in die gezamenlijkheid had het Westen alles te vertellen.
Het was de bedoeling dat dit stelsel gecomplementeerd zou worden door een internationale handelsorganisatie (ITO), om de wereldhandel te stabiliseren en stimuleren. Maar de VS vreesden dat dit tot beperking van internationale vrijhandel zou leiden en gingen niet akkoord. Uiteindelijk kwam in 1947 alleen een verdrag tot stand om door middel van onderhandelingen de hoge invoerrechten af te breken die landen tijdens de crisis van de jaren dertig hadden ingevoerd om hun economie te beschermen: de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Dat verdrag berustte op drie uitgangspunten: non-discriminatie, wederkerigheid en transparantie. Die waren in ieders belang. Landen mochten hun economie beschermen met een hoger tarief, althans na overleg met de handelspartners en die mochten tegenmaatregelen nemen, mits proportioneel.
De achtereenvolgende onderhandelingsrondes waren succesvol: na veertig jaar was de wereldhandel geliberaliseerd. Het Zuiden was daar gedeeltelijk bij gebaat: vrijheid gedijt bij gelijkheid, maar bij ongelijkheid profiteert een sterker land in het Noorden meer van lage importtarieven van een zwakkere partner in het Zuiden dan omgekeerd. Naarmate de tarieven daalden namen niet-tarifaire handelsbelemmeringen toe. Sterke Westerse landen hadden meer mogelijkheden om die op te leggen dan landen in het Zuiden. Bovendien kwamen belangrijke sectoren - grondstoffen, landbouw, het dienstenverkeer - binnen de GATT niet aan bod. Wat grondstoffen betreft was het Zuiden vooral geïnteresseerd in stabilisatie en geleidelijke toeneming van de exportinkomsten, maar onderhandelingen daarover leidden tot niets. Op het gebied van de landbouw konden de VS en Europa lang doorgaan met wederzijdse beschermingsmaatregelen. Die troffen vooral het Zuiden. In het dienstenverkeer (banken, verzekeringen, patenten, transport, communicatie en informatie) domineerden Westerse ondernemingen. Deze kregen in de genoemde sectoren en in de land- en mijnbouw een transnationaal karakter, omdat zij wereldwijd opereerden en zich steeds meer aan nationale regulering konden onttrekken. In feite stond ‘transnationaal’ voor: Westers kapitaal, Westerse technologie, Westers eigendom en Westers management.
Daarnaast werden VN-organisaties in het leven geroepen voor andere thema’s, zoals Voedsel en Landbouw (FAO), Onderwijs en Cultuur (UNESCO), Gezondheid (WHO), Vluchtelingen (UNHCR) en Handel en Ontwikkeling (UNCTAD), terwijl enkele bestaande organisaties, zoals voor Arbeid (ILO), onder de VN-paraplu werden gebracht.
De rechtsorde die aldus vorm kreeg was ambitieus. Voor het eerst in de geschiedenis kwamen verdragen tot stand die golden voor alle landen. Op breed terrein - veiligheid, handel, financiën, ontwikkeling - werden afspraken gemaakt, procedures vastgelegd en instellingen gecreëerd die toezagen op naleving en sancties konden opleggen. Het was een doorbraak. Tot dan gold politiek, economisch en militair het recht van de sterkste: macht boven recht, politiek zowel als economisch. Maar na 1945 mochten alle landen zich beschermd achten door recht.
Dat in de nieuwe internationale orde macht niet meer ongebreideld was, maar door rechtsregels werd beperkt, kon echter pas worden afgesproken toen de grootmachten erop mochten vertrouwen dat hun veiligheid en die van landen in een nabije omgeving die zij als hun invloedsfeer beschouwden, niet zou worden aangetast door agressie van andere grootmachten. Om hun eigen belangen te beschermen en die van de anderen te respecteren sloten Amerika, de Sovjet-Unie en het Verenigd Koninkrijk, de overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog, na onderhandelingen in 1945 in Jalta een akkoord waarmee zij hun invloedssferen wederzijds afbakenden.
Zo’n akkoord heeft niets te maken met recht, maar alles met macht en veiligheid. Doch dit veiligheidspact tussen de grootmachten opende de weg naar een akkoord over een wereldwijde rechtsorde en een wereldwijde economische orde. Zonder Jalta waren San Francisco en Bretton Woods niet mogelijk geweest.
Die rechtsorde werd geleidelijk uitgebouwd met verdragen en instellingen op andere terreinen, zoals milieu en klimaat. Het stelsel had tekortkomingen, zoals de eenzijdige samenstelling van de Veiligheidsraad. Het werd ook vaak geschonden, juist door permanente leden van die Raad. Maar er werden ook successen geboekt. Tussen de grootmachten rezen conflicten, maar die leidden niet tot een Derde Wereldoorlog. Die te voorkomen was eigenlijk het hoofddoel van de nieuwe orde. De kans dat na de Tweede Wereldoorlog een oorlog zou uitbreken tussen Amerika en het Verenigd Koninkrijk enerzijds en de Sovjet-Unie anderzijds was reëel. Aan beide kanten stuurden bepaalde belangengroepen daarop aan. Maar de overeenkomsten van Jalta en San Francisco hielden stand. Dat succes had een keerzijde: binnen de eigen invloedsfeer konden de VS en de Sovjet-Unie ongehinderd opereren om hun macht te consolideren. Dat betekende Sovjetoverheersing van Centraal-Europese landen die slechts in naam onafhankelijk waren, Amerikaanse militaire bases over de hele wereld, covert operaties buiten eigen grenzen en interventies in landen waarbinnen ontwikkelingen plaatsvonden die niet naar de zin waren van een van de grootmachten. Vietnam, Afghanistan, Zaïre, Chili, Iran en andere landen in het Zuiden werden het slachtoffer, soms van een massale invasie, soms door regime change van buitenaf.
Na Hiroshima en Nagasaki (beide nog in 1945) viel er echter geen derde atoombom. Dat was het tweede essentiële succes van de nieuwe rechtsorde. Onderhandelingen resulteerden in akkoorden om de nucleaire bewapening te beheersen. De verspreiding van massavernietigingswapens die de hele wereld konden treffen werd beperkt. De Cubacrisis, die ontstond toen de Sovjet-Unie zich begaf binnen de invloedssfeer van de Verenigde Staten, werd politiek opgelost en leidde niet tot een kernoorlog.
Een derde verworvenheid van de nieuwe orde was dat naast de pijler van de nationale soevereiniteit een tweede pijler tot stand kwam: het Verdrag over de Rechten van de Mens (1948). In essentie kwam het erop neer dat alle mensen, zonder onderscheid naar ras, geloof, geslacht of anderszins, gelijke rechten hadden, zowel onderling als tegenover hun overheid. Die moest hun rechten respecteren en beschermen. Zo niet, dan kon zij daarover binnen het kader van de VN worden aangesproken. Het waren doorbraken in de beschaving: alle mensen over de hele wereld hebben gelijke rechten en overal ter wereld, in Oost, West en Zuid, zijn mensen belangrijker dan staten.
Deze drie successen zouden zonder de VN nooit zijn geboekt. Dat gold ook voor een vierde succes: binnen niet meer dan drie decennia waren bijna alle voormalige koloniën onafhankelijke natiestaten geworden. Dat was een onvermijdelijk gevolg van de oprichting van de VN: dat geen enkel land een ander mocht aanvallen of bezetten gold immers niet alleen Duitsland, Italië en Japan, de agressoren van de Tweede Wereldoorlog, maar ook Westerse landen die andere hadden gekoloniseerd. Soms vond de bevrijding van het koloniale juk plaats op een vreedzame manier, soms ging die gepaard met strijd. Maar wanneer een voormalige kolonisator tegenstribbelde, zoals Nederland over Indonesië, werd die vanuit de VN tot de orde geroepen.
Het mondiale Zuiden: de Twee-Derde Wereld
Zo ontstond een grote groep voormalige koloniën in het Zuiden van de wereld, een ‘Derde Wereld’, naast die van Oost en West. Zij zochten een eigen weg en verklaarden zich op een conferentie in Bandung, Indonesië (1955), politiek en ideologisch niet gebonden aan Oost of West. Binnen de VN traden zij gezamenlijk op als Groep van 77, naar hun aanvankelijke aantal. Dat werd in de loop der jaren groter. Het is nu verdubbeld, met samen bijna twee-derde van de wereldbevolking. Alleen al door haar getal kreeg deze groep steeds meer invloed in de organen van de Verenigde Naties. Zo werd onder hun invloed het concept van de mensenrechten uitgebreid, zodat niet alleen burgerlijke en politieke rechten en vrijheden eronder vielen, maar ook sociaaleconomische rechten. Bevordering van de ontwikkeling van deze landen via internationale ontwikkelingssamenwerking werd een hoofdthema van de activiteiten van VN-organisaties. Door de VN werden na 1960 drie ontwikkelingsdecennia uitgeroepen. Voor elk daarvan werd door de Algemene Vergadering van de VN een strategie overeengekomen die moest resulteren in versnelde sociaaleconomische ontwikkeling van het Zuiden. Soms kregen groepen ontwikkelingslanden een voorrangspositie, zoals preferentiële handelstarieven, ontwikkelingshulp in de vorm van giften of een speciale behandeling van minst ontwikkelde landen, eilandeconomieën en landen zonder toegang tot de zee. Dat was zonder de nieuwe rechtsorde niet gelukt.
De ontwikkelingslanden wilden meer en bepleitten een Nieuwe Internationale Economische Orde (NIEO). De principes en regels die in 1945 waren overeengekomen hielden volgens hun te weinig rekening met de behoeften van arme landen. Die waren dan wel staatkundig onafhankelijk, maar konden in economisch opzicht weinig profiteren van de verworven zelfstandigheid. De internationale verhoudingen waren nog steeds ongelijk en ontwikkelingslanden stuitten op neokoloniale hindernissen. Vervolgens namen zij het initiatief tot VN-onderhandelingen over NIEO. Deze werden in 1975 met succes afgerond, maar operationele stappen bleven uit.
Inmiddels was een nieuw platform ontwikkeld, de VN-organisatie voor Handel en Ontwikkeling (UNCTAD). Daarbinnen werd onderhandeld over economische onderwerpen die belangrijk waren voor het Zuiden. Concrete resultaten werden niet geboekt. Vervolgens werd in het kader van de VN, wederom op initiatief van Zuidelijke landen, een nieuwe Ronde van Wereldwijde Onderhandelingen gelanceerd, maar die stierf een stille dood. Wel werd, toen de GATT haar taken had voltooid, een nieuwe internationale handelsorganisatie (WTO) opgericht met meer zeggenschap voor landen uit het Zuiden. Door tegenstellingen tussen de VS en Europa kwamen wereldwijde afspraken echter niet van de grond.
Omdat de internationale orde onvoldoende was hervormd, hadden ontwikkelingslanden in de jaren tachtig geen andere keus dan zich via bezuinigingen aan te passen aan de realiteit van een verzwakte wereldeconomie. Hun ontwikkeling stagneerde en de bestaande orde bood weinig soelaas. Maar aan het eind van de Koude Oorlog ontstond ruimte voor hervorming. In het decennium dat volgde werd in het kader van de VN intensief overlegd over mogelijkheden tot bevordering van het welzijn in het Zuiden. Op VN-topconferenties over milieu en ontwikkeling (UNCED, Rio de Janeiro, 1992), mensenrechten (Wenen, 1993), bevolking (Cairo, 1995), sociale ontwikkeling (Kopenhagen 1995), vrouwen en ontwikkeling (Beijing, 1997), werd over consensusdeclaraties onderhandeld die samen het verschil moesten maken. De Secretaris-Generaal van de VN, Boutros Ghali, lanceerde wereldwijde agenda’s om democratie, vrede en ontwikkeling in het Zuiden te bevorderen. Er werd een begin gemaakt met een gezamenlijk beleid om de klimaatcrisis te bestrijden. Het mondiale Zuiden werd vooralsnog gevrijwaard van verplichtingen om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan, want dat zou hun economische ontwikkeling schaden. De crisis was immers veroorzaakt door een accumulatie in de atmosfeer van broeikasgassen die sinds de industriële revolutie waren uitgestoten door bedrijven en landen in het Westen. Zo kreeg, na een tussenpoos van tien verloren jaren, het Zuiden in de jaren negentig meer ruimte om, met inachtneming van universele beginselen van de internationale rechtsorde, eigen doelstellingen te verwezenlijken. Weliswaar trachtten Westerse landen het nieuwe neoliberale gedachtengoed van de Washington Consensus – vrij baan voor marktmechanismen, vrij internationaal kapitaal-, goederen- en dienstenverkeer, bevordering particulier eigendom, terugtreding van de overheid in tal van sectoren, privatisering en deregulering - op te dringen aan het Zuiden, maar de VN-agenda’s van de jaren negentig boden tegenwicht. Ontwikkelingslanden die zich vrijer durfden opstellen tegenover het Westen verzetten zich tegen overmatige liberalisering van hun economie en verkozen een eigen koers. De ontwikkelingen gingen in de nieuw aangebroken fase van globalisering echter zo snel dat men, ondanks stappen vooruit, achter de feiten aanliep. Teksten van verklaringen en resoluties waren veelbelovend, maar zij bleven vaak een dode letter of werden halfhartig tot uitvoering gebracht.
Dat bleek opnieuw rond de eeuwwisseling, toen in het kader van de VN een in prachtige bewoordingen geformuleerde Millennium Declaratie werd aangenomen. Acht Millenniumdoelen werden overeengekomen. Gezamenlijk moesten zij binnen vijftien resulteren in halvering van de armoede in de wereld. Dat was ambitieus, maar haalbaar. Het doel werd echter niet bereikt. Verderstrekkende Duurzame Ontwikkelingsdoelen, die vijftien jaar later werden overeengekomen met het jaar 2030 als deadline, zijn nog verder van realisatie verwijderd. Dat heeft voor het Zuiden ernstiger gevolgen dan voor het Westen. Het overgrote deel van de armoede (tekort aan drinkwater, kindersterfte, verspreiding van ziekten, gebrekkig onderwijs en slechte huisvesting) vinden we in het Zuiden. Wie leeft aan de rand van een broos bestaan kan zich niet verweren tegen aantasting van het leefmilieu, bijvoorbeeld door klimaatverslechtering, verdroging, bodemerosie, vervuiling, ontbossing, overbevissing, biodiversiteitsverlies en dumping van chemicaliën.
Dat is deels het gevolg van tekortschietend nationaal beleid en deels van het afbrokkelen van de internationale rechtsorde. Het buiten werking stellen van het Kyotoprotocol bij het internationale Klimaatverdrag, dat landen op straffe van sancties verplichtte hun emissies van broeikasgassen te reduceren, was een teken aan de wand. De verplichting werd ingeruild voor de belofte dat men zijn best zou doen, maar daar kwam weinig van terecht. De temperatuurstijging overschrijdt kritische grenzen. Klimaatverslechtering voor het Zuiden, dat in het verleden minder broeikasgassen uitstootte dan het Westen, grotere gevolgen dan het Westen. Zuidelijke landen hebben bovendien minder middelen om die gevolgen op te vangen dan Westerse landen.
Afbrokkeling
De afspraken in het kader van de internationale rechtsorde hadden het uitbreken van een derde wereldoorlog weliswaar voorkomen, maar de tegenstellingen tussen Oost en West leidden tot een Koude Oorlog die vooral werd uitgevochten in het Zuiden.
In veel nieuwe staten braken burgeroorlogen uit, vaak als gevolg van tegenstellingen die voortvloeiden uit koloniale verhoudingen die door het Westen waren opgelegd. In die binnenlandse oorlogen kozen Amerika, de Sovjet-Unie en de voormalige kolonisatoren vaak partij. Soms staken zij de brandhaarden aan, joegen zij ze op, of intervenieerden zij politiek en militair. Westerse landen zochten hun economische belangen te beschermen door invloed te houden in hun voormalige koloniën. De VS en de Sovjet-Unie wilden voorkomen dat veranderingen binnen een land in het Zuiden zouden leiden tot aantasting van de eigen invloedssfeer, of tot een overstap naar die van de andere grootmacht. Bijna geen land in het Zuiden is na verkregen onafhankelijkheid aan dergelijke inmenging ontkomen. Miljoenen slachtoffers vielen in burgeroorlogen in Angola, Ethiopië, Congo, Mozambique, Soedan, Chili, Indonesië en Cambodia.
Engeland, Frankrijk en Israël voerden oorlog tegen Egypte toen Nasser het Suezkanaal had genationaliseerd. Frankrijk en de VS voerden oorlog in Vietnam; de Sovjet-Unie in Afghanistan. Israël vocht meerdere oorlogen uit met Arabische buurlanden. Irak en Iran met elkaar. Het waren ernstige schendingen van de internationale rechtsorde. Maar op een gegeven moment volgde internationaal overleg in het kader van de VN, waarna de-escalatie kon intreden. Dat kon resulteren in een wapenstilstand, stabilisatie, humanitaire corridors, herstel, wederopbouw en soms een rechtsgang.
Na het einde van de Koude Oorlog verminderde zowel in Washington als in Moskou de neiging een eigen invloedssfeer in stand te houden. Veranderingen in het Zuiden werden niet meer tegengehouden door de grootmachten. Maar sommige resulteerden ook in de jaren negentig in ernstige burgeroorlogen, waarbij mensenrechten op grote schaal werden geschonden: Rwanda, Burundi, Congo, Liberia, Somalië, Bosnië, Soedan, Syrië. Binnen de VN werd overlegd over gezamenlijke operaties om de bevolking te beschermen en vrede te bewerkstelligen - Bosnië. Cambodja, Congo, Rwanda, Somalië, Soedan en Haïti - maar ze kwamen vaak te laat en waren zelden effectief.
In de rechtsorde van na 1945 hadden landen, wanneer het internationale recht werd geschonden, de mogelijkheid in het geweer te komen en zich te beroepen op overeengekomen procedures en rechtsbeginselen. Vaak eerst zonder succes, maar er kwam altijd een moment waarop een conflict naar een onderhandelingstafel worden geleid waar die beginselen golden. Ze waren geschonden, maar bleven als ijkpunt en beroepsgrond overeind. Schendingen hebben altijd plaatsgevonden, maar de rechtsorde zelf en haar beginselen bleven overeind. Regeringen beseften dat de internationale gemeenschap daar waarde aan hechtte. Ze konden er niet continue mee doorgaan, maar moesten terughoudendheid betrachten.
Dat veranderde rond de eeuwwisseling. Het begon met de luchtaanvallen van de NAVO op Kosovo en Belgrado, zonder dat toestemming aan de Veiligheidsraad was gevraagd. Dat werd herhaald in 2003, toen de Amerikanen Irak binnenvielen onder het voorwendsel dat daar massavernietigingswapens waren opgeslagen. Twee jaar eerder waren de VS, in antwoord op 9/11, Afghanistan binnengevallen. Daar had de Veiligheidsraad wel een internationale legermacht (ISAF) gemandateerd, maar de VS stuurden ook een eigen legermacht.
De NATO-bombardementen op Libië in 2011 hadden wel toestemming van de Raad, maar op voorwaarde dat het regime niet ten val zou worden gebracht. Dat gebeurde wel. Sindsdien werd het buitengewoon moeilijk binnen de Raad consensus te bereiken over interventies in landen waar conflicten escaleerden. Dat betekende dat een nieuw principe, waarover de Raad eenstemmigheid had bereikt, de Responsiblity to Protect - verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap wanneer een regime de eigen bevolking niet wil of kan beschermen - nooit naar behoren is toegepast.
In de eerste twee decennia van deze eeuw volgden herhaaldelijke Israëlische aanvallen op Gaza, agressie van Rwanda in Oost-Congo, burgeroorlogen in Libanon, Soedan en Syrië en de Russische invasie van Oekraïne, eerst op de Krim, daarna in Donbas. Bij al deze conflicten bleek de internationale rechtsorde vleugellam. De grootmachten gaven anderen te verstaan dat de uitgangspunten van de internationale politieke orde die destijds was overeengekomen niet meer golden.
Zo ging het bergafwaarts, niet alleen vanwege schendingen van internationaal recht waartegen binnen de rechtsorde niet werd opgetreden, maar omdat die rechtsorde zelf onder druk kwam te staan. Dieptepunt werd Israël, dat zich richting de Palestijnen in bezet gebied van de West Bank en Gaza, en tegenover landen in de regio niets gelegen liet liggen aan beginselen van oorlogsrecht en humanitair recht. Voor de ogen van de rest van de wereld werd genocide gepleegd. Het Westen keek weg. De VS stemden er zelfs mee in. Daar kwamen in 2026 de Amerikaanse inval in Venezuela en de Amerikaans-Israëlische bombardementen op Iran overheen, zonder legitieme rechtvaardiging.
Afbrokkeling was al eerder begonnen. In 1971 had President Nixon eenzijdig de band verbroken tussen de dollar en het goud, waardoor een eind kwam aan het in Bretton Woods overeengekomen stelsel van vaste wisselkoersen. De meeste landen konden de economische gevolgen opvangen, maar het vertrouwen kreeg een knak. Wanneer de het machtigste land ter wereld, initiator en hoeder van de internationale rechtsorde, eigenmachtig een eind maakt aan een essentieel element daarvan, zullen andere volgen. Dat gebeurde dan ook, zowel op het gebied van de veiligheid (de heimelijke ontwikkeling van een kernwapen door Israël) als sociaaleconomisch. De WTO werd verlamd doordat de VS weigeren personen te benoemen in het beroepsorgaan dat een cruciale functie vervult bij de beslechting van handelspolitieke geschillen. De ieder-voor-zich praktijk van Westerse landen bij de aankoop van vaccins gedurende de Corona epidemie, waarbij voor het Zuiden weinig overbleef, is een ander voorbeeld.
Daarmee werden de uitgangspunten van de internationale economische orde die in de jaren veertig was overeenkomen (non-discriminatie, wederkerigheid en transparantie) opnieuw geweld aangedaan. Meer en meer werd de wereldeconomie geplaagd door instabiliteit en gekenmerkt door ongelijke toegang tot de bronnen van de welvaart en ongelijke verdeling van de welvaart zelf. Na de eeuwwisseling veranderde die internationale economische orde drastisch, toen transnationale ondernemingen - BigTech en BigFin - zich gingen onttrekken aan de politieke en rechtsmacht van nationale regeringen en intergouvernementele organen. Sommige streefden zelf naar politieke macht. Andere spanden samen met landen die in hun streven naar hegemonie zich overal ter wereld wilden verzekeren van essentiële grondstoffen en energie. BigTech beheerst overal ter wereld de informatie- en communicatiekanalen en de oorlogsindustrie.
Inmiddels gaat het niet slechts om verzwakking van instituties van de rechtsorde. Ook achterliggende rechtsbeginselen worden ondermijnd en verliezen gezag. Wanneer lidstaten in conflictsituaties hun geldigheid ontkennen volgt een aanval op die orde zelf. Zij wordt niet alleen geschonden, haar bestaan wordt ter discussie gesteld en de rechtsbeginselen worden bij het vuil weggezet. Hegseth, de Amerikaanse minister van Oorlog, verklaarde zelfs dat de VS zich niets gelegen wil laten leggen aan het oorlogsrecht. Dat betekent vrij spel voor het doden van gevangenen, martelen van tegenstanders en aanvallen op de burgerbevolking en de civiele infrastructuur. Instituties met een mandaat om daartegen op te treden (Internationaal Gerechtshof, Strafhof, VN-instellingen) worden doelbewust ontmanteld.
De rechtsorde brokkelt al jaren af, bleef eerst overeind, maar werd stelselmatig ondermijnd. Nu heeft Trump er een eind aan gemaakt. De Verenigde Staten streven naar iets nieuws: een Vredesraad waarin de Amerikanen alles voor het zeggen hebben. Meepraten door landen met minder macht wordt een schijnvertoning. Amerika is niet langer bereid macht met anderen te delen, maar streeft naar hegemonie en nieuwe invloedsferen.
Er is weinig over. En dat terwijl we het eigenlijk aan de VS te danken hebben dat aan het einde van de Tweede Wereldoorlog niet werd gekozen voor een ‘winner takes all’ benadering, maar voor een vorm van machtsverdeling, waarbij ook de machtigste landen in de Veiligheidsraad, het IMF en andere instellingen aan spelregels werden gebonden. Juist de VS, de hoeder van het stelsel, gaan voorop in de verloochening van beginselen van internationaal recht.
De drie nieuwe internationale ordes die in de jaren veertig werden gecreëerd – een politieke, een economische en een rechtsorde – hingen met elkaar samen en stutten elkaar. De afbrokkeling van elk van deze drie versterkte verkruimeling van de andere. Binnen een internationale rechtsorde wordt nationaal beleid gestimuleerd en gecoördineerd, kan tekortschietend beleid worden bekritiseerd, gesanctioneerd en gecompenseerd. Maar wanneer die rechtsorde zelf verzwakt verstomt kritiek, houden andere landen zich stil, blijven sancties en compensaties uit en vallen de remmen weg.
Per saldo
Terug naar de vragen aan het begin: In hoeverre heeft het mondiale Zuiden baat gehad bij de huidige internationale rechtsorde? Meer of minder dan het Westen? Wordt het meer of minder geschaad door de afbraak van die rechtsorde? Wie de geschiedenis van de afgelopen tachtig jaar overziet zal concluderen dat de internationale orde die in 1945 ontstond ontegenzeggelijk meer stabiliteit, veiligheid, vrede en welvaart heeft gebracht dan mogelijk was geweest bij bestendiging van de verhoudingen van de eerste helft van de twintigste eeuw. Het Zuiden heeft geprofiteerd: koloniën werden onafhankelijk, het begrip ‘nationale soevereiniteit’ gold ook voor hen, zij mochten niet meer worden aangevallen of bezet, zij konden over alles meepraten in de overlegorganen van de nieuwe volkerengemeenschap, daarbinnen konden zij zich hard maken tegenover Westers neokolonialisme, er kwamen wereldwijde initiatieven om hun economische ontwikkeling te versnellen, en de mensenrechten van hun inwoners werden op voet van gelijkheid erkend.
Als er in 1945 geen nieuwe internationale rechtsorde was gecreëerd zouden deze doorbraken niet tot stand zijn gekomen. Dan zouden de economische en politieke wetten van de jungle van voor de Tweede Wereldoorlog zijn teruggekeerd en het recht van de sterkste gelden. In dat opzicht betekent afbraak van de internationale rechtsorde groot verlies, voor de wereld als geheel en zeker voor het mondiale Zuiden.
Maar het was geen rozengeur en maneschijn. Zoals gezegd: sommige landen in het Zuiden vielen ten prooi aan neokoloniale praktijken. Zij verzeilden gedurende de Koude Oorlog, en nu opnieuw, in beklemmende invloedsferen van grootmachten, die hun regimes steunen, ook wanneer zij de bevolking onderdrukken. De economische hulp die was toegezegd werd mondjesmaat verleend. Voortgaand ongelijke internationaal-economische machtsverhoudingen werden voor veel landen een keurslijf, terwijl gevolgen van de wereldwijde klimaatcrisis, waarvoor het Zuiden minder verantwoordelijk was dan het Westen, op haar werden afgewenteld. In de nieuwe economie van de 21e eeuw, met een grote vraag naar grondstoffen, energie en metalen ten behoeve van de productie van technologisch hoogwaardige producten in het Noorden en China, wordt de twee-derde wereld van het Zuiden opnieuw benaderd als wingewest.
Per saldo is toch de conclusie dat de rechtsorde die in 1945 werd gevestigd belangrijke voordelen heeft gehad, zowel voor Europa als voor het mondiale Zuiden. Wie meent dat de afbrokkeling het Zuiden de mogelijkheid biedt zich aan de politieke en economische macht van landen, bedrijven en financiële instellingen in het Noorden te ontworstelen, heeft het mis. Dat is alleen weggelegd voor grotere landen als India, Brazilië, Zuid-Afrika, Nigeria, Saudi-Arabië en dan alleen nog als zij beschikken over een hefboom bij onderhandelingen met het Westen, zoals een grondstoffenmonopolie of een geopolitiek belangwekkende ligging. Dor de bank genomen geldt: verkruimeling van de rechtsorde leidt ertoe dat macht weer in de plaats komt van recht, dat ongelijke machtsverhoudingen niet door universele rechtsbeginselen worden beteugeld. Dat brengt bevolkingen in het Zuiden de meeste schade toe. Grote delen van de wereldbevolking vissen naast het net.
Hoe nu verder?
Is de internationale rechtsorde nog te redden? Is zij inmiddels zo ontwricht dat pogingen tot herstel geen zin meer hebben? Moeten we opnieuw beginnen, van voren af aan, om een nieuwe orde te creëren? Of moeten we minder ambitieus zijn en genoegen nemen met alleen regionale afspraken, eventueel tussen Europa en Zuidelijke landen?
Of we de rechtsorde overeind kunnen houden is onzeker. Maar het is het proberen waard. Niet omdat die rechtsorde ideaal was, maar omdat wereldwijde uitdagingen - grensoverschrijdende oorlogen, nucleaire proliferatie, klimaatcrises, grondstoffen schaarste, toegang en gebruik van de ruimte en de oceanen, biodiversiteitsverlies, vluchtelingenstromen, Artificial Intelligence die de mens sturing van processen en conflicten uit handen neemt - gezamenlijk moeten worden aangepakt. Als landen dat op eigen houtje doen, dreigt chaos. Als zij alleen voor zichzelf oplossingen nastreven en andere wegdrukken, dreigt oorlog. Bovendien, kleinere landen, alsook mensen die geregeerd worden door autoritaire regimes, kunnen in beginselen en procedures van een rechtsorde bescherming vinden tegenover machten die uit zijn op eigen belang en eigen gewin.
Daarom: terug naar de kern, de waarden en beginselen van de internationale rechtsorde zoals die destijds werden overeengekomen: (1) universele wereldwijde gelding, (2) nationale soevereiniteit, (3) mensenrechten, (4) machtsdeling, (5) conflictoplossing door overleg in plaats van geweld. Instellingen en procedures mogen veranderen en juridische overeenkomsten kunnen worden herijkt, maar deze vijf kernbeginselen moeten overeind blijven. Ze zijn belangrijk voor alle landen en essentieel voor Europa en het mondiale Zuiden
Dat kan niet zonder hervorming van de VN. Momenteel vindt binnen het kader van de VN een hervormingsexercitie plaats omdat er bezuinigd moet worden. Dat is de verkeerde reden. Het gaat erom een VN-structuur te scheppen die helpt bovengenoemde uitdagingen van de 21e eeuw de baas te worden. Dat zijn niet dezelfde als die van 1945. Bovendien moet een hervorming niet beginnen bij de afzonderlijke VN-organisaties, maar bij de intergouvernementele besluitprocedures binnen de VN, inclusief de Veiligheidsraad.
In 1945 ging in Jalta een proces van wederzijds vertrouwenwekkende toezeggingen op veiligheidsgebied vooraf aan de instelling van de nieuwe internationale rechtsorde in San Francisco en een nieuwe economische orde in Bretton Woods. Het denken in termen van invloedssferen is helaas terug en bedreigt de wereldvrede. Het zou niet zo moeten zijn, maar geopolitiek pragmatisme vereist dat een hervorming van de VN gepaard gaat met nieuwe onderhandelingen over wederzijdse veiligheid en (nucleaire) wapenbeheersing.
Kunnen de grootmachten ervan overtuigd worden dat dit in hun belang is? Zij botsen onderling en met andere landen in Noord en Zuid, maar hebben een gemeenschappelijk en gedeeld belang om die botsingen niet uit de hand te laten lopen. Ook de grootmachten zijn erbij gediend dat pogingen om de genoemde wereldwijde uitdagingen het hoofd te bieden niet uitmonden in nieuwe oorlogen.
Samen met een aantal grotere landen uit Noord en Zuid zouden de grootmachten kunnen overleggen over gemeenschappelijke veiligheid, beloven elkaars grondgebied, regime en invloedssfeer te respecteren, elkaar niet aan te vallen, geen militaire interventies te plegen, bereid te zijn tot een gemeenschappelijk effectief wapenbeheersingsbeleid en vermindering van kernwapens, en af te zien van de ontwikkeling van nieuwe technologisch geavanceerde wapens en methoden van massavernietiging. Dergelijke besprekingen zouden tot meer onderling vertrouwen kunnen leiden en resulteren in een wereldwijd veiligheidspact. Wanneer dit overleg wordt gemandateerd door de VN en binnen dat kader plaatsvindt, zouden andere landen van enige afstand erop kunnen toezien dat hun belangen worden meegewogen.
In die optiek gaat het om twee aan elkaar gerelateerde processen: consensusvorming over een wereldwijd veiligheidspact en versterking en hervorming van de internationale rechtsorde annex economische orde. Het kan parallel.
Idealiter zou aan het begin kunnen worden afgesproken dat voor de duur van de onderhandelingen de wapens wereldwijd zwijgen en de status quo wordt gerespecteerd. Na afronding van onderhandelingen over een nieuw wereldwijd veiligheidspact zouden onderhandelingen over de bestaande grote conflicten kunnen worden hervat. Misschien biedt die volgorde een grotere kans op slagen dan andersom.
Maar ook wanneer dit laatste politiek onmogelijk is, zullen onderhandelingen over een dergelijk pact spoedig moeten beginnen. Het is in vele opzichten vijf voor twaalf.
Wie zou het initiatief kunnen nemen? De VN zelf c.q. haar (volgende) Secretaris-Generaal, Europa, China of het mondiale Zuiden, dan wel een of meer landen uit dat Zuiden die spreken namens de hele groep? Geen enkel land is brandschoon op het gebied van het internationaal recht en de mensenrechten. Maar dat was ook niet het geval bij de start van de onderhandelingen in de jaren veertig. De initiatiefnemers en de deelnemers aan dergelijke onderhandelingen zouden echter van het begin af aan moeten uitspreken de bovengenoemde kernwaarden als uitgangspunt te kiezen.
Het mondiale Zuiden blijkt de laatste tijd de vurigste pleitbezorger van de internationale rechtsorde. De desbetreffende landen hebben daar ook het meeste baat bij. Maar dat geldt ook voor Europa. Een gezamenlijk initiatief moet mogelijk zijn.
Zou het mondiale Zuiden bereid zijn samen met Europa het initiatief te nemen om de internationale orde te herstellen? Zuidelijke landen oefenen ernstige kritiek op het Westen en in het bijzonder Europa, dat zij verantwoordelijk houden voor een wereldorde die Westerse belangen meer dient dan die van het Zuiden. Het ongenoegen van het Zuiden is jarenlang niet serieus genomen. Europa wordt verweten dubbele standaarden toe te passen. Voorbeelden te over. Het wegkijken bij de genocide door Israël in Gaza. De harde eisen die Europa stelt aan klimaat-, milieu-, ontbossings- en mededingingsbeleid bij afspraken over handel, investeringen en ontwikkelingssteun, zonder daar zelf aan te voldoen. Internationale patenten die de lokale productie in ontwikkelingslanden belemmeren van zaden, medicijnen en andere essentiële producten. Westerse mijnbouw-, plantage- en visserijbedrijven die arbeiders, kleine boeren en kustvissers bestaanszekerheid ontnemen. De migratiedeals met landen aan de overzijde van de Middellandse Zee die hun weinig opleveren, maar de regimes versterken die verantwoordelijk zijn voor repressie die hun inwoners naar elders doen vluchten en vervolgens worden tegengehouden.
De elite in het Zuiden die met het Westen overeenkomsten sluit beseft heel goed dat tot voor kort het Westen zelf verantwoordelijk was voor crises die op deze terreinen zijn ontstaan. Wat het Westen van het Zuiden vraagt, heeft het zelf nagelaten. Via Internet en de sociale media weet ook de bevolking in het mondiale Zuiden hoe weinig het Westen zich bekommert om slachtoffers van oorlogen, discriminatie en onderdrukking in het Zuiden. Westerse hypocrisie, Westerse arrogantie en Westerse ongeloofwaardigheid. Zolang Europa de kritiek daarop wegwuift zal het moeilijk zijn om samen op te trekken om de wereld te verbeteren.
Misschien biedt het optreden van Trump nieuwe mogelijkheden voor Europa om de banden met Zuiden aan te halen. Elders in de wereld is het beleid van Europa bijna als vanzelfsprekend vereenzelvigd met dat van de Verenigde Staten. De EU en de VS hadden immers dezelfde belangen? De waarden die Europa uitdroeg verschillen toch niet van die van de VS? Maar dat gold tot 2025. De huidige Amerikaanse politiek schaadt ook Europese naties en dat wordt gezien in het mondiale Zuiden. Het Zuiden en Europa hebben beide baat bij ontvlechting van de politieke, economische, financiële en militaire relaties met de Verenigde Staten. Beide zijn gebaat bij diversificatie van handels- en investeringsstromen en bij import van grondstoffen, energie en mineralen. Dat kan om verschillende redenen niet snel en zeker niet volledig, bijvoorbeeld vanwege de eenzijdige afhankelijkheid op technologisch gebied, maar een intensivering van de betrekkingen tussen Europa en het Zuiden kan helpen.
Wil een dergelijke samenwerking tot stand komen dan zal het Westen op een andere manier naar het Zuiden moeten kijken. “Lange tijd werd het mondiale Zuiden bekeken door een koloniale bril, gestoeld op een gevoel van superioriteit, dominantie en hiërarchie, inclusief ‘goede werken’ van missie en zending”, aldus een recent rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken. (1) Europa zal geloofwaardig moeten worden, wil het kunnen rekenen op het Zuiden bij initiatieven om de internationale rechtsorde te versterken en hervormen. Een belangrijke taak voor de Nederlandse buitenlandse politiek.
Jan Pronk
Noten
- AIV, Nederland, Europa en het mondiale Zuiden in een veranderende wereldorde, Den Haag, 2025, p. 43