In: Socialisme en Democratie, 83 (4), juli/augustus 2026

bron: de Wiardi Beckman Stichting

In het vorige nummer van S&D stelde Jan Pronk dat Europa en het mondiale Zuiden het initiatief zouden kunnen nemen een nieuwe wereldorde te bewerkstelligen. Richard Wouters interpreteerde het pleidooi van Pronk als een voorstel om grootmachten weer invloedssferen toe te kennen. Maar zo was dat niet bedoeld, reageert Pronk op zijn beurt.

Jan Pronk is voormalig minister, onder meer van Ontwikkelingssamenwerking en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

In een vorig nummer van Socialisme en Democratie schreef ik een essay onder de titel ‘Europa, het mondiale Zuiden en een andere wereldorde’. De redactie vroeg me of ik wilde reageren op het artikel van Richard Wouters in hetzelfde nummer, met als titel ‘Voorbij het grootmachtdenken: weerbaar idealisme’, waarin deze naar mijn bijdrage verwees. Dat doe ik met genoegen. Ik kan er zelfs kort over zijn, want ik ben het met zijn analyse geheel eens. 

Een democratisch land als Nederland zou, zoals Wouters schrijft, in zijn buitenlandse politiek vooral moeten kiezen voor ‘samenwerking tussen democratieën in plaats van autoritaire grootmacht-politiek, voor de sterkte van het recht in plaats van het recht van de sterkste, voor vrijwillige integratiesferen in plaats van invloedssferen, voor mensenrechten en inclusie in plaats van ontmenselijking en uitsluiting’.

Wouters pleit voor een weerbaar idealisme dat recht plaatst boven macht. Dat stelt hij tegenover een geopolitiek realisme - door hem nader aangeduid als ‘grootmacht realisme’ - dat uitgaat van macht boven recht. Grootmachten zijn erop uit om invloedssferen te creëren. Die waarborgen vrede noch stabiliteit en leiden tot onderdrukking. 

Daarom is het grootmacht-realisme, aldus Wouters, ‘moreel failliet’. Hij schaart zich aan de zijde van enkele door hem geciteerde politieke denkers, die stellen dat het in een idealistische buitenlandse politiek ethisch onverantwoord is een land te vragen als bufferzone te dienen. 

Ik zie een dergelijk weerbaar idealisme, zoals omschreven door Wouters, als een ijkpunt voor een sociaal-democratische buitenlandse politiek. Maar na die omschrijving volgt in het stuk van Wouters een passage die mij verbaast. De door hem genoemde denkers en politici ‘zouden ernstig bezwaar maken tegen het pleidooi van Jan Pronk (…) om grootmachten weer invloedssferen toe te kennen. De Conferentie van Jalta in 1945 luidde voor Midden- en Oost-Europa ruim vier decennia van totalitaire Sovjetoverheersing in. Wat zou een hedendaags Jalta betekenen voor Oekraïne, voor Taiwan?’

Ik heb dat pleidooi niet gevoerd. Integendeel. Ik stelde vast dat het akkoord van Jalta, waar de overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog een akkoord sloten waarmee zij hun invloedssferen wederzijds afbakenden ‘niets te maken heeft met recht, maar alles met macht en veiligheid’. 

Immers, zo schreef ik: ‘Binnen de eigen invloedsfeer konden de VS en de Sovjet-Unie ongehinderd opereren om hun macht te consolideren. Dat betekende Sovjetoverheersing van Centraal-Europese landen die slechts in naam onafhankelijk waren, Amerikaanse militaire bases over de hele wereld, covert operaties buiten eigen grenzen en interventies in landen waarbinnen ontwikkelingen plaatsvonden die niet naar de zin waren van een van de grootmachten. Vietnam, Afghanistan, Zaïre, Chili, Iran en andere landen in het Zuiden werden het slachtoffer, soms van een massale invasie, soms door regime change van buitenaf.’

Dat kan toch moeilijk gezien worden als een rechtvaardiging van invloedssferen. Heeft Wouters mijn bijdrage echt gelezen? Zijn artikel is een nagenoeg letterlijke vertaling van een tekst die hij schreef in een rapport van de European Green Foundation. De bovengenoemde passage is later toegevoegd, zonder enige toelichting, doch met direct daarop aansluitend de suggestieve zin: ‘Het grootmacht-realisme heeft geen linkse apologeten nodig.’ 

Heling van de internationale rechtsorde

Ik vrees dat Wouters mijn artikel heeft gelezen als zo’n apologie en als een verdediging van het denken in termen van invloedssferen. Maar dan heeft hij mijn betoog niet begrepen. Ik schreef: ‘Het denken in termen van invloedssferen is helaas terug en bedreigt de wereldvrede.’ Mijn betoog mondde uit in een pleidooi voor een herstel van de centrale waarden van de internationale rechtsorde die in 1945 werd gecreëerd: nationale soevereiniteit, machtsdeling in plaats van streven naar hegemonie, conflictoplossing door overleg en onderhandeling in plaats van geweld, garantie van mensenrechten, alsmede wereldwijde universaliteit van rechten en verplichtingen ze te respecteren. 

Die centrale waarden hebben altijd onder druk gestaan, maar zij bleven principieel overeind, omdat daarop binnen de internationale rechtsorde stelselmatig een beroep kon worden gedaan. Dat leidde dan tot resoluties, uitspraken, nieuwe afspraken of interventies. Maar vooral sinds het begin van dit millennium is de internationale rechtsorde steeds verder ontmanteld, vooral door toedoen van de grootmachten. De centrale waarden worden niet alleen telkens geschonden, maar door grote en middelgrote machten zelfs principieel verworpen, zodat andere landen en bevolkingsgroepen er niet eens meer een beroep op kunnen doen. 

Anders dan het artikel van Richard Wouters ging mijn bijdrage niet over de eisen die gesteld moeten worden aan de buitenlandse politiek van Nederland en andere democratische landen, maar over mogelijkheden tot heling van de internationale rechtsorde. Ik betoogde dat de huidige wereldwijde bedreigingen van de mensheid (oorlogen, klimaatcrisis, biodiversiteitsverlies, virusuitbraken, sociaaleconomische ongelijkheid, Artificial Intelligence, genocide, raciale uitsluiting en andere mensenrechtenschendingen) zo ernstig zijn, dat zij niet op nationaal niveau of door samenwerking tussen een beperkt aantal natiestaten kunnen worden beheerst. Dat kan alleen wanneer alle landen erbij betrokken zijn, grote en kleine, democratische en dictatoriale, noordelijke en zuidelijke, christelijke, islamitische en hindoeïstische landen, enzovoort, geen uitgezonderd. 

Om die wereldwijde samenwerking te organiseren, om afspraken in daden om te zetten, om landen en ondernemingen effectief aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hen eventueel te sanctioneren, is een wereldwijde rechtsorde nodig, gebaseerd op algemeen aanvaarde rechtsbeginselen en procedures. 

De rechtsorde die in 1945 werd gecreëerd en in latere jaren uitgebouwd is defect en kan niet in haar oude vorm worden hersteld. Helemaal van voren af aan opnieuw beginnen is riskant. Dan dreigen alle verworvenheden verloren te gaan. Trumps Vredesraad moge dienen als een waarschuwing: met één zwaai worden alle instellingen en rechtsbeginselen van de internationale rechtsorde terzijde geschoven ten gunste van een groep vastgoedmagnaten, die het herstel van de met genocidaal geweld verschroeide aarde van Gaza en de wederopbouw van het verwoeste land naar eigen believen ter hand nemen, zonder de bevolking te raadplegen. 

Leren van Jalta

Noch gedeeltelijke restauratie, noch volledige nieuwbouw zal kunnen resulteren in een effectieve aanpak van de problemen waar de wereld momenteel voor staat. Daarom gebruik ik de term ‘heling’: het zodanig gezond maken van de internationale rechtsorde dat de bovengenoemde crises kunnen worden geadresseerd. Daarbij kunnen we leren van de wijze waarop tachtig jaar geleden de crises die zich in de jaren daarvoor hadden gemanifesteerd (twee wereldoorlogen, de Holocaust, de atoomwapens, de kolonisatie van het Zuiden van de wereld, de economische crisis van de jaren dertig) waren beantwoord. 

Toen ging in Jalta een veiligheidspact tussen de grootmachten vooraf aan de overeenstemming in San Francisco over een internationale rechtsorde. Door dat veiligheidspact te sluiten probeerden de grootmachten zich ervan te verzekeren dat zij, noch hun invloedssfeer, door de andere partij zouden worden aangevallen. Dat wederzijds vertrouwen maakte het hen mogelijk in te stemmen met rechtsregels en procedures die hen zouden beperken te streven naar hegemonie, agressie en geweld. Wederzijdse veiligheid was het doel, wederzijdse afbakening van invloedssferen het middel.

Het pact werd al snel geschonden, werkte nooit perfect, maar bleef lange tijd overeind. De keerzijde was dat de grootmachten binnen hun eigen invloedssfeer naar believen konden handelen. De betekenis van die invloedsferen nam echter af, toen de nieuwe internationale rechtsorde tussen 1947 (India) en 1977 (Zuidelijk Afrika) de dekolonisatie van het mondiale Zuiden mogelijk maakte. 

Vervolgens leidde het einde van de Koude Oorlog ertoe dat Oost en West na 1989 minder vasthielden aan invloedsferen in dat mondiale Zuiden. Maar in het Noorden van de wereld bleef de NAVO bestaan als een Westerse invloedssfeer onder de nucleaire paraplu van de Verenigde Staten. 

Een nieuw veiligheidspact

Invloedsferen zijn er altijd geweest, in alle vormen, maten kleuren en intensiteiten. Echter, sinds het midden van de vorige eeuw staat het afbakenen, aanhouden, versterken en uitbreiden van invloedssferen, door wie dan ook, haaks op elk van de vijf centrale waarden van de internationale rechtsorde. Pogingen daartoe werden desondanks gedaan, niet alleen door grootmachten, maar ook door andere staten. Zo slaagden landen als India, Turkije, Marokko en Rwanda erin controle uit te oefenen over gebieden in hun omgeving. Maar alle machten konden in het kader van de internationale rechtsorde worden aangesproken en in hun bewegingen op het internationale toneel enigszins beperkt. 

Dat veranderde na de millenniumwisseling. De Verenigde Staten verklaren heel Latijns en Midden-Amerika en de Caraïben tot hun invloedssfeer. Rusland doet dat voor alle gebieden die men ooit rekende tot het groot-Russische rijk en voor landen in de directe omgeving. China verklaart Taiwan en delen van de Zuid-Chinese Zee tot haar invloedssfeer. Israël en Iran doen dat met betrekking tot gebieden in West-Azië. De VAR wordt niet gehinderd haar macht uit te breiden tot in Soedan, Rwanda evenmin in het Congolese Kivu. China en Rusland concurreren om invloedssferen in Afrika. 

Vanuit de verzwakte internationale rechtsorde wordt geen van hen een strobreed in de weg gelegd. Pogingen daartoe lijken momenteel alleen voorbehouden aan concurrerende machten, die zich niet meer beroepen op internationaal recht, maar op hun eigen perceptie van veiligheid, nationaal belang en commercieel profijt. Het oorlogsgevaar is tal van plekken in de wereld toegenomen. 

Willen we de internationale rechtsorde helen dan is medewerking van de grootmachten nodig. Zonder hen is het niet mogelijk. Zij zullen daartoe alleen bereid zijn wanneer zij denken elkaar te kunnen vertrouwen. Daarom zou een nieuw veiligheidspact, net als in 1945, vooraf moeten gaan aan de heling van de internationale rechtsorde. Ik noemde het een nieuw Jalta, maar dat kan worden misverstaan. Daarom spreek ik liever over een nieuw Geneefs Veiligheidspact. Maar in plaats van Geneve kan ook gedacht worden aan Wenen of een andere regionale VN-hoofdstad: Nairobi, Bangkok of Santiago. Of Kaapstad.

De geopolitieke orde van Jalta bestaat niet meer, maar de les van toen is dat politieke beloften om de veiligheid van de ander niet te ondermijnen een basis kunnen leggen voor een internationale rechtsorde waarin overeengekomen wordt macht met elkaar te delen. Dat kan opnieuw, niet om invloedssferen af te bakenen, want dat past niet bij een streven naar duurzame vrede en vrijheid, maar om andere wederzijdse veiligheidsbelangen te respecteren. Verdragspartijen zouden er verstandig aan doen om met elkaar te gaan onderhandelen over andere middelen om vertrouwen te wekken en veiligheid te garanderen dan het afbakenen van invloedsferen waarbinnen zij menen veilig te zijn.

Vijf middelen om vertrouwen te wekken

Ik noem er vijf. Ten eerste wederzijdse erkenning van de status quo, met respect voor de grenzen zoals die thans officieel gelden, de belofte elkaar niet aan te vallen. Verwerping van regime change van buitenaf. Grenzen mogen veranderen, maar alleen via onderhandelingen, gevolgd door officiële erkenning. 

Ten tweede wederzijdse erkenning dat het gebruik van massavernietigingswapens in niemands belang is en de wederzijdse belofte dat ze niet zullen worden gebruikt. Wederzijdse bereidheid tot het aangaan van nieuwe wapenbeheersing onderhandelingen die uiteindelijk leiden tot uitbanning van kernwapens. 

Wederzijdse toezegging geen nieuwe technologische wapens te ontwikkelen en al het onderzoek dat daartoe zou kunnen leiden onder gezamenlijk toezicht te brengen, is een derde. Wederzijdse beloften wapens niet te laten beheersen door Artificial Intelligence die de mensheid iedere mogelijkheid ontneemt zelf rationele en morele beslissingen te nemen over oorlog en vrede. 

Als vierde wederzijdse erkenning dat de toegang tot voor de mens essentiële schaarse grondstoffen, water, de zeebodem en de ruimtelijke atmosfeer, een collectief belang is, ook voor toekomstige generaties, en dat die bestaansbronnen daarom gezamenlijk moeten worden beheerd.

Ten slotte: wederzijdse erkenning dat de mensenrechten nog steeds gelden, binnen alle landen die partij zijn bij het veiligheidspact en ook daarbuiten. 

Voor het verwezenlijken van duurzame en inclusieve veiligheid is overeenstemming over deze punten van groter belang dan overeenstemming om elkaars invloedssferen te respecteren. Bovendien, economische en technologische globalisering maken nabije invloedsferen minder belangrijk. Als partijen op deze vijf punten nader bij elkaar komen, zal de relevantie van invloedssferen verdampen. De vijf centrale waarden kunnen dan gemakkelijker overeind worden gehouden. 

Wie zouden het initiatief kunnen nemen tot een dergelijk nieuw veiligheidspact - bijvoorbeeld - Genève? Niet alleen een kleine groep die die de heersende machtsverhoudingen reflecteert, zoals dat destijds gold voor de overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog. Niet alleen de huidige grootmachten Amerika, Rusland en China. 

De veranderde geopolitieke verhoudingen vereisen dat een dergelijke kerngroep ook machtsfactoren reflecteert, zoals bevolkingsomvang, geografische positie, beschikbaarheid van grondstoffen en technologische capaciteit. De Verenigde Staten, Rusland en China zouden samen met een beperkt aantal landen uit Azië, Afrika, het Midden-Oosten, Latijns-Amerika en Europa kunnen onderhandelen over de contouren van een nieuwe geopolitieke veiligheidsorde tussen Oost, West, Noord en Zuid. 

Zij zouden dat kunnen doen na daartoe te zijn gemandateerd door de Verenigde Naties, nog voordat die het kader van een geheelde internationale rechtsorde is hervormd. Op die manier kan worden voorkomen dat de grootmachten hun invloedssfeer eenzijdig afbakenen en uitbreiden, zodra zij denken een reden te hebben om elkaar te vrezen. 

Wanneer dat alles eenmaal zijn beslag heeft gekregen kan gewerkt worden aan de heling en verdere ontwikkeling van de internationale rechtsorde en van een nieuwe internationale economische orde waarbinnen andere machten die de veiligheid bedreigen worden ingetoomd: BigTech, BigFinance en BigOil.