Belangwekkender dan de constatering dat lang niet alles wat Den Uyl schreef relevant is in het licht van de actualiteit, is de vaststelling dat veel van hetgeen hij voorstond niet meer kan. De actualiteit zal weer veranderen. Het is verwonderlijk dat de kritiek van anti-globalisten en anders-globalisten, zo wijd verspreid in andere landen van Europa, in Nederland tot dusver weinig is aangeslagen, maar in een periode van globalisering is onvermijdelijk dat ook in ons land de kritiek zal toenemen op het in wezen kapitalistische globaliseringsproces, dat zozeer vanuit de Westerse economie en de Westerse cultuur wordt gestuurd. Dat wordt deels linkse kritiek, deels kritiek vanuit kringen die rond 1970 in Nederland nauwelijks vertegenwoordigd waren: culturele minderheden met wortels in Arabische en Islamitische landen. Sociaal-democratisch links zal zich open moeten opstellen voor deze nieuwe maatschappijkritiek. Dat is niet het omarmen van de globalisering, zoals de PvdA rond de eeuwwisseling steeds meer is gaan doen, maar een eigen antwoord formuleren, gebaseerd op een vertaling van de oude beginselen in een nieuwe situatie.

Dat deed den Uyl. In de jaren zeventig kritiseerde hij, op een conferentie in Davos – ook toen reeds het hol van de leeuw -, de zich ontwikkelende nieuwe wereldorde in een rede “De toekomst van de markteconomie in Europa”: “Ik ontken niet dat de markteconomie, zoals die na de wereldoorlog heft gefunctioneerd, een belangrijke groei in het welvaartspeil heeft bevorderd. Ik constateer tegelijk dat ze op vitale punten schromelijk heeft gefaald” 25) En dan vervolgt Den Uyl zijn betoog met een analyse van dat falen: steeds meer internationale ongelijkheid en armoede, steeds meer uitputting van grondstoffen en energie, roofbouw op onze natuurlijke hulpbronnen, verloochening van beginselen van open en vrije handel. Den Uyl schroomde daarbij niet man en paard te noemen: Kissinger, de OECD, de machtsverhoudingen binnen IMF en Wereldbank. Het lijkt als twee druppels water op de hedendaagse kritiek op de globalisering. Zoals het sociaal-democraten past volstond den Uyl niet met het uitoefenen van kritiek, maar kwam hij met alternatieven. In de genoemde rede betroffen die vooral de Europese economische politiek. In zijn speciaal voor de bundel geschreven slotartikel “De toekomst onder ogen zien” ging Den Uyl dieper in op de door hem noodzakelijk geachte hervorming van de internationale economische orde. In dat opzicht is hetgeen den Uyl schreef actueler dan op het eerste gezicht lijkt.

Dat betekent dat zijn pleidooien verre van achterhaald zijn. Hoe valt dat te rijmen met de eerdere constatering dat veel van hetgeen Den Uyl bepleitte thans niet meer te verwezenlijken is, zelfs voor wie dat zou willen? Ik geloof dat dit komt omdat Den Uyl, die zich in zijn artikelen en redevoeringen zo’n scherp criticus toonde van het kapitalistische systeem, en zich een profeet toonde van de sociale welvaartsstaat, datzelfde kapitalisme heeft onderschat.

Onderschat? Ja, de meest vooraanstaande denker binnen de Partij van de Arbeid als de belichaming van de Nederlandse sociaal-democratie van na de Tweede Wereldoorlog, de meest linkse premier van Nederland tot op heden, onderschatte de kracht en het aanpassingsvermogen van het kapitalistische systeem. Hij was overigens de enige niet. De globalisering heeft zich, gestuurd door de economische marktkrachten en met behulp van de door het bedrijfsleven vervolmaakte technologie, waaronder zeer in het speciaal de nieuwe informatie- en communicatietechnologie, sneller ontwikkeld en met ingrijpender gevolgen dan bijna iedereen voor 1980 voorzag. Den Uyl heeft een aantal van de door hem bepleite hervormingen onvermijdelijk en onontkoombaar genoemd, dan wel “ondenkbaar” dat zij zich niet zouden voordoen. 26) Dat waren zij niet. Dat kwam omdat Den Uyl uitging van twee veronderstellingen: steeds nijpender nieuwe schaarsten aan energie, grondstoffen en materialen, alsmede verzadiging van markten voor producten die niet tot de essentiele levensbehoeften behoren, waardoor groeivertraging zou ontstaan. Samen zouden deze twee verschijnselen leiden tot economische stagnatie, waarmee een inherente zwakte van het kapitalisme zou worden blootgelegd. Beide verschijnselen zijn door Den Uyl in bijna al zijn geschriften aan de orde gesteld. Echter, het kapitalistische systeem is in staat gebleken het optreden van de nieuwe schaarsten uit te stellen door omvangrijke investeringen en nieuwe technologische vindingen. Voor zover de schaarsten zich toch voordoen zijn zij afgewenteld op arme landen en arme bevolkingsgroepen die geen toegang hebben tot het kapitalistische systeem. Daarnaast is datzelfde systeem in staat gebleken de dreigende verzadiging van markten te niet te doen door die markten te globaliseren en door bij de consumenten op die markten steeds weer nieuwe behoeften te creeren. Dat zijn geen autonome behoeften, maar behoeften die door de aanbodzijde van de markt worden gemaakt en overgebracht middels nieuwe informatie- en communicatietechnologie, door marketing en cultuuroverdracht via onderwijs en media die steeds minder autonoom werden, steeds meer gevoed met de normen en waarden van een materialistisch consumentisme, steeds meer beheerst door diezelfde kapitalistische ondernemingen. Over de maakbaarheid van de samenleving gesproken. Die ondernemingen hoefden zich van nationale krachten steeds minder aan te trekken, werden steeds grotere conglomeraten, wereldwijde spelers op wereldwijde markten, gefinancierd door banken die zelf ook steeds meer met hen vervlochten raakten en door een wereldwijd netwerk van anonieme aandeelhouders, massaal in aantal, met een razendsnel wisselend beleggingsgedrag. Dat maakt de ondernemers ook tot minder zelfstandige gesprekspartners voor overheden, omdat zij zelf, op straffe van terzijde stelling, geheel gericht moeten zijn op de maximering van de share holders value en niemand kunnen aanspreken. Het staat haaks op hetgeen James Burnham voorzag, die in zijn boek The Managerial Revolution (1941) beschreef hoe de macht van de aandeelhouders steeds meer werd beperkt door de heerschappij van de bewindvoerders. Den Uyl achtte het ontstaan van de door Burnham aangeduide “nieuwe kaste, die elkaar de bal toespeelt en zich in feite onttrekt aan democratische controle” 27) een gevaarlijke ontwikkeling. Hij heeft het ontstaan van een nog grotere en nog minder controleerbare macht van een wereldwijde anonieme electronic herd 28) nog riskanter zou zijn voor een maatschappij die in de basisbehoeften van al haar leden wil voorzien en waarin de schaarsten niet worden afgewenteld op toekomstige generaties. Daarvoor is meer nodig dan hetgeen Den Uyl bepleitte. Om dat te verwezenlijken zal gekozen moeten worden voor een sterke publieke sector, de garantie van de voorziening in basisbehoeften aan bijvoorbeeld voedsel, water, sanitatie en gezondheidszorg, een krachtige publieke regelgeving (bijvoorbeeld om milieuvervuiling, klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit en vruchtbare grond alsmede essentiele grondstoffen en energie tegen te gaan), het bestrijden van monopolievorming, eerlijke handel, het voorkomen van overmatige fluctuaties op essentiele markten en het organiseren van een inkomensherverdeling via inkomensoverdrachten, gekanaliseerd door die publieke sector, maar dat alles dan op wereldschaal. In elk geval kan niet volstaan worden met het verwezenlijken van gelijke medezeggenschap binnen de individuele ondernemingen tussen ondernemers, werknemers en de overheid. Dat is trouwens op wereldschaal ondenkbaar.