Actueel?
Het bovenstaande is een representatieve selectie van een aantal door Den Uyl ontwikkelde gedachten. Bij herlezing van dit alles in het eerste decennium van de een en twintigste eeuw dringt zich een aantal onderling tegenstrijdige reacties op.
Ten eerste. Veel van wat Den Uyl bepleitte lijkt thans niet actueel dan wel onwerkelijk. Dat is een beetje schrikken, want het meeste is nog niet zo lang geschreven, zo’n drie a vier decennia geleden. Dat niet alles actueel is vormt een geringer probleem dan dat veel niet meer mogelijk lijkt, althans niet binnen het kader van de Nederlandse economie. Wat niet actueel is kan het weer worden. Het pleidooi ten gunste van het hanteren van de smalle marges van een democratische politiek was gericht tegen de woordvoerders van de destijds dominante linkse maatschappijkritiek, zoals Marcuse, Mandel en de neo-Marxisten, de links-revolutionairen die “mikken op de grote Kladderadatsch, waarin de arbeiders, de van macht verstokenen, gewelddadig de macht en daarmee de vrijheid zullen veroveren”. 9) Den Uyl diende hen van repliek in een eveneens in de bundel opgenomen artikel onder de titel “Socialisme en nieuwe maatschappijkritiek” (1970), waarin hij zich keerde tegen de “historische discontinuiteit, de gewilde breuk met de geschiedenis” 10) en een democratisch antwoord formuleerde, waarin we vele elementen herkennen uit zijn andere geschriften en pleidooien. Het is een nog steeds belangwekkende en beginselvaste keuze voor een bepaalde methode van politiek bedrijven. Maar het is thans niet actueel, want er is weinig linkse maatschappijkritiek in Nederland. Er is geen buitenparlementaire actie, zeker niet in een zodanige vorm en zodanig ideologisch geladen, dat deze zou kunnen leiden tot antiparlementarisme. Dat deed zich voor het laatst voor in het begin van de jaren tachtig, rond de krakersbeweging. Thans doet het omgekeerde zich voor. De dominante maatschappijkritiek komt uit de hoek van de neo-conservatieven, is gericht tegen links en het anti-parlementarisme heeft de gedaante aangenomen van een min of meer algemene vervreemding van de politiek. Dat leidt soms tot een minachting voor het parlementaire bedrijf, soms tot een schouderophalend voorbijgaan aan de politiek, soms tot populisme a la Fortuin, maar uiteindelijk tot lethargie, zelfs tegenover harde conservatieve maatregelen die juist de zwaksten in de maatschappij treffen. Dat vereist een ander antwoord dan den Uyl gaf aan de maatschappij-kritici van destijds. Behalve op een centraal punt. Daarop kom ik aan het eind van deze beschouwing terug.
Ten eerste. Veel van wat Den Uyl bepleitte lijkt thans niet actueel dan wel onwerkelijk. Dat is een beetje schrikken, want het meeste is nog niet zo lang geschreven, zo’n drie a vier decennia geleden. Dat niet alles actueel is vormt een geringer probleem dan dat veel niet meer mogelijk lijkt, althans niet binnen het kader van de Nederlandse economie. Wat niet actueel is kan het weer worden. Het pleidooi ten gunste van het hanteren van de smalle marges van een democratische politiek was gericht tegen de woordvoerders van de destijds dominante linkse maatschappijkritiek, zoals Marcuse, Mandel en de neo-Marxisten, de links-revolutionairen die “mikken op de grote Kladderadatsch, waarin de arbeiders, de van macht verstokenen, gewelddadig de macht en daarmee de vrijheid zullen veroveren”. 9) Den Uyl diende hen van repliek in een eveneens in de bundel opgenomen artikel onder de titel “Socialisme en nieuwe maatschappijkritiek” (1970), waarin hij zich keerde tegen de “historische discontinuiteit, de gewilde breuk met de geschiedenis” 10) en een democratisch antwoord formuleerde, waarin we vele elementen herkennen uit zijn andere geschriften en pleidooien. Het is een nog steeds belangwekkende en beginselvaste keuze voor een bepaalde methode van politiek bedrijven. Maar het is thans niet actueel, want er is weinig linkse maatschappijkritiek in Nederland. Er is geen buitenparlementaire actie, zeker niet in een zodanige vorm en zodanig ideologisch geladen, dat deze zou kunnen leiden tot antiparlementarisme. Dat deed zich voor het laatst voor in het begin van de jaren tachtig, rond de krakersbeweging. Thans doet het omgekeerde zich voor. De dominante maatschappijkritiek komt uit de hoek van de neo-conservatieven, is gericht tegen links en het anti-parlementarisme heeft de gedaante aangenomen van een min of meer algemene vervreemding van de politiek. Dat leidt soms tot een minachting voor het parlementaire bedrijf, soms tot een schouderophalend voorbijgaan aan de politiek, soms tot populisme a la Fortuin, maar uiteindelijk tot lethargie, zelfs tegenover harde conservatieve maatregelen die juist de zwaksten in de maatschappij treffen. Dat vereist een ander antwoord dan den Uyl gaf aan de maatschappij-kritici van destijds. Behalve op een centraal punt. Daarop kom ik aan het eind van deze beschouwing terug.