Zijn de ideeen van den Uyl dus achterhaald? Nee, er kan niet mee volstaan worden. Dat is iets anders. Zij zullen moeten worden bijgesteld en aangevuld in het licht van de ontwikkelingen op wereldschaal sedert 1980. En Den Uyl heeft zelf aangegeven in welke richting daarbij gezocht zou moeten worden.

De artikelen en redevoeringen van Den Uyl zijn in de bundel Inzicht en Uitzicht opgenomen in de volgorde waarin zij werden gepubliceerd. Aldus wordt een goed inzicht verkregen in de ontwikkeling van het denken van Den Uyl in die vijf en twintig jaar. Ik herlas ze in een andere volgorde, bepaald door de aangesneden thema’s. Dat bracht met zich mee dat ik het openingsartikel tot het laatst bewaarde. Het luidde “Technische vooruitgang in een anonieme maatschappij”, handelde over het atoomvraagstuk, was reeds in 1947 verschenen en zou, zo verwachtte ik, het minst relevant zijn voor een beoordeling van de huidige betekenis van het denken van Den Uyl.

Dat was een vergissing. Als een artikel uit de bundel in aanmerking komt voor het predicaat “klassieke tekst”, dan juist dit. Het is kort, op een journalistieke wijze boeiend geschreven, analytisch sterk. Het toont een ver vooruitziende blik en het is de sleutel voor hetgeen Den Uyl later te berde zou brengen. Het artikel beschouwt het vraagstuk van de atoombewapening als een voorbeeld van hetgeen de wereld te wachten staat op het terrein van de technologie. “Het vormt slechts een bijzonder pijnlijk onderdeel van een ngehele reeks vraagstukken , opgeworpen door de inadequate ontwikkeling van een maatschappij, die slechts de materiele voordelen (van de technologische vooruitgang) zocht en het vernietigende effect daarin besloten verwaarloosde” 29) Vervolgens beziet den Uyl in dit artikel de besluitvorming over de voortgang van de technologie en over de toepassing daarvan als een speciaal geval van uitoefening van anonieme macht. Den Uyl sluit ook hier aan bij de analyse van James Burnham, maar gaat een stap verder. Hij bekritiseert niet zozeer het ontstaan van een nieuwe klasse, als wel de anonimiteit van de macht van degenen die beslissingen nemen. De atoombewapening op zich zelf is in deze optiek een geringer gevaar dan het feit dat niemand aanspreekbaar blijkt. “Wanneer men thans tegen de gang van zaken met betrekking tot de atoomvraagstuk bezwaar maakt, heeft men eigenlijk geen adres voor zijn protest” 30) Meer dan vijftig jaar later zou Thomas Friedman over de globalisering schrijven dat, wat men er ook over moge denken, protesteren geen zin heeft: “Don’t call. There is nobody at the other side of the phone” 31)

Dat adres is niet het kapitalisme, zo stelt Den Uyl. Het is ook niet de staat, of de Verenigde Staten of de Sowjet Unie, of de geleerden. “Het zijn juist de anonimiteit en haar spiegelbeeld, de verantwoordingsloosheid, die de huidige ontwikkeling kenmerken. Het zijn niet enkele schobbejakken, die uitsluitend op winst uit zijn, het is niet een bepaald misdadig volk, dat een oplossing dwarsboomt, het is het systeem, de organisatie, het bureau en de commissie, alle even ongrijpbaar en anoniem. Dat juist maakt de situatie zo wanhopig en geeft de publieke belangstelling de genadeslag. …. Het overheersen van de efficiency-norm, de jacht naar grotere productie en hogere winsten, de illusie van de nimmer eindigende vooruitgang hebben ons meegesleept in mammoet-organisaties, die een eigen leven leiden, onafhankelijk van de wil der burgers. De organisatie draait wel, maar we weten niet meer waarvoor. De uitvindingen gaan door, maar met welk doel? De organisatoren beslissen – in naam van wie?
De democratie werd een geloof, een panacee voor alle kwalen, maar hoevelen oefenen in feite nog enige invloed uit? De groepen die beslissen, althans menen te beslissen binnen het kader van de organisatie die hen drijft, isoleren zich automatisch. Zij hebben een eigen idioom en zed herkennen elkaar aan oogopslag en gebaar. Of het nu bedrijfsleiders, generaals of partijleiders zijn. … De gewone man mag er nog wel het zijne van zeggen, maar hij weet nu zekerder dan ooit, dat hij er helemaal niet aan te pas komt” 32)

In het licht van de hedendaagse scepsis aangaande de globalisering en de drijvende krachten daarachter is dit een frappant moderne tekst. In het licht van de huidige onvrede over de werking van het democratisch proces in Nederland evenzeer. Bijna zestig jaar geleden zag Den Uyl het scherp: wat de toekomst van de samenleving het meest bedreigt, is het democratisch tekort. “Deze noodlottige ontwikkeling kan slechts worden gestuit door de tegenrevolutie van de gewone man, arbeider, professor of fabrikant. … Indien de burgers … geen medezeggenschap eisen in de beslissingen die vallen over het voortbestaan van onze beschaving, is er geen perspectief, dat de huidige ontwikkeling kan worden gestuit. Het is de taak der staatslieden om middelen en wegen te beramen, waardoor het mogelijk zal zijnde anonimiteit der organisaties te verbreken en opnieuw gezicht en verantwoordelijkheid te ontdekken bij de machten, die thans hun geheimzinnig spel spelen” 33) Leiderschap om de democratie te onttrekken aan de krachten van de anonimiteit.

Vanwege deze passages kan dit artikel, zoals ik hierboven aangaf, beschouwd worden als de sleutel tot hetgeen Den Uyl later heeft voorgestaan, in zijn theoretische geschriften en in de politieke praktijk. Zijn ideeen zijn niet achterhaald, maar modern, tenminste wanneer het gaat om de kern ervan: een hartstochtelijke oproep tot fundamentele democratisering. Ik ben er van overtuigd dat dit voor hem zwaarder woog dan een oproep tot vergemeenschappelijking. Den Uyl leed onder wat men zou kunnen omschrijven als het publieke tekort in de economie. Maar hij achtte het democratisch tekort in de maatschappij een groter gevaar. Meer dan een uiteenzetting over het socialisme is het boek Inzicht en Uitzicht een verhandeling over de democratie. Daarom polariseerde Den Uyl graag, niet om, zoals hij placht te zeggen, tegenstellingen in de maatschappij op te roepen of om deze te vergroten, maar om ze bloot te leggen, niet te verhullen onder een deken van anonimiteit, doch manifest te maken en ze een gezicht te geven, waardoor ze niet langer genegeerd konden worden. Daarom ook koos Den Uyl principieel voor de term sociaal-democratie in plaats van democratisch socialisme. Hij verafschuwde de keus voor die laatste term in de naam van de afsplitsing van de Partij van de Arbeid, die in 1971 was ontstaan: DS ’70. Het socialisme is per definitie democratisch, was zijn opvatting. Dat hoeft niet apart ge-expliciteerd te worden. Socialisme dat niet uitgaat van democratische beginselen, verdient die naam niet. Wat Den Uyl in zijn toespraken, essays en artikelen, alsmede in de hervormingsvoorstellen van het door hem geleide kabinet 34) heeft bepleit en getracht te verwezenlijken, was er niet zozeer op gericht op de socialisering van het economisch bedrijf vorm en inhoud te geven, als wel het democratisch proces te versterken en alle betrokkenen daarin te doen participeren, niet in naam, maar met daadwerkelijke invloed, op voet van gelijkheid. Den Uyl stond geen geleidelijke socialistische revolutie voor, maar een democratische.

Dat blijkt ook uit de passage waarmee Den Uyl zijn boek vijf en twintig jaar later afsloot: “De gevaarlijke dreiging voor de komende periode is het overheersen van de technocraten en de anoniem machten. … Wat ons in eigen land en elders vooral bedreigt is niet dat in conservatieve of kapitalistische richting wordt gestuurd, maar dat in het geheel niet wordt gestuurd; dat richting en visie ontbreken; dat wordt gedepolitiseerd; dat stuurloosheid bovendrijft; dat maatschappelijke spanningen niet meer worden vertaald in politieke tegenstellingen; dat onder de wattendeken van de sussende bezweringen het politiek bewustzijn wordt verdoofd”. 35)
Zo’n inzicht biedt uitzicht, ook nu.


Jan Pronk