Het tweede dat opvalt bij herlezing van de bundel zijn de continuiteit en de consistentie in het denken van Den Uyl. Dat is niet verwonderlijk voor iemand die steeds heeft getracht een analytisch-wetenschappelijke argumentatie te vinden voor het door hem bepleite beleid. Maar het is toch een interessante constatering in het licht van de kritiek die Den Uyl als premier heeft ondervonden van de zijde van zijn politieke tegenstanders en uit de kringen van de ondernemers. Den Uyl werd door tallozen op handen gedragen en door velen gehaat. Hij riep de tegenstand ook zelf op door zijn beleid op een bevlogen wijze uit te dragen en zijn critici uit te dagen. Dat was minder een uiting van polarisatie dan wel een intellectuele behoefte. Den Uyl kende de twijfel van de intellectueel, naast de overtuigingskracht die nodig is voor politiek leiderschap. Hij trachtte die met elkaar in overeenstemming te brengen door zijn opinies en stellingen op een zodanige wijze te poneren dat tegenspraak niet kon uitblijven. Dat deed hij onder meer door zijn uitgangspunten en analyses scherper en radicaler te formuleren dan de politieke gevolgtrekkingen die hij er zelf uit afleidde. Deels was dat dialectiek, zijn methode van argumenteren. Den Uyl leefde van discussie en werd het vragen stellen nooit moe. Voor een ander deel was het de logische consequentie van zijn keuze voor een politiek van kleine stappen, binnen de marges van het democratisch systeem. Hij zag dat nooit zag als een beperkend keurslijf, maar als een te koesteren en te vervolmaken ideaal model. Wie dat niet in de gaten had keerde zich van hem af.

Die houding nam toe na de rede die Den Uyl in 1974, kort na zijn aantreden als premier en ook kort na het uitbreken van de oliecrisis, in Nijmegen hield voor de openbare ledenvergadering van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond. De titel van die rede luidde: “Socialisme en de vrije ondernemingsgewijze productie”. De ondernemers en de pers ervoeren de rede als een donderslag bij heldere hemel, maar wie Den Uyls geschriften kende kon niet verrast zijn. De toonzetting was sarcastisch en dat werkte polariserend. Den Uyl omschreef zich zelf als “een hogepriester van de socialistische eredienst (in) scharlakenrood” 11) en deelde zijn gastheer tot slot mee dat “als u zich … vol zelfverwijt hebt afgevraagd: zijn wij ondernemers in het algemeen niet te vriendelijk geweest voor de overheid, u althans ten opzichte van deze regering van dit zelfverwijt ontslagen bent”. 12)

Dat kwam niet meer goed. De verhouding tussen de ondernemers en het meest linkse Nederlandse kabinet ooit was dan ook niet vriendelijk. Den Uyl leek in zijn rede olie op de golven te gooien door reeds aan het begin ervan vast te stellen dat het door hem voorgestane socialisme op gespannen voet stond met de vrije ondernemingsgewijze productie. Hij lichtte dat toe met verwijzingen naar klassieke socialistische studies als het Plan van de Arbeid (1935), De Weg naar Vrijheid (1952) en De Hervorming van de Onderneming (1959). Daaraan voegde hij toe dat na 1960 de ontwikkeling van de technologie, van de multinationale onderneming, van de nieuwe schaarsten en in de verhouding tot de Derde Wereld meer dan ooit een hervorming van de maatschappij noodzakelijk maakten. “Als ik pleit voor een verdergaande hervorming van de structuur van de onderneming en voor een verdergaande vermaatschappelijking van het productieproces, dan staat mij een economische ordening voor ogen waarin zij, die in verschillende geledingen van het productieproces werkzaam zijn, gezamenlijk het kapitaal organiseren.” 13) Den Uyl sprak in dit verband ook over een “vergemeenschappelijking van de productie” en zei die voor “onvermijdelijk” te houden. 14) Hij zei zich ervan bewust te zijn dat dit inzicht slechts door weinigen uit zijn gehoor werd gedeeld, maar achtte een verschillend vizier op de toekomst geen beletsel om over de concrete problemen op van de dag overeenstemming te bereiken over de aanpak van de concrete noden van de dag: werkloosheid, inflatie en een te groot beslag op schaarse hulpbronnen.

Het spreekt niet bij voorbaat vanzelf dat onderhandelingspartners overeenstemming bereiken over kortere termijn vraagstukken als zij het over de lange termijn grondig oneens zijn. Het kan wel, mits men pragmatisch wil zijn. Maar wie vreest aldus op een hellend vlak te raken zal uit tactische redenen een andere attitude innemen. Dat deden degenen die Den Uyl na 1974 steeds krachtiger gingen bestrijden. Toch laat een nauwkeurige lezing van Den Uyls ideeen zien dat de uitwerking die hij wenste te geven aan de door hem bepleite vergemeenschappelijking van de productie als een alternatief voor het stelsel van de vrije ondernemingsgewijze productie minder radicaal was dan men kennelijk veronderstelde. Bovendien waren zijn ideeen niet nieuw. Hij had ze reeds jaren lang bepleit, niet alleen als directeur van een wetenschappelijk bureau (de aan de PvdA gelieerde Wiardi Beckman Stichting), maar ook later als minister van Economische Zaken en als leider van de oppositie. Wat zei Den Uyl precies? Zijn stelling was dat “de zeggenschap … over de investeringsbeslissingen, over omvang en richting, niet meer uitsluitend het domein van de ondernemingsleiding kan en mag zijn” 15) [188] Daarmee bepleitte Den Uyl geen algemene socialisatie. Het ging hem om twee vernieuwingen in de economische orde. Ten eerste: meer spreiding van macht en verantwoordelijkheid in de onderneming, zodanig dat de factor arbeid meer zeggenschap zou krijgen over investeringsbeslissinen. Ten tweede: een selectieve maatschappelijke toetsing van die investeringen, niet alleen op grond van overwegingen van milieu en van schaarste aan grondstoffen, materialen en energie, doch ook vanuit het oogpunt van de structurele werkgelegenheidsontwikkeling. Beide restricties achtte hij “onvermijdelijk” respectievelijk “onontkoombaar”. 16) Het was duidelijk dat hij daarmee niet bedoelde ‘politiek onvermijdelijk’, doch ‘maatschappelijk onvermijdelijk’ Bovendien, zo stelde hij, “een dergelijke wijziging in het ondenemingsbeleid, die een bewuste rem zou inhouden op het tempo waarin technische vernieuwingen in de economie worden toegepast, zou alleen in het kader van internationaal werkende regelingen en afspraken mogelijk zijn”. 17) Dat waren belangrijke nuanceringen.

Was dit behoedzame radicalisme nieuw? Geenszins. In De Weg naar Vrijheid, het in 1952 verschenen rapport van de PvdA, waarvan Den Uyl een belangrijk mede auteur was geweest en waarin de marsroute voor de komende jaren was aangegeven, was gekozen voor ‘socialisatie’ in plaats van ‘ordening’ en ‘planning’, kernbegrippen uit de SDAP van voor de Tweede Wereldoorlog (zie bijvoorbeeld het Plan van de Arbeid). In 1952 had Den Uyl, in zijn artikel “De herorientering van het socialisme”, de nuance aangebracht dat bij het streven naar een vergroting van de gemeenschapsinvloed in het bedrijfsleven met de realiteit van de internationale markt en met het succes van de ‘free enterprise’ in de Verenigde Staten rekening moest worden gehouden. In 1960, in een artikel getiteld “De economie in het nieuwe beginselprogram van de PvdA” had Den Uyl de vermaatschappelijking van het productieproces omschreven als het resultaat van een hervorming van de onderneming in die zin dat “arbeid, kapitaal en gemeenschap tenminste op voet van gelijkheid uitmaken welke beslissingen genomen worden”. 18) In 1960 had Den Uyl, in het reeds geciteerde artikel over de tweedeling in de samenleving, “een verandering van de zeggenschap door een medebeslissingsmacht van de factor arbeid” bepleit. 19) Het rapport Om de Kwaliteit van het Bestaan, waarvan Den Uyl de belangrijkste auteur was geweest, had in het teken gestaan van de noodzaak om de “productie dienstbaar te maken aan de voorziening in de behoeften” 20) en de omvang van die productie “ondergeschikt te maken aan de betekenis van wat en voor wie geproduceerd wordt”. 21) Hiermee werd geen afstand werd gedaan van de markt en van de groei als zodanig. Wat Den Uyl bepleitte was een beperking van de groei van de particuliere bestedingen alsmede een verruiming van de publieke voorzieningen. De winstbelovende koopkrachtige vraag zou niet het enige of dominante leidssnoer moeten zijn bij het bepalen van de richting van de investeringen en de productie. Dat leidssnoer zou, aldus het rapport, moeten bestaan uit een combinatie van overwegingen: volledige werkgelegenheid, voorziening in essentiele behoeften, adequate publieke voorzieningen, en een minder ongelijke inkomensverdeling. En, zoals we zagen, in 1968 had Den Uyl, in navolging van Tinbergen, gesteld dat om een en ander te bewerkstelligen de gemeenschap meer dan tot dan toe zou gaan beslissen over de aanwending van de productiemiddelen - grond, kapitaal en arbeid - en daarmee over wat, waar en hoe geproduceerd zou worden..

De door Den Uyl in 1974 gepresenteerde gedachten konden dus niemand verrassen. Hij had ze in de loop der jaren talloze malen voor het voetlicht gebracht, toegelicht, verder ontwikkeld, geprobeerd ze logisch af te leiden uit de beginselen van de socialistische beweging, genuanceerd in het licht van de verdere internationale ontwikkeling en teruggebracht tot een centrale eis: samenwerking, geen monopolie voor het kapitaal, geen arbeiderszelfbestuur, geen centrale planning, geen nationalisatie, doch samenwerken op voet van gelijkheid tussen overheid, kapitaalbezitters, ondernemers en vertegenwoordigers van werknemers bij de belangrijkste economische beslissingen omtrent de investeringen en de technologie. Immers, het zijn deze beslissingen die bepalend zijn voor de toekomstige kwaliteit van de samenleving als geheel.

Een behoedzaam, genuanceerd radicalisme dus. Consistent, zonder plotselinge verrassingen. Maar wel steeds verder uitgewerkt. Terwijl Den Uyl zich in zijn eerste geschriften concentreerde op doeleinden, uitgangspunten, beginselen, structuren en maatschappijvormen.legde hij er steeds meer op toe duidelijkheid te verschaffen over de door hem bepleite instrumenten van beleid. In Om de kwaliteit van het bestaan ging het nog om de doeleinden: “voortgezette economische groei onder handhaving van de volledige werkgelegenheid; een grotere gelijkheid in de verdeling van het beschikbare particulier inkomen (en) een evenwichtige verdeling van de bestedingen over gezinnen en gemeenschapsorganen”. 22) Een kleine twintig jaar later culmineerde zijn rede “Die tijd komt nooit meer terug” in een politiek programma op hoofdpunten dat een tamelijk radicale uitwerking inhield van die doelstellingen. Hij presenteerde dit als een aantal keuzen 23), namelijk:
1. voor het structureel opvoeren van de ontwikkelingshulp,
2. voor een alle categorieen omvattende inkomenspolitiek
3. voor een bewuste democratisering van de organisatie van economische beslissingen
4. voor een energiebeleid, dat besparing van het energieverbruik voorop stelt
5. voor een consequent relateren van de keuze van energiebronnen aan het effect op de werkgelegenheid
6. voor een stelselmatige sturing van de investeringen op grond van gemeenschappelijke voorwaarden
7. voor het toetsen van particuliere investeringen op het netto-effect op arbeidsplaatsencreatie
8. voor een bewuste deling van beschikbaar werk over aangeboden arbeid
9. tegen een ver doorgevoerde kapitaalintensivering van de productie
10. tegen lastenverlichting voor het particuliere bedrijfsleven
11. voor ordening en planning van de economie onder sturing van de overheid

Ik vermoed dat de laatste acht punten, dat wil zeggen twee derde van deze keuzen, thans niet meer door de PvdA worden onderschreven..

Is de sociaal-democratie daarmee minder radicaal geworden? Dat is zij, voor zover belichaamd in de PvdA inderdaad, maar dat kan niet geconcludeerd worden uit een vergelijking van Den Uyls programma met het huidige streven van de PvdA. De belangrijkste reden is dat hetgeen Den Uyl met deze elf punten bepleitte in de huidige omstandigheden niet meer te verwezenlijken is. De huidige situatie in Nederland verschilt zeer sterk van die welke Den Uyl analyseerde en waarop hij trachtte greep te krijgen. Kon men voor 1980 nog denken dat een nationale ordening mogelijk is, de globalisering van de techniek, de economie en de communicatie heeft dat bijkans onmogelijk gemaakt. Natuurlijk heeft Den Uyl er ook zelf meermalen op gewezen dat veel van hetgeen hij voorstond alleen in internationaal verband tot stand gebracht zou kunnen worden, maar het was niet altijd duidelijk wanneer Den Uyl doelde op nationale en wanneer op Europese en internationale ordening. Zeker beschouwde hij het, als een goed politicus, eventueel niet tot stand komen van een betere internationale ordening niet als een ontbindende voorwaarde voor maatschappijhervorming op nationaal niveau. “De prioriteit van vraagstukken van internationale economisch ordening mag de aandacht niet afleiden van verdere maatschappelijke hervorming binnen nationale grenzen”, schreef Den Uyl reeds in 1952, in zijn artikel over een “Herorientering van het socialisme” 24) Terecht.. Maar hervorming binnen nationale grenzen wordt steeds minder mogelijk wanneer er geen nationale grenzen meer zijn, dan wel wanneer die door economische en technologische krachten niet meer worden in acht genomen of erkend. Dat was de tragiek van Den Uyl: hij wilde dat de gemeenschap greep zou krijgen op beslissingen over de economische en de technologische ontwikkeling, in het algemeen belang, maar hij moest toezien hoe die beslissingen zich verplaatsten naar buiten, zodat die gemeenschap steeds meer het toekijken had. De volgende stap zou kunnen zijn dat die gemeenschap zichzelf eveneens internationaliseerde om die greep toch te kunnen uitoefenen. Dat zag Den Uyl, getuige zijn pleidooien voor Europese integratie en voor een nieuwe internationale economische orde. Echter, gemeenschapsbelissingen op internationaal niveau, zelfs als deze gebaseerd zijn op verdragsmatig vastgelegde supra-nationale bevoegdheden zullen nooit de democratische kwaliteit hebben die wel beschoren kan zijn aan beslissingen binnen de nationale staat. Die staat is immers gebaseerd op diep gewortelde en gemeenschappelijk ervaren en beleefde beginselen, normen en waarden, met boven ieder dispuut verheven democratische instituties als grondwet, een scheiding der machten, een representatieve volksvertegenwoordiging, onafhankelijke justitionele opsporingsinstanties, een onafhankelijke rechtsspraak en een vrije pers.. En om die democratische kwaliteit was het den Uyl nu juist bovenal te doen.