Klein land, grote uitdagingen. Voorwoord
In: Ruben Gowricharn, Klein land, grote uitdagingen. Economische ontwikkelingen in Suriname, Volendam: LM Publishers (2026).
Vijftig jaar nadat Suriname haar onafhankelijkheid verkreeg is het zinvol zowel terug te kijken als vooruit te kijken. Dat is niet alleen voorbehouden aan politici en journalisten, maar ook aan wetenschappers: historici, bestuurskundigen en economen. Voor hen is Suriname een nog belangwekkender onderzoek casus dan tal van andere landen die in de tweede helft van de vorige eeuw onafhankelijk werden, omdat het unieke kenmerken heeft. Het is een groot land met een kleine bevolking. Die is zeer gevarieerd samengesteld, niet spontaan, maar gedreven door een kolonisator. Buitenlanders hadden de oorspronkelijke bevolking gedecimeerd, tot slaaf gemaakte mensen uit Afrika naar Suriname getransporteerd, contractarbeiders uit Azië binnengebracht, de grenzen van het land getrokken, de economische structuur vastgelegd, en de taal, cultuur en bestuursstructuur van de koloniale mogendheid aan de samenleving opgelegd. Het land had geen autonomie gekend, ook niet over de eigen economie. Het had onder buitenlands bewind gestaan, kapitalistisch georiënteerd, en was eeuwenlang een wingewest geweest.
Dat wingewest had van het begin af aan de vorm van een plantage economie, waarin al dan niet tot slaaf gemaakte arbeiders werden uitgebuit, een economie die vooral dreef op de kurk van een paar grondstoffen zoals suiker, cacao, koffie en katoen, die in ruwe vorm werden geëxporteerd. Die structuur was zeer winstgevend voor de buitenlandse eigenaars, die niet geneigd waren tot herinvestering van het surplus in Suriname. Integendeel, zij lieten het afgeroomde surplus ten goede komen van de verdere economische ontwikkeling van het land van de oorspronkelijke kapitaalverschaffers, de kolonisatoren zelf. Dat gold nog steeds toen in latere jaren de economie van Suriname eenzijdig ging drijven op de kurk van de bauxiet mijnbouw: economische groei zonder verwerking van het gewonnen bauxiet in het land zelf, met weinig lokale toelevering en weinig vervolginvesteringen.
Aan dergelijke verhoudingen wordt door het verwerven van staatkundige onafhankelijkheid niet plotsklaps een einde gemaakt. Ze laten onvermijdelijk ook een halve eeuw nadien hun sporen na. De staat mag officieel autonoom geworden zijn, de maatschappij is nog lange tijd een palet van tegenstellingen, de cultuur op vele terreinen onderhevig aan voortdurende beïnvloeding uit het voormalige ‘moederland’ en de economische structuur onveranderd bepaald door buitenlands kapitaal en export van grondstoffen.
Vooral dat laatste zal economische onderzoekers zorgen baren: Suriname had een onvoldoende gediversifieerde economie en een duale maatschappij waarbij de welvaartsgroei was geconcentreerd bij bepaalde groeperingen, terwijl een groot deel van de bevolking in armoede leefde, zonder een noemenswaardige mogelijkheden tot sociale stijging. Dat resulteerde in een onvoldragen sociaaleconomische middenklasse en uitzonderlijk grote afhankelijkheid van het buitenland, waardoor in de halve eeuw die achter ons ligt van een zekere mate van economische verzelfstandiging, die was beoogd ten tijde van de onafhankelijkheid, nauwelijks sprake was. Volledige economische verzelfstandiging is nooit mogelijk, zeker niet in deze tijd van economische en technologisch globalisering, maar het is wel gewenst dat een natiestaat, binnen grenzen die bepaald worden door de wereldeconomie, autonome beslissingen kan nemen over de richting die men in wil slaan en over de toekomstige structuur van de eigen economie. (1)
Ruben Gowricharn, de auteur van de essays die gebundeld zijn in dit boek, staat als econoom niet lang bij de geschiedenis stil. In een van de essays schrijft hij, terugkijkend op de onafhankelijkheid, ‘Ikzelf had op 25 november 2025 niet het gevoel dat er iets was om te vieren’. Daar kan hij verschillende redenen voor hebben gehad, maar hij maakt er verder geen woorden aan vuil. Voor zover het de geschiedenis betreft is hij vooral geïnteresseerd in de economische politiek die gevoerd werd in de periode na het bereiken van de onafhankelijkheid. Daarover laat hij zich kritischer uit dan over het vroegere verleden
De economische politiek van de eerste regering van het onafhankelijke Suriname, onder leiding van Henck Arron, schoot inderdaad op een aantal punten tekort. Verspreid over de hoofdstukken van dit boek stipt Gowricharn een aantal tekortkomingen aan: onvoldoende mobilisatie van eigen middelen en hulpbronnen, een onevenwichtige productiestructuur waarbinnen een enkele sector het overgrote deel van de beschikbare middelen opslokt, voortzetting van een overmatige oriëntatie op de export, toenemende armoede en sociale en economische ongelijkheid, patroon-clientrelaties in de publieke sector en op de arbeidsmarkt, nadruk op afzonderlijke projecten in plaats van geïntegreerde programma’s, afwezigheid van een plan voor de economie als geheel en, tot slot, corruptie.
Dat is nogal wat, maar mij lijkt enige nuancering geoorloofd. Een nieuwe natie is niet in staat op stel en sprong alles goed te doen. Dat kost tijd. Het verleden werkt door en in dat verleden had Nederland als kolonisator alle belangrijke economische beslissingen genomen, ook de verkeerde. Die leggen nog vele jaren een hypotheek op de capaciteit van een land om het beleid om te buigen. Wat Suriname betreft gold dat met name voor de eerste zes genoemde tekortkomingen: weinig eigen middelen, eenzijdige productiestructuur, export oriëntatie, ongelijkheid, de praktijk van het ‘regelen’ en de obsessie met projecten. Bovendien had de emigratie naar Nederland van vele mensen die het niet eens waren met de onafhankelijkheid een gat geslagen in de capaciteit om een goed beleid uit te stippelen en uit te voeren.
De beide andere tekortkomingen die Gowricharn noemt (onvoldragen planning en sluipende corruptie) legden niet zo’n zware hypotheek op de politiek als vaak is beweerd. Er was wel degelijk een plan, gericht op de langere termijn, tien jaar vooruit, met aandacht voor verschillende regio’s en sectoren: het Programma voor de Sociaaleconomische Ontwikkeling van Suriname. (2) Het was weliswaar opgesteld door een Surinaams-Nederlandse commissie van deskundigen, maar het was een Surinaams plan: de keuzes die daarin werden gemaakt waren door Suriname gemaakt. Die golden onder meer een keuze van zes centrale concentratiegebieden (Paramaribo, Nickerie-Wageningen-Coronie, Apoera-Kabalebo Coppename, Moengo-Albina-Patamacca, Brokopondo en het binnenland). Voor elk van deze gebieden werd aangegeven welke economische sectoren (landbouw, veeteelt, visserij, bosbouw, mijnbouw en energievoorziening) tot ontwikkeling konden worden gebracht. Ook werd in dit plan ingegaan op de vereisten om onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en sociale zorg tot ontwikkeling te brengen. Bovendien waren er steunrapporten: Frank Esseds Mobilisatie van het Eigene (3) en het Intentieplan Sociaal Beleid Suriname opgesteld door Jan Breman en Bram Peper op verzoek van het Surinaamse Planbureau. (4) De plannen werden bekritiseerd, ook door mij, maar die kritiek gold de inhoud. Het plan was erg ambitieus, zou in een bestek van tien jaar niet volledig kunnen worden uitgevoerd en mikte zo sterk op de ontwikkeling van de bauxietmijnbouw in West Suriname dat, ook al was dit niet de opzet, andere sectoren en regio’s in de knel zouden komen. Bovendien was onvoldoende uitgewerkt hoe de plannen zouden worden uitgevoerd, niet in financiële zin, want de middelen waren beschikbaar, doch bestuurlijk. Maar die kritiek was van een tweede orde: de plannen bestonden, daar ging het om, en ze waren niet koloniaal, doch Surinaams eigendom.
Wat het tweede punt betreft: er was inderdaad corruptie, maar die verlamde vooral de uitvoering van het beleid, niet de grote politieke keuzes op economisch gebied. De ontwikkelingssamenwerking werd er niet door getroffen. Daarop werd zeer nauwgezet toegezien. Mede om corruptie te voorkomen was overeengekomen dat de gelden niet á fonds perdu zouden worden overgemaakt. Ze zouden worden gebonden aan overeenstemming over afzonderlijke programma’s, waarbij erop werd toegezien dat deze in gelijke mate aan alle bevolkingsgroepen ten goede zouden komen, en niet alleen aan de achterban van de regeringspartij. De gedachte, die aan het eind van de jaren zeventig postvatte in Nederland, dat in Suriname de corruptie welig tierde was dan ook niet op feiten gebaseerd. Premier Arron werd door Bouterse gevangengezet, mishandeld en voor de rechter gedaagd op beschuldiging van corruptie. Bouterse had er alle belang bij om die beschuldiging waar te maken, maar hij ving bot. Arron werd op alle punten vrijgesproken. Degenen die echt corrupt waren maakten deel uit van het regime dat na de staatsgreep de macht naar zich toe trok en de staatsfinanciën plunderde.
Over de tekortkomingen van de economische politiek van Suriname in de beginjaren denk ik dus iets anders dan de auteur van dit boek. Het waren kinderziekten van een nieuwe staat. Ze waren bovendien minder ernstig dan de fouten die in het midden van de vorige eeuw gemaakt werden in vele andere nieuwe landen in Afrika en het Caraïbisch gebied. Sterker nog, in vergelijking met het buitenland had Suriname het voordeel enkele decennialang, gedurende de aanloop naar onafhankelijkheid, ervaring te hebben opgedaan met democratische processen. De maatschappelijke onvrede over het sociaaleconomisch beleid van de eerste vijf jaar na de onafhankelijkheid kon tot uiting komen in de voor maart 1980 geplande verkiezingen en dus in een eventuele nieuwe regering en een ander beleid. Daar is het helaas niet van gekomen, ten gevolge van de staatsgreep die in februari van dat jaar werd gepleegd en de moordpartij op 8 december 1982. Dat zette alles op z’n kop.
In 1975 begon Suriname met een schone lei. Alle buitenlandse schulden werden kwijtgescholden. Van die last was het land bevrijd. Aan de vooravond van de staatsgreep was het land nog steeds schuldenvrij. Maar daarna ging het bergafwaarts. Door potverteren, begrotingstekorten en nieuwe buitenlandse schulden raakte de economie in verval. Telkens wanneer na verkiezingen een regering aantrad die de economie weer gezond wilde maken, moest er zoveel puin geruimd worden, zoveel aangepast en zoveel bezuinigd op basisvoorzieningen, dat kiezers zich de volgende keer opnieuw van die regering afwendden en het populistische spilzieke regime van daarvoor een nieuwe kans gaven. Bouterse c.s. plunderden de econome, maar Venetiaan werd er politiek op afgerekend. Dat stuivertje wisselen is enkele malen achtereen doorgegaan, veertig jaar lang. Suriname raakte in economisch opzicht een paar decennia achterop.
In het boek dat voor ons ligt, Klein land, grote uitdagingen, pretendeert de auteur niet om een volledige analyse van de economische politiek te presenteren. Het is niet bedoeld als een handboek, maar een bundel essayistische inzichten in een select aantal onderwerpen. Over het verleden is hij kort. Hij steekt geen beschuldigende vingers uit, maar hij gaat uit van de situatie zoals die nu eenmaal is ontstaan en die thans geldt. Zijn teksten zijn beleidsgericht: wat staat Suriname nu en straks te doen?
Het resultaat is verfrissend. De auteur schroomt niet om heilige huisjes af te breken. De onderwerpen die hij bespreekt lopen wijd uiteen, maar zijn aanbevelingen hebben veel gemeen. Er lopen drie rode draden door de tekst:
Advies aan economen om met een bredere blik naar de maatschappij te kijken dan gebruikelijk is.
Advies aan beleidsmakers om niet naar Suriname te kijken als een klein land met beperkte mogelijkheden, maar als een natie met een groot potentieel.
Advies aan alle betrokkenen om een mentaliteit - een mind shift, aldus de auteur – en een bestuurscultuur uit te dragen die ruimte bieden voor vernieuwing.
Wat het eerste punt betreft windt Gowricharn er geen doekjes om. Dat is niet onverwacht: hij heeft zich ook in eerdere publicaties doen kennen als een econoom die over de grenzen van zijn eigen discipline heen kijkt en niet aarzelt gevestigde ideeën te onderwerpen aan een kritische blik. (5) Gowricharn hekelt het geloof in de markt, want de schaarste waarvan het marktdenken uitgaat is geen natuurlijk gegeven. Markten zijn niet zo flexibel als theoretici veronderstellen en dat heeft gevolgen voor vraag- en aanbodverhoudingen en voor de prijsvorming. Bovendien, en dat is essentieel, het handelen van mensen op een markt vloeit niet alleen voort uit economische overwegingen. Culturele factoren, zoals religie, traditie en groepsbinding, zijn vaak nog belangrijker.
Dat inzicht brengt Gowricharn tot kritiek op zijn vakgenoten. Die kijken volgens hem in Suriname vooral naar de factor kapitaal en naar de buitenlandse handel. Ze hebben weinig oog voor de factor arbeid en voor armoede en ongelijkheid. Ze verrichten onvoldoende studie van de sociaaleconomische structuur, die in Suriname meer gelaagd is dan wordt verondersteld. De auteur pleit ervoor dat niet alles wordt verwacht van de export. De binnenlandse consumptie met al haar vertakkingen kan een belangrijke stimulans zijn in het ontwikkelingsproces.
Over de factoren die een beslissende invloed hebben op dat ontwikkelingsproces is veel getheoretiseerd, niet alleen in de twintigste eeuw, toen de nadruk lag op economische groei en economische ontwikkeling, maar ook in de een en twintigste eeuw, toen nieuwe theorieën opkwamen, waarbij de nadruk kwam te liggen op niet-economische factoren. Maar over die theorieën is Gowricharn niet minder kritisch. In een van de essays maakt hij gehakt van de theorie van Acemoglu c.s. waarin verschillen tussen landen geheel en al worden toegeschreven aan instituties die al naar hun aard stimulerend dan wel remmend kunnen werken. (6) Hij acht die theorie te generaliserend, ook al omdat zij abstraheert van andere factoren, zoals de toegang tot grond, natuurlijke hulpbronnen, geografie, ecologie, en klimaat. Over een andere analyse die sinds de eeuwwisseling in het centrum van de belangstelling staat, de theorie van Banerjee en Duflow over de beste manier waarop armoede kan worden bestreden, is Gowricharn milder. Hij prijst de antropologische invalshoek, maar hekelt de technocratische benadering. (7) Ik ben het niet op alle punten met Gowricharn eens, maar zijn betoog daagt de lezer uit om zowel oude als nieuwverworven inzichten kritisch te bezien.
Al deze kanttekeningen, verspreid over verschillende essays, komen samen in een mooi slothoofdstuk getiteld ‘Andere economie’. Daarin onderzoekt Gowricharn het onderliggende mensbeeld van de traditionele economische wetenschap - de ‘homo economicus’ -, de praktische methodologie waarbij structuren, processen en beleid worden weergegeven in de vorm van wiskundige modellen en, tenslotte, het negeren van het culturele karakter van de economie. Een herbezinning is nodig, aldus Gowricharn: ‘Dat zal ongetwijfeld leiden tot een andere vorm van economisch denken en hopelijk ook tot een betere economie’.
Die slotzin van het boek brengt me tot de tweede rode draad: een betere economie kan ontstaan wanneer beleidsmakers leren ‘out of the box’ te denken en afstand nemen van algemeen aangehangen meningen. Het brengt hem tot verrassende voorstellen, niet radicaal of revolutionair, wel flink afwijkend van gevestigde ideeën, doch niet gespeend van realisme en daarom zeker uitvoerbaar. Ik noem er een paar: mik niet alleen op de landbouw, maar ook op de lichte industrie van consumptiegoederen, verwerking van land- en tuinbouwproducten en moderne visserij. Mik op nieuwe sectoren als ICT, medische specialisaties en financiële dienstverlening. Probeer in deze sectoren niches te ontwikkelen in de Caraïbische regio.
Maak een plan op langere termijn voorde oliesector. Denk daarbij niet alleen aan de financiering van de noodzakelijke investeringen, maar ook aan de ontwikkeling van de arbeidsmarkt die ermee gepaard gaat. Bereid je voor op een omvangrijke immigratie van geschoold personeel, zowel voor de oliesector als voor sectoren die ermee verweven zijn. Bereid je voor op sociale spanningen die daaruit voortvloeien en op de voorzieningen die moeten worden getroffen. Maak een plan voor de besteding van de olie-inkomsten. Die kunnen de weg bakenen naar een moderne economie, verbetering van de infrastructuur, vernieuwing van de voorraad kapitaalgoederen en verhoging van het opleidingsniveau. Maak op die manier de economie, ook al is de omvang gering, minder kwetsbaar.
Ontwerp regionaal geconcentreerde groeikernen, waarbinnen meerdere economische pijlers tot ontwikkeling kunnen komen. Maak Nickerie tot een kern met een gemengde agro- en mijnbouweconomie. Dat district heeft vele logistieke voordelen. Doe iets dergelijks in Marowijne rond de houtkap en mijnbouw en in Commewijne rond digitale diensten en toerisme. Maak Suriname niet alleen afhankelijk van olie en goud, maar mik ook op nieuwe sectoren en producten als lichte industrie (met een accent op consumptiegoederen), tuinbouw, cacao en financiële diensten. Bouw een tweede brug over de Surinamerivier. Ontwikkel speciale niches waarin Suriname zich kan onderscheiden en die de markt in de regio kunnen bedienen. Doe dat, hoewel olie vooralsnog de belangrijkste bron van inkomsten zal zijn, ook voor waterkracht en zonne-energie, zodat Suriname kan voorsorteren op de wereldwijde substitutie van olie en gas naar schone energie.
Bestrijd inflatie niet alleen met een rentebeleid, maar ook met fiscale maatregen, bijvoorbeeld om graaiflatie tegen te gaan. Voorkom het stelselmatig uitdijen van de overheid door sommige voorzieningen over te hevelen naar de particuliere sector, die minder overbodige banen schept en de banen die nodig zijn toewijst op grond van kwaliteit in plaats van etnische relaties en loyaliteit.
Bouw het leger om tot een milieupolitie, die orde en gezag in het binnenland moet handhaven. Creëer een fiscale politie ter ondersteuning van de belastingdienst. Versterk de instituties van de rechtsstaat die een tegenmacht vormen jegens politici die zich door het wenkende perspectief van opbrengsten uit de oliewinning laten verleiden tot onverantwoorde beslissingen. Maak de Centrale Bank onafhankelijk van de politiek
Tenslotte de derde rode draad: een mentaliteitsverandering die de weg opent naar vernieuwing van economie en maatschappij. Ik noem weer enkele voorbeelden van de suggesties die Gowricharn daartoe doet:
Doe niet alleen in financiële zin een beroep de diaspora – ‘Kom en investeer’- maar gebruik haar potentieel (kennis, ervaring en menskracht) ook bij de ontwikkeling van specifieke sectoren, zoals universitair en beroepsonderwijs en de publieke sector. Ontwerp een diasporabeleid. Betrek de diaspora bij de ontwikkeling van het land, bijvoorbeeld door regelmatig overleg te plegen, zoals de regering van Kaapverdië dat doet.
Besef dat een eventuele resource curse meer een politiek vraagstuk is dan een economisch probleem. Ontsla na verkiezingen geen deskundige hoge ambtenaren die door een vorige regering waren aangesteld. Ook hier geldt: kwaliteit gaat boven loyaliteit. Besteed bij het begrotingsbeleid niet alleen aandacht aan de inkomstenkant, maar breng de uitgaven op orde. Ontsla ambtenaren die niets doen of die een overheidsbaan beschouwen als een nevenactiviteit, naast een dik betaalde functie als adviseur, consultant of ondernemer in de particuliere sector. Leg de statusverheffing van politieke gezagsdragers aan banden en bestrijd de spilzieke bestuurscultuur. Rem de neiging van jonge mannen af om zonder adequate scholing een politieke carrière te zoeken om zich te verrijken. Versterk de fiscale moraal. Organiseer een publiek debat waarin alle delen van de bevolking via alle media hun zegje kunnen doen over de toekomstige ontwikkeling van het land.
Het is een rijk arsenaal aan suggesties. Wie ze stuk voor stuk de revue laat passeren ziet dat het geen hoogdravende idealen betreft, maar down to earth realisme, behartigingswaardig en haalbaar. Gowricharn heeft zijn essays niet in een ivoren toren geschreven. Hij weet waarover hij praat, niet alleen als een goed econoom, maar ook omdat hij de harde praktijk van het leven in Suriname aan den lijve heeft ondervonden. Daar getuigde hij van in een enkele jaren geleden verschenen relaas over zijn persoonlijke ervaringen met die praktijk. Dat boek, De Goudsmid, is een juweeltje, een zeer persoonlijke geschiedenis van zijn Hindostaanse familie. (8) Maar het is meer dan dat. Het is ook een cultureel antropologische beschouwing over de veerkracht van mensen en families in de marges van de economie. Dat is ook de kracht van de inzichten en uitdagingen beschreven in dit boek. Ze gaan over de veerkracht van een economie die een tijdlang gemarginaliseerd leek, maar een halve eeuw na de verkregen onafhankelijkheid nieuwe kansen heeft zich op te richten. Ook wie, zoals Gowricharn, op 25 november 2025 vond dat er weinig te vieren viel, kan zich vandaag laten leiden door een nieuw perspectief op verwezenlijking van brede welvaart voor iedereen.
Jan Pronk
Voorwoord bij: Ruben Gowricharn, Klein land, grote uitdagingen. Economische ontwikkelingen in Suriname. Volendam: LM Publishers (2026), pp. 7-15.
Ik heb een en ander wat meer uitvoerig beschreven in: Jan Pronk, Suriname. Van wingewest tot natiestaat, Volendam: LM Publishers (2023), blz. 51-59.
Programma voor de sociaaleconomische ontwikkeling van Suriname. Deskundigen de Surinaams-Nederlandse Commissie van deskundigen, H.E. Rijsdijk en H.C. Bos (voorzitters), Stichting Planbureau Suriname, Paramaribo (1975).
De Mobilisatie van het Eigene. Een ruimtelijk-fysieke bijdrage aan de Integrale Planning, Rapport opgesteld door F.E. Essed e.a., Paramaribo, (1975).
Intentieplan Sociaal Beleid Suriname. Een voortgangsnota, Rapport opgesteld door J.C. Breman en A. Peper, t.b.v. Stichting Planbureau Suriname (1973).
Zie bijvoorbeeld: Ruben Gowricharn, Miskend Verleden. Hindostaanse boeren in Suriname 1980-1980. Hilversum: Verloren (2020). Zie ook zijn afscheidsrede op de Vrije Universiteit: Wetenschap gerelativeerd. Kanttekeningen uit d leefwereld. Amsterdam: Amsterdam University Press (2021).
Daron Acemoglu & James Robinson, Why Nations Fail. The Origins of Power, Prosperity and Poverty. London: Profile Books (2013).
Abhijit Banerjee & Esther Duflo, Poor Economics, London: Penguin Books (2011).
Ruben Gowricharn, De goudsmid. Marginalisering en veerkracht van een Hindostaanse familie. Zutphen: Walburg Pers (2021).