Jan Pronk

“De kracht van mensen die ergens in geloven”

In Tijdschrift Milieu, Jaargang 28, nr. 6, december 2002, p.20-22. Interview met Jaap Rodenburg

Originele artikel in Tijdschrift Milieu (PDF, 2,4MB)

Als iemand kan terugblikken op de effecten van Grenzen aan de groei, is het Jan Pronk wel. Als Kamerlid, minister en VN-diplomaat deed hij veel om de centrale gedachte van het rapport politiek te vertalen. Maar niet genoeg, vindt hij zelf. Rode draad door zijn terugblik: mensen die kunnen mobiliseren zijn onmisbaar.

Wanneer hoorde u van Grenzen aan de groei?
“In 1972 waren er twee belangrijke momenten: de VN-conferentie over het milieu in Stockholm en het rapport van de Club van Rome. In Stockholm ging het over economische groei in relatie tot ontwikkeling. Grenzen aan de groei voorspelde schaarste aan essentiële elementen voor economische groei. Het rapport was echt een bombshell. Zeker in Nederland kwam het hard binnen. Vooral dankzij jongeren en een opkomende groep milieuorganisaties was er ook een goed klimaat voor het rapport. Als econoom was ik erg geïnteresseerd in dit type vragen, vanuit welfare economics: in hoeverre zijn economische beslissingen rationeel? En hoe ga je om met externe effecten, ook op het gebied van milieu, waar het marktmechanisme geen rekening mee houdt? Bij de PvdA schreven we al in 1970 een rapport over de vraag: is groei belangrijk op zichzelf, en bevordert het de leefbaarheid van de samenleving of tast het die aan? Die discussie wilden we op de politieke agenda krijgen, ook toen ik in 1971 in de Tweede Kamer kwam als woordvoerder ontwikkelingssamenwerking.

En lukte dat?
“Onze fractievoorzitter Joop den Uyl pikte het onderwerp zeker op. Hij bracht de progressieve partijen van toen – de PPR (een voorloper van GroenLinks, JR), de PvdA en D66 – in 1971-72 bij elkaar. De kern van hun gemeenschappelijke verhaal was: er is een einde aan de groei en daar moeten we op inspelen met hervormingen. Maar die moeten worden gedragen door de sterkste schouders, en de zwakste groepen moeten de garantie hebben dat zij niet financieel het slachtoffer worden. Gelijkheid is dus een voorwaarde voor fundamentele hervormingen, anders krijg je er geen draagvlak voor.”

En toen kwamen die partijen in de regering.
“In 1973 gingen we inderdaad het kabinet in met ons programma Keerpunt ’72. Er kwam voor het eerst een minister van Milieu, Irene Vorrink, en we probeerden wat te sleutelen aan het milieubeleid. Dat was niet zo eenvoudig, omdat we ineens te maken kregen met de oliecrisis. Een voorbeeld van schaarste, maar dat was wel een bewuste beslissing van de olieproducerende Opeclanden. Wij vertaalden dat als: we moeten ons nu heel erg gaan aanpassen en minder energie gaan verbruiken. Dat leidde niet meteen tot gigantische veranderingen. Maar we stelden in 1976 in de nota Selectieve groei wel vast dat groei geen doel op zich was. Groei moest ten goede komen aan mensen, werkgelegenheid opleveren en niet leiden tot meer ongelijkheid.”

Hebben u en uw collega’s toen veel voor elkaar gekregen?
“Ik geloof het niet, op de open Oosterscheldekering na. Als minister van Ontwikkelingssamenwerking vond ik dat ontwikkelingslanden de kans moesten krijgen om verder te komen. Daar was ook draagvlak voor. Toen was de vraag: kunnen we ontwikkelingshulp daarop richten? Maar in de energiecrisis stonden we met twee linkerhanden. Ik ben in die periode, ’73 tot ’77, niet veel verder gekomen dan heel veel aandacht besteden aan bos- en natuurbescherming, aan ‘niet kappen voor meer landbouwgrond’. In Nederland was daar ook veel belangstelling voor bij o.a. de Wageningen Universiteit; daar waren ze toen nog gericht op duurzame tropische land- en bosbouw. Samenvattend gebeurde er in Nederland wel iets, maar niet genoeg. Internationaal: idem. Hervormingen kwamen niet tot stand. Het Westen gaf drie antwoorden op de oliecrisis: olie winnen uit de Noordzee, wapens verkopen aan de Opec-landen om zo het oliegeld weer terug te halen, en kernenergie. Zo kwam er een einde aan de claim van een nieuwe internationale economische orde.”

Daar kwam later wel weer ruimte voor?
“Ja, toen in 1989 de Berlijnse Muur viel. Dat was een opluchting hier en in het Zuiden: alles kon opeens. We gingen aan de slag met democratisering, met armoede, milieu, natuur en klimaat. Dus waren er in 1992 hoge verwachtingen van de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling in Rio de Janeiro. En dat werd inderdaad een klaroenstoot. Er waren heel veel jongeren en die liepen allemaal met een mobiele telefoon. Voor het eerst hielden die constant contact met hun achterban, met elkaar én met mensen in een besloten vergadering. Het werd feitelijk transparanter; de conferentie was een innovatie van communicatie. Er kwam een mooie tekst uit: Agenda 21 en de Rio Principles. De overeengekomen waarden werden vastgelegd in een charter. Dat gaf een belangrijke politieke en wetenschappelijke push.”

Een soort herkansing voor Grenzen aan de Groei?
“Ja, door verdragen kreeg het onderwerp handen en voeten. Volgens het Klimaatverdrag gingen alle landen hun best doen om de uitstoot te verminderen. En zij wilden die belofte ook vertalen in een juridisch afdwingbare verplichting; dat werd het Kyotoverdrag 1996. Eigenlijk was het een wonder dat er vier jaar na Rio al reductiedoelstellingen kwamen met jaren erbij. Ik heb in 2000 die onderhandelingen bij COP6 geleid, hier in Den Haag en in Bonn. Dat leidde tot een protocol dat afdwingbaar was voor iedereen; alleen Amerika onder Bush en Australië deden niet mee. Tijdens die COP was de milieubeweging krachtig en was er veel aandacht. Maar toen het verdrag er eenmaal was en in werking zou treden, was de aandacht weg. De vonk sloeg niet meer over, het werd bureaucratisch en gepolder.”

Dus de herkansing leverde uiteindelijk weinig op?
“Ik kwam terug met het zwaarbevochten verdrag en mocht van het kabinet de uitvoering in Nederland “coördineren”. Dan stuit je op zoveel onwil van bedrijven die via Economische Zaken en Landbouw behoorlijk weten te lobbyen. Ik vond het onderhandelen met Nederlandse bedrijven moeilijker dan met welke internationale partij dan ook. Ik had ook weinig tijd; in 2002 viel het kabinet al. Daarvoor heb ik nog het 5e Nationaal Milieubeleidsplan geschreven, dat was in 2000 klaar. Het was mooi, analytisch, ambiPronk legt een zandzak op de dijk die Milieudefensie heeft gebouwd bij COP6, november 2000 Grenzen aan de groei 22 Tijdschrift Milieu, december 2022 THEMA tieus op de doelstellingen, Europees – maar er stond niks in over instrumenten. Wat ben ik daarin tekortgeschoten; het had geen handen en voeten, het was niet ‘dit moet, dit gaan we doen’. Qua klimaat was het wel concreet, maar instrumenteren was heel moeilijk geworden door de invloed van de Shells van deze wereld bij EZ. En daarna hebben de kabinetten-Balkenende hun voeten er weer aan afgeveegd. Je hebt dan tegenwicht nodig van buitenparlementaire groeperingen, maar dat was er in 2000 niet meer. De milieubeweging was ook ‘vertechnocratiseerd’ en geprofessionaliseerd.”

Toen kregen we Balkenende, Fortuyn… en de financiële crisis van 2008.
“Zoals ik eerder zei: draagvlak krijg je alleen door mensen te garanderen dat ze zullen profiteren. Maar tussen 2010 en 2020 zijn de verzorgingsstaat en de publieke voorzieningen juist uitgekleed, met de PvdA als medeschuldige. Ik vind dat tien verloren jaren, al zijn er ook kansen gegrepen – kijk naar de Social Development Goals (SDG’s) uit 2012. Na 2010 nam de mobilisatie voor milieu en duurzaamheid ook weer toe, met mensen als Marjan Minnesma van Urgenda, of Greta Thunberg. Die mobiliseren mensen en kunnen zo op democratische wijze ook macht uitoefenen. Of klimaatactiviste Miranda Whelehandie, die overeind bleef bij de vijandige presentatoren van Good Morning Britain. Of Anouk Nuijens met haar mooie theaterstuk over de rechtszaak tegen Shell. Dat is de kracht van mensen die ergens in geloven, die zich ergens voor inzetten. Ondernemingen krijgen dan in de gaten dat ze ook te maken hebben met een kracht in de samenleving. Dat zag je ook tijdens de klimaattop in Parijs in 2015. Jongeren, de milieubeweging, steden en regio’s lieten zich daar horen. En er kwam ook een generatie jonge technici die binnen bedrijven het gevecht wilden aangaan. Dat heb ik altijd erg belangrijk gevonden.”

De milieubeweging ging ook steeds vaker het juridische instrument gebruiken – bijvoorbeeld bij stikstof.
“Dat werkt ook, maar ik zou Johan Vollenbroek wel aanraden om iets meer empathie te hebben voor de boeren. Door zo op je eigen gelijk te hameren kun je de tegenkrachten ook sterker maken. Als boeren boer willen blijven, gun ze dat dan, maar help ze om te minderen en te veranderen.”

Terugkijkend: zou u bepaalde dingen anders hebben gedaan en zo ja, welke?
“Je bent natuurlijk altijd onderdeel van het geheel. Maar ik heb te weinig voor elkaar gekregen, op heel veel terreinen. In de jaren ‘90 zijn we in Nederland iets te veel meegegaan met het neoliberalistische denken. Ik heb me daartegen verzet, maar ik verloor. De invloed van de Studiegroep Begrotingsruimte op Financiën. Intellectuele technocraten lieten stap voor stap het geloof in de noodzaak van stabiliteit, bezuinigingen en evenwicht doordringen tot politiek en samenleving, tot we dat gingen zien als een vanzelfsprekend keurslijf in ons eigen belang. En dat keurslijf is heel slecht voor de kwaliteit van de samenleving en voor rechtvaardigheid, gelijkheid en kwaliteit van consumptie.”

Wilt u de lezers van Milieu nog een boodschap meegeven?
“In 1947 deed ik als scholier mee aan een prijsvraag. Ik moest een opstel schrijven met het thema: ‘Deze tijd vraagt om soberheid en zelfbeheersing’. Als kind tijdens de wederopbouw snapte ik dat. Ik won niets, maar die titel bleef me altijd bij. Nu is mijn stelling: ‘Deze tijd vraagt om nog veel méér soberheid en zelfbeheersing! En als je dan ziet hoe iedereen na corona weer terug wil naar ‘het oude normaal’ – ik vind het pervers. We rennen naar de afgrond. Dus ja, soberheid en zelfbeheersing moeten aan de basis liggen van een échte reset.”