‘Een nieuwe natie werd geboren, vol diversiteit’,
Interview in: Sahin Yildrim e.a. (red.),
50 Jaar onafhankelijkheid van Suriname 1975-2025, pp. 10-16, Den Haag: Atlas Cultureel Centrum.
Bron: Artikel, PDF (1.2MB)

Jan Pronk vertelt over de totstandkoming van de Onafhankelijkheid
‘In Suriname zelf vonden de gesprekken plaats tot diep in de nacht, soms tot drie uur in de ochtend, ook op de dagen vlak voor de Onafhankelijkheid. Pas om zes uur op 25 november werd eindelijk definitieve overeenstemming bereikt over de grenskwestie – geen kleine details, maar cruciale punten die de identiteit van de nieuwe natie bepaalden. Om negen uur die ochtend vond de officiële soevereiniteitsoverdracht plaats in de aula van de Universiteit van Suriname, gevolgd door een groot feest in het stadion. De Nederlandse delegatie vertrok de volgende dag terug, uitgeput, maar voldaan.’
Jan Pronk is een Nederlandse oud-politicus van de PvdA, bekend om zijn inzet voor ontwikkelingssamenwerking en internationale rechtvaardigheid. Hij was een van de invloedrijkste ministers voor Ontwikkelingssamenwerking in de Nederlandse geschiedenis.
Hij was minister voor Ontwikkelingssamenwerking in de kabinetten Den Uyl, Lubbers III en Kok I, en minister van VROM in kabinet Kok II. Pronk speelde een belangrijke rol bij de Onafhankelijkheid van Suriname in 1975. Hij was betrokken bij de onderhandelingen en het ontwikkelingsverdrag. Zijn visie op internationale rechtvaardigheid is nog altijd actueel – ook vijftig jaar na de Onafhankelijkheid van Suriname.
‘Ik ben geboren in een familie waarin onderwijs een grote rol speelde. Zowel mijn vader als mijn grootvader droegen dezelfde naam als ik, Jan Pronk, en waren evenals ik in Scheveningen geboren. Mijn moeder, Elisabeth van Geel, kwam uit Sewoe Galoer in Indonesië en haar vader was registeraccountant. Mijn ouders, mijn broer Piet en mijn zus Liesbeth werkten allemaal als onderwijzers op de lagere school. Deze achtergrond gaf mij een basis van kennis, maatschappelijke betrokkenheid en discipline.
Na het gymnasium in Den Haag koos ik voor economie aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam, tegenwoordig de Erasmus Universiteit. Daar werkte ik onder leiding van Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen, bij wie ik zeven jaar als onderzoeksassistent werkte en colleges gaf in ontwikkelingseconomie. In die periode raakte ik ook actief betrokken bij verschillende niet-gouvernementele organisaties op het gebied van ontwikkeling en vrede. Zo was ik in 1968 jeugdafgevaardigde naar de Algemene Vergadering van de Wereldraad van Kerken in Uppsala.
In 1971 werd ik verkozen tot lid van de Tweede Kamer, waar ik me specialiseerde in ontwikkelingssamenwerking. Twee jaar later werd ik minister voor Ontwikkelingssamenwerking in het kabinet-Den Uyl. Ik speelde een belangrijke rol bij de onderhandelingen over de Nieuwe Internationale Economische Orde en was nauw betrokken bij de Onafhankelijkheid van Suriname in 1975.’
Twee jaar lang onderhandelen
‘In de week voorafgaand aan 25 november 1975 kwam er van slapen weinig terecht. Ik voelde de spanning en wist dat we ons op een historisch moment bevonden: de soevereiniteitsoverdracht van Suriname. We dachten op weg te zijn naar een harmonieuze overdracht, maar wat volgde was vooral een harde les in onderhandelen.
De onderhandelingen tussen Nederland en Suriname hadden bijna twee jaar geduurd en leken af te lopen op een voorspoedige afloop. De teksten die de Onafhankelijkheid moesten regelen, waren klaar. Het Nederlandse parlement had het verdrag op 28 oktober goedgekeurd en op 19 november stemde ook de Surinaamse volksvertegenwoordiging ermee in. Dat was weliswaar heel kort voor de afgesproken datum van 25 november, maar we dachten dat de zaak beklonken was.
Toch was er nog geen volledige overeenstemming over alle onderwerpen. De belangrijkste onduidelijkheid betrof de ontwikkelingshulp die Suriname na de Onafhankelijkheid van Nederland zou ontvangen. Over de omvang waren we het eens, maar niet over de procedures en voorwaarden. Het verdrag was klaar, maar het aanvullende protocol nog niet. In theorie kon dat na de overdracht worden afgerond, maar dat zou het vertrouwen van Suriname in Nederland schaden. De Surinaamse regering had daarom de goedkeuring van het verdrag opgeschort, totdat ook over het protocol overeenstemming zou zijn bereikt.
Pas op 24 november, één dag vóór de overdracht, slaagden wij erin het protocol af te ronden. Ikzelf, als minister voor Ontwikkelingssamenwerking, wist in gesprek met mijn Surinaamse collega Michael Cambridge overeenstemming te bereiken. Diezelfde dag tekende Suriname het verdrag alsnog. Dat was op het nippertje.
Maar er was nog een ander en veel groter probleem dat zich onverwacht voordeed: de vraag waar precies de grenzen van Suriname lagen.’
We dachten op weg te zijn naar een harmonieuze overdracht, maar wat volgde was vooral een harde les in onderhandelen.
‘Dit onderwerp was tijdens de onderhandelingen besproken en leek geregeld: de grenzen zouden blijven zoals ze in de koloniale tijd waren vastgesteld. Drie Europese koloniale machten – Engeland, Frankrijk en Nederland – hadden ooit aan de noordkust van Zuid-Amerika hun territoria bepaald. Suriname lag tussen Guyana (het vroegere Brits-Guyana) en Frans-Guyana. In het verleden was er veel strijd geweest over de precieze ligging van de grenzen, vooral omdat de natuurlijke grensrivier de Corantijn in het westen en de Marowijne in het oosten vertakkingen kende. Welke tak de grens precies vormde was nooit echt definitief vastgesteld.
Hoewel de grenzen formeel vastlagen, was het betwist gebied nooit helemaal rustig geweest. In 1969 was bijvoorbeeld een gewapende overval vanuit Guyana geweest op het gebied Tigri, wat leidde tot spanningen en onderhandelingen over demilitarisering. Suriname wilde daarom garanties van Nederland dat het land zou worden gesteund bij een eventueel grensconflict. Dit was een gevoelige kwestie, omdat Nederland in principe geen militaire garanties kon geven zonder zichzelf te positioneren als neokoloniaal machtsblok, iets wat internationaal niet geaccepteerd zou worden.
Tijdens het debat in de Tweede Kamer waarin de Onafhankelijkheid werd bekrachtigd, werd de grenskwestie ook besproken. Staatssecretaris Kooijmans gaf aan dat een definitieve oplossing alleen mogelijk was met overeenstemming tussen Suriname en zijn buurlanden. Maar een Surinaams Statenlid, Somohardjo, eiste dat Nederland die kwestie vóór de Onafhankelijkheid zou regelen. Dat kon Kooijmans niet toezeggen.
De situatie bracht een dilemma met zich mee: Suriname wilde onafhankelijk worden en wij steunden die wens, maar de grenskwestie was niet opgelost en zou niet meer door Nederland kunnen worden geregeld. De verantwoordelijkheid daarvoor lag nu bij de nieuwe staat en haar buren.
Dit speelde zich af tegen de achtergrond van een wereldwijde dekolonisatiegolf die na de Tweede Wereldoorlog was ingezet. Suriname had al meer autonomie gekregen, maar de defensie en buitenlandse betrekkingen lagen nog bij Nederland. Nu Suriname volledig onafhankelijk werd, zou Nederland niet langer die bescherming kunnen bieden, ook al wilde Suriname dat wel.
Op de dag van de officiële overdracht, terwijl alles al was voorbereid, kwamen de Surinaamse onderhandelaars, onder leiding van premier Henck Arron, terug op dit punt. Ze vroegen opnieuw om een garantie van Nederland bij mogelijke grensconflicten.’
Nu Suriname volledig onafhankelijk werd, zou Nederland niet langer die bescherming kunnen bieden, ook al wilde Suriname dat wel.
‘De gesprekken werden opnieuw geopend, kaarten werden over tafel gelegd en alle eerdere argumenten en afspraken werden opnieuw besproken.
Voor ons was dat een erg lastig moment. In Den Haag was het kabinet-Den Uyl net tot diep in de nacht bezig geweest met een moeizame vergadering over een hervormingsagenda, en de ministers hadden nauwelijks geslapen. Premier Den Uyl en minister De Gaay Fortman moesten vrijwel direct na afloop van de vergadering naar Schiphol voor de reis naar Suriname, waar een delegatie inclusief prinses Beatrix en prins Claus al op hen wachtte.’
Grenzen gebaseerd op historische afspraken
‘In Suriname zelf vonden de gesprekken plaats tot diep in de nacht, soms tot drie uur in de ochtend, ook op de dagen vlak voor de Onafhankelijkheid. Pas om zes uur op 25 november werd eindelijk definitieve overeenstemming bereikt over de grenskwestie – geen kleine details, maar cruciale punten die de identiteit van de nieuwe natie bepaalden.
Om negen uur die ochtend vond de officiële soevereiniteitsoverdracht plaats in de aula van de Universiteit van Suriname, gevolgd door een groot feest in het stadion. De Nederlandse delegatie vertrok de volgende dag terug, uitgeput, maar voldaan.
De onderhandelingen waren een harde les. De Surinaamse onderhandelaars hadden geleerd hoog in te zetten, standpunten lang vast te houden, en tot het laatste moment door te vechten. Dit had hen veel gebracht, maar de grenskwestie was een stap te ver geweest.
De uitkomst was een brief van premier Den Uyl aan Arron, waarin de grenzen van Suriname werden beschreven op basis van historische afspraken: welke rivieren en rivieroevers de grenzen vormden, en hoe ook de zeegrenzen aan de Atlantische kust waren vastgesteld. Deze beschrijving was niet gedetailleerd, maar voldoende om Suriname een stevige positie te geven – mocht er ooit een conflict ontstaan.’
De Surinaamse onderhandelaars hadden geleerd hoog in te zetten en tot het laatst door te vechten.

Jan Pronk en Eveline Herfkens in behandeling ontwikkelingssamenwerking, 25 november 1987
‘Nederland droeg de rechten die het ooit aan de grenzen had ontleend over aan Suriname en beloofde die standpunten te blijven ondersteunen. Maar er werd geen garantie gegeven dat Nederland militair zou ingrijpen bij een conflict. Juridisch stonden we aan onze kant, maar politiek bleef Suriname kwetsbaar. Dit grensvraagstuk was niet het enige dat de relatie tussen Nederland en Suriname na de Onafhankelijkheid zou blijven bepalen.
Het hele proces was een cruciaal moment in onze geschiedenis, maar voor velen in Nederland ging het bijna ongemerkt voorbij. Voor Suriname was het echter de geboorte van een nieuwe natie, met alle uitdagingen en hoop die daarbij horen.Deze ervaring leerde mij dat onderhandelen niet alleen gaat over afspraken op papier, maar ook over politiek, vertrouwen en het herkennen van het diepere belang dat een kwestie kan hebben voor een land en zijn mensen. De Onafhankelijkheid van Suriname was daarmee niet alleen het einde van een tijdperk, maar ook het begin van een nieuwe, met veel beloftes en onzekerheden.’

Henk Arron en Joop den Uyl bereiden de Onafhankelijkheid voor
Een lange en moeizame reis voor Suriname
‘De onderhandelingen over de Onafhankelijkheid van Suriname draaiden niet om de vraag of Suriname vrij zou worden, maar om hoe dat zou gebeuren. Wat we bereikten werd vastgelegd in verdragen, bindend en juridisch, maar de betekenis was veel groter. Het was de geboorte van een nieuwe natie, die zich voor het eerst presenteerde op het wereldtoneel. Op 25 november 1975, in Paramaribo, voelde ik de trots en de hoop bij die feestelijke gebeurtenis. De weg naar Onafhankelijkheid was niet zonder pijn en moeite geweest, maar uiteindelijk was het zover.’
Voor Suriname was dit de geboorte van een nieuwe natie, aan Nederlanders ging dit cruciale moment bijna ongemerkt voorbij.
‘Toch wist ik dat het samensmelten van Suriname tot een echte natie geen vanzelfsprekendheid was. Het land bestond uit een bijzondere mengeling van bevolkingsgroepen die eeuwenlang gescheiden waren geweest door geschiedenis en afkomst. Die diversiteit maakte het bouwen aan een gezamenlijke identiteit complex en uitdagend.

Regeringsconferentie in het Catshuis, Den Haag, maart 1975
Voor mij hing nationale identiteit samen met het land zelf: het geografische gebied met zijn natuur, klimaat en grondstoffen. Daarnaast speelde de economie een grote rol: landbouw, industrie, de verhouding tussen stad en platteland, en de manier waarop welvaart verdeeld werd. Maar het belangrijkste waren de mensen — hun afkomst, cultuur, tradities en waarden. Suriname was een smeltkroes van groepen die ieder hun eigen geschiedenis en achtergrond meebrachten.
Na de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat Suriname geen autonome staat was. De macht lag bij de Nederlandse koloniale bestuurders, de economie werd van buitenaf gestuurd en de bevolking had nauwelijks invloed. De blanke elite had de controle, terwijl de meerderheid vaak arm en stemloos bleef. Verzet werd hard onderdrukt, maar de situatie begon langzaam te veranderen in de jaren dertig en veertig. Er kwamen nieuwe wetten die de autonomie van Suriname vergrootten en het officiële gebruik van de naam Suriname markeerde een symbolische stap richting zelfbestuur.
De Onafhankelijkheid was slechts het begin van een lange en moeizame reis. Suriname moest zichzelf nog vinden als natie, een eenheid smeden uit die rijke, maar ook moeilijke verscheidenheid. De uitdaging was groot: een stabiele democratie opbouwen, een eigen economie ontwikkelen, en vooral een gevoel van samenhorigheid creëren.’
Onze macht om ‘ja’ of ‘nee’ te zeggen tegen de wensen uit Suriname steunde op een geschiedenis van kolonialisme.
‘Ik besefte dat het verleden — met kolonisatie, slavernij en onderdrukking — zwaar drukte op deze jonge natie. Maar ik zag ook hoop. De strijd om Onafhankelijkheid was gewonnen, nu begon het werk om Suriname écht een eigen toekomst te geven.’
Onafhankelijkheid en historisch besef
‘Als onderhandelaar kon ik tevreden zijn: de Onafhankelijkheid van Suriname was eindelijk een feit. De gesprekken verliepen in vrede en met respect, en de uitkomsten waren positief voor zowel Nederland als Suriname. We hielden ons aan de afspraken die we hadden gemaakt, beloofden hulp zonder onze begroting te belasten en namen geen onrealistische verplichtingen aan over de grenzen van het nieuwe land.
Toch bleef ik worstelen met de vraag of onze tevredenheid wel terecht was. Waar haalden wij als Nederlandse politici in 1975 het recht vandaan om te onderhandelen over de Onafhankelijkheid, terwijl die eigenlijk al veel eerder had moeten plaatsvinden? Onze welvaart was immers mede opgebouwd dankzij het koloniale verleden — de uitbuiting en onderdrukking van andere landen, waaronder Suriname. Onze positie als westerse natiestaat, die de macht had om ‘ja’ of ‘nee’ te zeggen tegen de wensen uit Suriname, steunde op die geschiedenis van kolonialisme. Hadden wij eigenlijk wel het recht ons te bemoeien met staatsopbouw en mensenrechten in een land waar we eeuwenlang het ontwikkelen van een eigen natie hadden tegengehouden?
Tijdens de onderhandelingen speelden deze vragen voortdurend door mijn hoofd. Twintig jaar eerder, als jongen van tien, had ik voor het eerst iets over Suriname gelezen in een plaatjesalbum van Douwe Egberts, geschreven door Piet Bakker. Hij beschreef niet alleen de schoonheid van Nederlands West-Indië, maar wees ook scherp op de schrijnende armoede in Paramaribo. Krotten waar slaven ooit woonden, overvolle scholen, erbarmelijke leefomstandigheden — het maakte diepe indruk op mij. Bakker sprak van een “ereschuld” die Nederland aan Suriname had.
Later, op school en tijdens mijn studie, begon ik te begrijpen hoe groot die schuld was. Ik leerde de geschiedenis en het koloniale systeem ook zien vanuit het perspectief van Azië, Afrika en Latijns-Amerika.
Toen ik begin jaren zeventig de politiek inging, wist ik dat mijn generatie niet persoonlijk verantwoordelijk was voor wat eerder was gebeurd, maar dat we het stokje hadden overgenomen en medeverantwoordelijk waren. Die ereschuld moest worden ingelost door Suriname volledige vrijheid te geven, compensatie en herstel te bieden, en middelen beschikbaar te stellen voor een toekomst. Het koloniale verleden was niet ongedaan te maken, maar wij droegen de plicht om de negatieve gevolgen ervan zoveel mogelijk te herstellen.’
Verleden, Verantwoordelijkheid en Toekomst
‘Suriname staat de komende jaren volop in de belangstelling. Op 25 mei 2025 werden de presidentsverkiezingen gehouden, en op 25 november vieren we het 50-jarig jubileum van de Onafhankelijkheid. Suriname was bijna driehonderd jaar een kolonie van Nederland. Gedurende die lange periode bepaalde Nederland de grenzen, de bevolkingssamenstelling en de economie van het land. De gevolgen daarvan bleven nog lang voelbaar, zelfs na de Onafhankelijkheid in 1975.
Ondanks deze zware erfenis heeft Suriname zich ontwikkeld tot een autonome staat die, met vallen en opstaan, haar eigen weg is gegaan. De geschiedenis laat zich echter niet uitwissen en werkt nog steeds door in het heden. Daarom ben ik van mening dat Nederland nog steeds een medeverantwoordelijkheid draagt voor de toekomst van Suriname en haar bevolking. Het verleden bepaalt niet alleen wat geweest is, maar ook wat nog komen moet.’