‘Het huidige ontwikkelingsbeleid is pervers’
In: Trouw, 29 april 2026. Interview met Mella Fuchs
Bron: Artikel, PDF (2,2 MB)
Solidariteit interview | Miljarden euro’s gingen er naar ontwikkelingssamenwerking de afgelopen decennia. Heeft dat gewerkt? Jan Pronk, als minister decennialang een van de gezichten van dat beleid, zet vraagtekens bij zijn eigen nalatenschap. ‘De ongelijkheid is niet afgenomen.’
tekst Mella Fuchs
foto Fenna Jensma
Voor de ramen van het huis van oud-minister Jan Pronk hangt een poster met een vredesduif en een andere met ‘Stop niet met praten over Palestina’. Sommige mensen worden pas activistisch als ze met pensioen gaan, maar de 86-jarige Pronk was dat eigenlijk altijd al.
Hij wijdde zijn carrière aan één idee: dat rijke landen armere landen moeten helpen zich te ontwikkelen. Als minister van Ontwikkelingssamenwerking in drie kabinetten, en later als bijzonder VN-gezant, was hij betrokken bij de conflicten in Ethiopië, Somalië, Eritrea en Soedan. Onder zijn ministerschap haalde Nederland in 1975 voor het eerst de internationale Oeso-norm, die voorschrijft dat landen 0,7 procent van het nationale inkomen aan ontwikkelingssamenwerking besteden.
Das war einmal. Het nieuwe kabinet gaat het extra geld voor ontwikkelingssamenwerking – dat is vrijgekomen door teruggedraaide bezuinigingen – gebruiken voor de opvang van asielzoekers in Nederland. Het mondiale Zuiden trekt aan het kortste eind. Ook andere westerse landen, zoals Amerika, snijden dramatisch in hun hulpbudgetten. Volgens een nieuwe studie van het Barcelona Institute for Global Health (ISGlobal) zullen er tot 2030 ongeveer 22,6 miljoen mensen extra sterven als de huidige bezuinigingen aanhouden en de hulp wegvalt.
Tegelijkertijd krijgt het systeem van internationale hulp al jarenlang kritiek. Zo zou het landen afhankelijk hebben gemaakt en corruptie in de hand werken. Het zou bovendien opgezet zijn vanuit een westers superioriteitsgevoel en westerse waarden uitdragen. In zijn laatste boek Scheuren rond de Hoorn van Afrika (2025) blikt Jan Pronk terug op decennia ontwikkelingswerk. Op de tijd dat het mondiale Zuiden nog de ‘derde wereld’ heette – een term die hij ook nog steeds weleens gebruikt. De tijd ook dat er met enigszins paternalistische songteksten geld werd opgehaald voor de hongersnood in Ethiopië: Here’s to them underneath that burning sun / Do they know it’s Christmas time at all? (Een toost op hen onder die brandende zon / Weten ze überhaupt dat het Kerstmis is?).
Wat waren uw successen?
“Als ik heel erg eerlijk ben, dan zou ik zeggen dat voor zover er successen zijn geboekt, ze weer zijn verdampt. Die 0,7 procent die ik voor elkaar kreeg, was echt een succes in Nederland. Maar dat is verdampt door een nieuwe politieke wind.
“In Soedan heb ik meegewerkt aan de voorbereiding van een vredesakkoord (voor de Tweede Soedanese Burgeroorlog, 1983-2005, red.). Tussen Noord- en Zuid-Soedan is er geen oorlog meer uitgebroken. Maar het succes van de vrede is verdampt, omdat er in het noorden een oorlog kwam en in het zuiden ook.”
Moet u dan niet concluderen dat ontwikkelingssamenwerking niet werkt?
“De afspraak die we in 1949 als Verenigde Naties maakten was om ontwikkelingslanden te helpen te groeien. Voor zover ze achterlagen, was dat de schuld van de voormalige kolonisators, en die gingen daarom als donorlanden helpen. Dat heeft geholpen. Veel landen hebben behoorlijke groeicijfers meegemaakt. Op terreinen van gezondheidszorg en onderwijs is veel voor elkaar gekregen.
“Maar de armoede is niet echt afgenomen. De ongelijkheid is niet afgenomen. De problemen ten gevolge van bijvoorbeeld klimaat, die wij voor hen hebben gecreëerd, zijn toegenomen. Door ontwikkelingsprocessen zijn talloze conflicten ontstaan, wat tot grote vluchtelingenstromen heeft geleid.
“De specifieke problematiek van ontwikkelingslanden tachtig jaar geleden is veranderd. Maar het is niet minder geworden. Het is breder geworden. Dus de behoefte aan steun is nog steeds aanwezig en misschien nog wel groter.”
Heeft ontwikkelingshulp aan die nieuwe problemen bijgedragen? Zuid-Soedan is voor een kwart van het nationaal inkomen afhankelijk van hulpgelden én een van de meest corrupte landen ter wereld.
“Pertinent. Dat is het gevolg van de focus op westerse belangen: economische relaties, investeringen, handel, mijnbouw en dergelijke. Als je bezig bent met handel, dan praat je met groeperingen die kunnen kopen. Dat is dus al de middenklasse. Dan vergeet je de onderkant en versterk je de bovenkant, en creëer je ongelijkheid.
“Daarom is het huidige ontwikkelingsbeleid pervers. We zijn nu in wezen bezig met ontwikkelingshulp te gebruiken voor onszelf, en niet meer om arme vrouwen in andere landen te helpen. We zijn bezig met: hoe kunnen wij eraan verdienen? Maar dan kun je beter stoppen met hulp geven, want het leidt alleen maar tot grotere problemen in het desbetreffende land. Noodhulp waarbij je direct slachtoffers helpt is trouwens iets anders.”
“We zijn nu in wezen bezig ontwikkelingshulp te gebruiken voor onszelf. Hoe kunnen we eraan verdienen?”
Maar ook noodhulp valt soms in verkeerde handen.
“Humanitaire hulp kan worden misbruikt, ja. Niet altijd, maar het gebeurt. En dan sta je voor een dilemma. In de jaren zestig ging het ook al over corruptie. Als de helft van de hulp die je geeft bij de verkeerde mensen terechtkomt, wat doe je dan? Nou, zeiden heel veel mensen, dan moet je stoppen. Mijn antwoord was: dan moet je verdubbelen.”
“Als de helft van de hulp bij de verkeerde mensen terechtkomt, wat doe je dan? Ik zei: dan moet je verdubbelen.”
Loop je dan niet het risico het conflict te verlengen?
“Het is niet zwart-wit. Je zult nooit alleen maar moeten mikken op humanitaire hulp. Je zult moeten zorgen dat die strijd ophoudt. Als je nu alleen maar humanitaire hulp geeft aan mensen in Gaza, maar je zegt niet tegen Israël dat ze moeten ophouden met bombarderen, dan ben je verkeerd bezig. Als je niet de oorzaken van ongelijkheid of van geweld aanpakt, heeft het geen zin.”
Er zijn zoveel paradoxen. We zetten ons in voor vrede en vrouwenrechten, maar tegelijkertijd exporteren we wapens naar diezelfde landen.
“Ja, dat is de schandalige manier waarop we momenteel opereren. Je kunt zeggen: we moeten ons helemaal terugtrekken uit alles. Maar dat is nauwelijks meer mogelijk. Omdat alles door globalisering totaal verweven is met elkaar.
“Ontwikkelingslanden worden het best geholpen wanneer we hen niet helpen met financiën, maar wanneer wij alle belemmeringen opruimen die we voor hen hebben gecreëerd en nog steeds creëren. Wapenleveranties, hoge schulden die ze moeten betalen, of patenten die we voor onszelf houden.”
Westerse hulp komt altijd met voorwaarden, bijvoorbeeld dat landen toewerken naar democratie, gendergelijkheid en bepaalde economische hervormingen. Moeten we daarvan af?
“Daar ben ik wel voorstander van. Ik ben begonnen met afstappen van projecten, want die hebben een begin en een eind en het succes moet gemeten worden. Je moet processen op gang helpen, zodat zij het zelf kunnen doen. Wij willen nog steeds weten wat er met ons geld gebeurt. Dat lijkt goed, maar dat is het eigenlijk niet, want het is hún ontwikkeling, hún proces, hún ideeën, hún toekomst en hún samenleving.
“Een van de dingen die je kunt doen is geen hulpverlening meer, maar internationale belastingen. Organiseer wereldwijde fondsen waar ontwikkelingslanden heel veel in te vertellen hebben. Hef bijvoorbeeld belasting op de kapitaalmarkt of op wapenleveranties. Dan is het niet meer een overdracht, niet meer ‘ons’ geld vanuit het Westen, maar een internationale belasting.
“Het probleem is alleen één ding. Op het moment dat je het geld geeft, aan wie geef je het? Wie beslist er over de poort? Dus het blijft altijd wel een klein beetje, dat paternalisme.”
Veelgehoorde kritiek is dat er veel geld omgaat in ngo’s met kantoren en werknemers over de hele wereld, terwijl het in de ergste gebieden vaak de lokale hulpverleners zijn die overblijven. Waarom kan dat niet altijd zo zijn?
“Zo hoort het ook. Ik was van begin af aan bezig met steun geven aan lokale groepen. Maar als regering heb je vaak niet zo direct contact met kleine, lokale groepen, dus heb je een intermediair nodig: een ngo. Dat waren er eerst maar een stuk of drie, maar er zijn er heel veel bij gekomen. Die kregen belangen, werden professioneel en wilden in leven blijven.
“Gelukkig zie je dat grote ngo’s nu ook bezig zijn met shifting the power. Je ziet ook veel minder witte functionarissen daar. Die vooruitgang is wel geboekt. Tegelijkertijd is er een nieuwe elite ontstaan. De professionele elite van westerse ngo’s is vervangen door professionele elites uit de desbetreffende landen. Ook dat zijn bedrijven geworden en ook zij verdringen kleinere groepen.
“Het is wat anders als het gaat om humanitaire noodhulp, want daar is zoveel capaciteit voor nodig, dat lukt lokale kleine groepen niet alleen. Kijk naar Gaza, waar heel veel voedsel nodig is, evenals artsen, verplegers en medicijnen.”
Jan Pronk: ‘Je hebt heel veel instellingen in Nederland die de derde wereld nauwelijks kennen.’
Aan het einde van het boek schrijft Pronk dat hulpverleners moeten voorkomen white saviours te zijn: een vaak westers, wit persoon die mensen van kleur helpt op een manier die als neerbuigend, egocentrisch of schadelijk wordt ervaren.
Was u dat zelf niet?
“Oh, dat waren we in het begin natuurlijk. Toen ik begon, dacht ik in termen van groei, van westerse technologie en westerse landbouwmethoden; zoals wij het doen. Dat leer je gauw af. Je leert het af door heel veel contacten te hebben. Door interdisciplinair bezig te zijn met niet-westerse sociologie, culturele antropologie. Door te luisteren naar mensen zelf. Je moet luisteren en tot de conclusie komen dat je het nooit definitief goed hebt en nooit zeker weet.
“Maar het blijft lastig, want je hebt te maken met belangen. Het geld dat ik besteedde, mocht niet tot corruptie leiden. De Rekenkamer ging dat controleren. Die zei bijvoorbeeld: alle hulp die je geeft aan India moet gecontroleerd worden door westerse accountants. Terwijl in India hele goede accountantsbureaus bestaan. Maar dat mocht niet van de Rekenkamer.
“Als je denkt dat wij het allemaal beter weten, krijg je dat soort rare ideeën. Je hebt heel veel instellingen in Nederland die de derde wereld nauwelijks kennen. En dat duurt voort. Er is een periode geweest waarin we dat wat hebben afgeleerd, maar het komt weer terug.”
U schrijft: ‘Dat het zin heeft te proberen tegenstellingen te overbruggen en slachtoffers te helpen staat voor mij vast. Het is een moreel imperatief!’ Staat daarin centraal wat het beste is voor slachtoffers, of gaat het ook om uw eigen genoegdoening, het gevoel dat u goed bezig bent?
“Ik vind daar niet zo’n groot verschil tussen zitten. Je mag niet wegkijken; dat is ethiek. En als je wegkijkt, is dat op de langere termijn niet eens in je eigen belang; dat is ratio. Maar je mag niet wegkijken. Je noemt genoegdoening, dat vind ik geen mooi woord. Zingeving, zou je ook kunnen zeggen. Jouw leven heeft zin omdat je samenleeft met anderen, en je op een bevredigende manier voor jou en voor anderen deel uitmaakt van de samenleving.
“Maar dat is óók iets rationeels, niet alleen maar moreel. Een steeds grotere kloof tussen arm en rijk is ook niet in het belang van het westen, want het voedt conflict. Maar uiteindelijk gaat het om een ethisch principe: solidariteit.”