De woestijn in gestuurd?
Maar ook al is Suriname niet door Nederland uit het Koninkrijk gezet, het werd wel “de woestijn in gestuurd”. Aldus Adhin 33). Het is de kritiek van Lachmon, de VHP en de echo klinkt door in de verwijten van Ramdas. De VHP had niet voor onafhankelijkheid gekozen, achtte zich door Arron overvallen, wilde besluitvorming niet op basis van een eenvoudige meerderheid, bepleitte een referendum, formuleerde vergaande voorwaarden op financieel terrein, eiste garanties dat de rechten van de minderheid zouden worden gerespecteerd, verzette zich fel tegen het uittreden uit het Koninkrijk en tegen een verlies van de Nederlandse nationaliteit, eiste lange overgangstermijnen ook op het punt van de toescheiding van de nationaliteiten, zodat individuele personen de beslissing om Surinamer te worden dan wel Nederlander te blijven zo lang mogelijk konden uitstellen. Het verzet van de VHP en dus van het overgrote deel van de Hindustaanse minderheid werd bijna tot het eind toe volgehouden, ook nog tijdens de kort voor de geplande datum van 25 november 1975 gehouden debatten in de beide Kamers der Staten Generaal. Lachmon legde zich pas op het allerlaatste moment neer bij wat door hem toen als een voldongen feit werd beschouwd..
Had Nederland anders moeten en kunnen handelen? Hebben we het probleem van de minderheden en van de etnisch-sociale tegenstellingen onderschat? Terugkijkend geloof ik dat we, als dit soort onderhandelingen in de jaren negentig zouden zijn gevoerd, van Nederlandse zijde meer garanties zouden hebben uitonderhandeld. Dat zou dan, in het licht van de internationale ontwikkelingen ook beter hebben gekund. Veel nieuwe natievorming is inmiddels stukgelopen op interne conflicten, niet alleen sociaal-economische tegenstellingen, maar ook etnische, religieuze, culturele of louter machtspolitieke. Inmiddels heeft de internationale gemeenschap het verschijnsel leren kennen van ’failed state’, die door haar falen niet alleen een bedreiging vormt voor de eigen burgers, maar ook een risicofactor is geworden voor de internationale veiligheid. Dat had ook voor Suriname kunnen gelden. De internationale gemeenschap is sterker gaan letten op mogelijkheden tot conflictpreventie middels voorwaardenstelling van buitenaf, bijvoorbeeld aangaande mensenrechten en goed bestuur. Weliswaar hebben andere dan de voormalige koloniale moederlanden meer mogelijkheden om dergelijke voorwaarden te stellen, historisch minder belast zijnde dan het moederland zelf. - daar kan Engeland van meepraten, getuige haar wederwaardigheden in Soedan, Zimbabwe en Sri Lanka - maar de internationale gemeenschap zou toch aan het eind van de twintigste eeuw een grotere betrokkenheid bij interne verhoudingen hebben geaccepteerd dan in de laatste fase van de dekolonisatie zelf. Inde jaren zestig en zeventig had diezelfde internationale gemeenschap een geheel ander invalshoek: self-reliance, onafhankelijkheid, autonomie, laten de nieuwe staten zelf beslissen hoe zij hun economie, hun bestuur en hun samenleving ordenen. Bezien vanuit de invalshoek van de mogelijke interne conflicten en de ‘failed state’ kwam de onafhankelijkheid van bijna alle ontwikkelingslanden niet te laat, maar te vroeg. Dus ook die van Suriname. Maar dat is een niet ter zake doende constatering achteraf, een onhistorische manier van redeneren, die abstraheert van de internationale politieke werkelijkheid van die tijd. Voor zover we de mogelijkheid van het falen van een onafhankelijk en nieuw Suriname op het netvlies hadden, konden we dat alleen vertalen in een aanbod tot verdere steun en begeleiding, indien gewenst, maar niet in het stellen van voorwaarden aan de onafhankelijkheid. Autonoom is autonoom, zo was niet alleen in Suriname maar ook in de volkerengemeenschap van de nieuwe onafhankelijke ontwikkelingslanden het parool. En de Noordelijke landen, die in het koloniale tijdperk niet alleen de autonomie maar ook noties omtrent goed bestuur en mensenrechten ondergeschikt hadden gemaakt aan imperiale belangen, restte in die jaren, ook in het kader van de Verenigde Naties, niets anders dan zich te voegen in de internationale reactie op de wijze waarop zij zelf destijds hadden gefaald. De voormalige koloniale landen hadden vooralsnog geen recht van spreken meer.
Natuurlijk waren politici in Nederland zich wel bewust van de tegenstellingen binnen Suriname Ik noemde al het rapport van de Commissie de Niet uit 1946. In de jaren voorafgaande aan de onderhandelingen over het Statuut waren er ook spanningen geweest over de samenstelling van de Surinaamse delegatie, waarin de Creoolse elite zich overmatig had doen vertegenwoordigen. We wisten het, hielden er in de onderhandelingen op weg naar 1975 rekening mee, maar we waren voorzichtig en wel om twee redenen. Ten eerste: de samenstelling van de samenleving in Suriname, met Creoolse, Hindustaanse, Javaanse, Indiaanse bevolkingsgroepen en met boslandbewoners, was het resultaat van het Nederlandse koloniale beleid uit het verleden. Groepen waren onderdrukt en uitgebuit. Er was slechts een referentiepunt geweest: het belang van de witte Nederlanders. Wat ons land zeker niet had gedaan was stilstaan bij de eventuele spanningen die een dergelijke mix aan bevolkingsgroepen met zich zou meebrengen. Dat in de jaren zeventig ineens wel doen, had iets hypocriets. Waarom niet het vertrouwen uitspreken dat in een nieuw autonoom Suriname de bevolkingsgroepen het samen wel zouden kunnen rooien? Ook wij hadden toch weinig recht van spreken? Ook al had de nieuwe generatie Nederlandse politici zelf part noch deel aan het koloniale verleden, het werd is ons wel verweten. We voelden ons aangesproken, want politieke leiders hebben nu eenmaal de mantel van de politieke verantwoordelijkheid willens en wetens overgenomen van hun voorgangers. Ook al was er geen schuld, er was verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid, zo voelden we het aan, moest worden waargemaakt en ingevuld door onze relatie met de nieuwe natie beter vorm en inhoud te geven dan voorheen, niet door de interne verhoudingen in die natie in een door ons gewenste richting te sturen, ook al zou dat een richting zijn in overeenstemming met internationale criteria. Waarop zou wantrouwen dat men binnen Suriname voor elkaar niet meer respect zou kunnen opbrengen dan men destijds van de Nederlanders had ondervonden?
Daarom, en ten tweede: we konden niet anders dan de uitkomst van een parlementair democratisch proces accepteren. Dat betekende dat de kleinst mogelijke meerderheid haar beslissing ten gunste van een fundamentele verandering in de verhoudingen zou kunnen doordrijven. Er waren nu eenmaal geen andere procedurele voorzieningen getroffen, zoals een tweederde meerderheidsvereiste of een referendum. We hebben het er wel over gehad, maar we wisten dat de kleinst mogelijke meerderheid het stellen van dergelijke strengere voorwaarden aan een klaarblijkelijk draagvlak voor de onafhankelijkheid kon afhouden. Dat gebeurde dan ook. We wilden noch konden vanuit Nederland een andere procedure opleggen, op straffe van verweten te worden met twee tongen te spreken: ‘U zegt wel dat we onafhankelijk moeten worden, maar het eerste wat U doet is onze self-reliance inperken door onze eigen keuze ter discussie te stellen’. Daar deinsden we voor terug. In plaats daarvan hebben we regelmatig afzonderlijk overleg gevoerd met de Surinaamse oppositie en geprobeerd hun wensen en eisen in te brengen in de officiele onderhandelingen, behalve dan hun ultieme eis de verhouding met Nederland te laten zoals die was. Maar de voorwaarden waaronder de onafhankelijkheid gestalte kreeg zijn mede onder invloed van de Surinaamse oppositie aangescherpt.
Eerlijk gezegd berustte deze Nederlandse beleidskeuze ook op de inschatting dat de soep niet zo heet zou worden gegeten als zij door de leiding van de VHP werd opgediend. Aan Nederlandse kant hadden wij de indruk dat de verhoudingen tussen de bevolkingsgroepen in de samenleving zelf minder gespannen was dan de leiders van de oppositie het deden voorkomen. Waren die spanningen niet mede geconstrueerd door de leiders, door een elite die dat van pas kwam om aldus de eisen op te schroeven? Enkele min of meer gewelddadige acties, waaronder de (opzettelijk aangestoken?) brand tijdens een onderhandelingsronde in Paramaribo in 1995 deden ons twijfelen, maar brachten ons niet af van de gedachte dat de spanningen deels waren opgefokt en ook weer zouden worden teruggeschroefd. Op dit punt hebben we, meen ik, gelijk gekregen. Echter, het had anders kunnen lopen. Ook wanneer een tegenstelling binnen een samenleving niet erg diep zou zijn geworteld en van boven af zou worden gemanipuleerd kan zij volstrekt onbeheersbaar worden. Dat hebben we in de jaren negentig over de hele wereld kunnen zien, ook in landen waar onderscheiden bevolkingsgroepen decennia lang in pais en vree hadden samen geleefd. We hebben, stel ik vast, het risico schromelijk onderschat. In laatste instantie hebben de leiders in Suriname wijsheid en terughoudendheid betracht Daar hoopten we op, maar we mochten er niet op vertrouwen dat dit hen zou lukken. Men kan het ook anders stellen: we hebben met ons allen geluk gehad.
We hebben ons dus beperkt tot pogingen tot verwezenlijking van de voorwaarden waaronder de onafhankelijkheid zich in stabiliteit zou kunnen voltrekken. De eerste voorwaarde was dat degenen die zich niet bij de onafhankelijkheid wensten neer te leggen een uitweg hielden richting Nederland. De opstelling van de VHP heeft zeker haar uitwerking gehad op de uiteindelijke beslissing over de toescheiding. Dit leidde tot een fikse stijging van de emigratie naar Nederland en tot een redelijke overgangsperiode waarin individuen zich zouden kunnen bezinnen op hun keuze voor de ene of de andere nationaliteit. Dat had nadelen voor de capaciteit van de nieuwe natie om beleid en bestuur en andere maatschappelijke functies snel en hoogwaardig te vervullen, maar het had als voordel dat mogelijke spanningen (wederom) een uitweg werd geboden waardoor er een zekere mate van stabiliteit zou worden bewerkstelligd. Bovendien, het negatieve effect van een vlucht uit Suriname zou slechts tijdelijk zijn. Het zou na enige tijd via onderwijs en capaciteitssteun kunnen worden ondervangen. De nieuwe regering van Suriname nam overigens een ambivalente houding in ten opzichte van de diaspora. Enerzijds had men een groot vertrouwen in eigen kunnen: ‘wij hebben de onafhankelijkheid in Suriname zelf bewerkstelligd, we kunnen het ook verder wel zonder U’. Daarbij werden vooral de laatst vertrokkenen als deserteurs gezien. Anderzijds begreep men ook wel dat een omvangrijke vlucht het vertrouwen in het buitenland aantastte. Meermalen heeft met name Arron een beroep gedaan op Surinamers in Nederland om te komen helpen bij de opbouw van het nieuwe Suriname. Veel remigratie heeft niet plaatsgevonden, soms alleen op tijdelijke basis. Dat was ook het gevolg van de grote sociaal-economische verschillen (qua salarissen, sociale zekerheid en toegang tot voorzieningen) tussen Nederland en Suriname Terugkijkend geloof ik dat de tamelijk flexibele wijze waarop de migratie en de toescheiding door beide landen is afgehandeld de stabiliteit en de rust hebben bevorderd. Op korte termijn heeft een en ander tot vacatures geleid, echter zonder langere termijn negatieve gevolgen voor de verdere sociaal-economische invulling van de autonomie van het nieuwe Suriname.
Een tweede voorwaarde was dat Suriname een nieuwe Grondwet zou krijgen. Daarin zouden rechten en vrijheden moeten zijn gegarandeerd, ook die van minderheden. Die Grondwet zou er moeten komen aleer de onafhankelijkheid een feit zou zijn. Dat is gelukt, op het laatste moment, met Nederlandse steun. Wat niet lukte was het opnemen van een mensenrechten clausule in het verdrag over de door Nederland na onafhankelijkheid te verlenen hulp. In die tijd werd zo’n clausule ook niet opgenomen in officiele overeenkomsten en aide memoires met andere ontwikkelingslanden, bilateraal noch multilateraal. Dat gebeurde pas vanaf het einde van de jaren tachtig. De Surinaamse onderhandelingspartners achtten het een onaanvaardbare discriminatie wanneer we er op een dergelijke clausule zouden blijven staan. Hulp zou erdoor afhankelijk worden gesteld van respect voor de rechten van de mens. Ook al stelden we dat dit op geen enkele wijze mocht worden uitgelegd als een gebrek aan vertrouwen in onze onderhandelingspartners, doch dat zich over een aantal jaren, bijvoorbeeld na verkiezingen of misschien wel na een staatsgreep een andere situatie zou kunnen voordoen, men bleef mordicus tegen. We hebben toen verklaard dat wij ten opzichte van Suriname hetzelfde beleid zouden voeren als tegenover andere ontwikkelingslanden, inclusief demogelijkheid van een eenzijdige opschorting van de relatie. Dat is na de coup van 1980 niet gebeurd - tot begrijpelijk groot ongenoegen van de inmiddels zonder vorm van proces gevangen gezette Arron c.s. werd de hulp toen zelfs opgevoerd! - maar na de decembermoorden van 1982 wel.
De vraag of Suriname al dan niet zou moeten opteren voor een leger hing hier nauw mee samen. Suriname had geen eigen strijdmacht. Er waren ook geen strijders voor onafhankelijkheid die de kern van een nieuw eigen leger zouden kunnen vormen. De onafhankelijkheid werd aan de onderhandelingstafel bereikt, niet zoals in Indonesie en in tal van ontwikkelingslanden in Afrika en Azie middels een bevrijdingsstrijd. Oostindie en Klinkers opperen dat het wellicht beter zou zijn geweest wanneer Suriname meer voor haar onafhankelijkheid had moeten vechten. 34) Ook al werd Suriname niet uit het Koninkrijk geschopt, het kreeg haar zelfstandigheid wel op een presenteerblaadje aangereikt. Gezamenlijke strijd zou de natievorming hebben kunnen bevorderen. Maar er zijn zoveel gevallen van door strijd verworven onafhankelijkheid, waarna de strijd is doorgegaan, bijvoorbeeld tussen elkaar beconcurrerende groeperingen (Mozambique), of tegen de bestuurlijke elite (Pakistan) dan wel tegen de bevolking als geheel (Uganda) of tegen delen daarvan (Burundi), dat we blij mogen zijn met de wijze waarop het proces in Suriname is verlopen. Dat wordt door de critici vaak te gemakkelijk over het hoofd gezien. Veel kritiek heeft een typisch Nederlands-provinciaal karakter, met weinig oog voor de internationale context.
Op het punt van de het leger hebben we het er overigens wel bij laten zitten. De geschiedenis is bekend. Aan Nederlandse kant waren we geen voorstander van het oprichten en optuigen van een Surinaamse strijdmacht. Suriname werd immers niet bedreigd vanuit het buitenland. Indien zich toch een internationaal conflict zou aandienen - grensgeschillen mochten niet worden uitgesloten - behoorde een combinatie van internationaal begeleide onderhandelingen, arbitrage en multilaterale veiligheidsgaranties tot de mogelijkheden. De handhaving van de binnenlandse veiligheid was een taak voor de politie Een eenmaal opgericht leger zou zich tegen de bevolking of tegen bepaalde bevolkingsgroepen kunnen keren, zeker wanneer er internationaal weinig te beschermen viel. Van Surinaamse zijde werd daartegen geopperd het leger een ontwikkelingstaak te geven, met name door de genie te benadrukken, maar we achtten dat tamelijk gezocht. Uiteindelijk hebben we ons er bij neergelegd en geprobeerd er het beste van te maken door een en ander zo goed mogelijk te begeleiden, met name door training en overdracht van kennis en normen en waarden uit de traditionele Nederlandse militaire traditie, vanouds gewend het democratische politieke systeem te respecteren. Dat heeft dus niet gewerkt. Op dit punt hadden we er beter aan gedaan het verwijt van inmenging in de binnenlandse aangelegenheden te trotseren. Ook al werd onze vrees niet bewaarheid dat een eventueel gewelddadig conflict een etnisch karakter zou hebben, we hadden voet bij stuk moeten houden.
Had Nederland anders moeten en kunnen handelen? Hebben we het probleem van de minderheden en van de etnisch-sociale tegenstellingen onderschat? Terugkijkend geloof ik dat we, als dit soort onderhandelingen in de jaren negentig zouden zijn gevoerd, van Nederlandse zijde meer garanties zouden hebben uitonderhandeld. Dat zou dan, in het licht van de internationale ontwikkelingen ook beter hebben gekund. Veel nieuwe natievorming is inmiddels stukgelopen op interne conflicten, niet alleen sociaal-economische tegenstellingen, maar ook etnische, religieuze, culturele of louter machtspolitieke. Inmiddels heeft de internationale gemeenschap het verschijnsel leren kennen van ’failed state’, die door haar falen niet alleen een bedreiging vormt voor de eigen burgers, maar ook een risicofactor is geworden voor de internationale veiligheid. Dat had ook voor Suriname kunnen gelden. De internationale gemeenschap is sterker gaan letten op mogelijkheden tot conflictpreventie middels voorwaardenstelling van buitenaf, bijvoorbeeld aangaande mensenrechten en goed bestuur. Weliswaar hebben andere dan de voormalige koloniale moederlanden meer mogelijkheden om dergelijke voorwaarden te stellen, historisch minder belast zijnde dan het moederland zelf. - daar kan Engeland van meepraten, getuige haar wederwaardigheden in Soedan, Zimbabwe en Sri Lanka - maar de internationale gemeenschap zou toch aan het eind van de twintigste eeuw een grotere betrokkenheid bij interne verhoudingen hebben geaccepteerd dan in de laatste fase van de dekolonisatie zelf. Inde jaren zestig en zeventig had diezelfde internationale gemeenschap een geheel ander invalshoek: self-reliance, onafhankelijkheid, autonomie, laten de nieuwe staten zelf beslissen hoe zij hun economie, hun bestuur en hun samenleving ordenen. Bezien vanuit de invalshoek van de mogelijke interne conflicten en de ‘failed state’ kwam de onafhankelijkheid van bijna alle ontwikkelingslanden niet te laat, maar te vroeg. Dus ook die van Suriname. Maar dat is een niet ter zake doende constatering achteraf, een onhistorische manier van redeneren, die abstraheert van de internationale politieke werkelijkheid van die tijd. Voor zover we de mogelijkheid van het falen van een onafhankelijk en nieuw Suriname op het netvlies hadden, konden we dat alleen vertalen in een aanbod tot verdere steun en begeleiding, indien gewenst, maar niet in het stellen van voorwaarden aan de onafhankelijkheid. Autonoom is autonoom, zo was niet alleen in Suriname maar ook in de volkerengemeenschap van de nieuwe onafhankelijke ontwikkelingslanden het parool. En de Noordelijke landen, die in het koloniale tijdperk niet alleen de autonomie maar ook noties omtrent goed bestuur en mensenrechten ondergeschikt hadden gemaakt aan imperiale belangen, restte in die jaren, ook in het kader van de Verenigde Naties, niets anders dan zich te voegen in de internationale reactie op de wijze waarop zij zelf destijds hadden gefaald. De voormalige koloniale landen hadden vooralsnog geen recht van spreken meer.
Natuurlijk waren politici in Nederland zich wel bewust van de tegenstellingen binnen Suriname Ik noemde al het rapport van de Commissie de Niet uit 1946. In de jaren voorafgaande aan de onderhandelingen over het Statuut waren er ook spanningen geweest over de samenstelling van de Surinaamse delegatie, waarin de Creoolse elite zich overmatig had doen vertegenwoordigen. We wisten het, hielden er in de onderhandelingen op weg naar 1975 rekening mee, maar we waren voorzichtig en wel om twee redenen. Ten eerste: de samenstelling van de samenleving in Suriname, met Creoolse, Hindustaanse, Javaanse, Indiaanse bevolkingsgroepen en met boslandbewoners, was het resultaat van het Nederlandse koloniale beleid uit het verleden. Groepen waren onderdrukt en uitgebuit. Er was slechts een referentiepunt geweest: het belang van de witte Nederlanders. Wat ons land zeker niet had gedaan was stilstaan bij de eventuele spanningen die een dergelijke mix aan bevolkingsgroepen met zich zou meebrengen. Dat in de jaren zeventig ineens wel doen, had iets hypocriets. Waarom niet het vertrouwen uitspreken dat in een nieuw autonoom Suriname de bevolkingsgroepen het samen wel zouden kunnen rooien? Ook wij hadden toch weinig recht van spreken? Ook al had de nieuwe generatie Nederlandse politici zelf part noch deel aan het koloniale verleden, het werd is ons wel verweten. We voelden ons aangesproken, want politieke leiders hebben nu eenmaal de mantel van de politieke verantwoordelijkheid willens en wetens overgenomen van hun voorgangers. Ook al was er geen schuld, er was verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid, zo voelden we het aan, moest worden waargemaakt en ingevuld door onze relatie met de nieuwe natie beter vorm en inhoud te geven dan voorheen, niet door de interne verhoudingen in die natie in een door ons gewenste richting te sturen, ook al zou dat een richting zijn in overeenstemming met internationale criteria. Waarop zou wantrouwen dat men binnen Suriname voor elkaar niet meer respect zou kunnen opbrengen dan men destijds van de Nederlanders had ondervonden?
Daarom, en ten tweede: we konden niet anders dan de uitkomst van een parlementair democratisch proces accepteren. Dat betekende dat de kleinst mogelijke meerderheid haar beslissing ten gunste van een fundamentele verandering in de verhoudingen zou kunnen doordrijven. Er waren nu eenmaal geen andere procedurele voorzieningen getroffen, zoals een tweederde meerderheidsvereiste of een referendum. We hebben het er wel over gehad, maar we wisten dat de kleinst mogelijke meerderheid het stellen van dergelijke strengere voorwaarden aan een klaarblijkelijk draagvlak voor de onafhankelijkheid kon afhouden. Dat gebeurde dan ook. We wilden noch konden vanuit Nederland een andere procedure opleggen, op straffe van verweten te worden met twee tongen te spreken: ‘U zegt wel dat we onafhankelijk moeten worden, maar het eerste wat U doet is onze self-reliance inperken door onze eigen keuze ter discussie te stellen’. Daar deinsden we voor terug. In plaats daarvan hebben we regelmatig afzonderlijk overleg gevoerd met de Surinaamse oppositie en geprobeerd hun wensen en eisen in te brengen in de officiele onderhandelingen, behalve dan hun ultieme eis de verhouding met Nederland te laten zoals die was. Maar de voorwaarden waaronder de onafhankelijkheid gestalte kreeg zijn mede onder invloed van de Surinaamse oppositie aangescherpt.
Eerlijk gezegd berustte deze Nederlandse beleidskeuze ook op de inschatting dat de soep niet zo heet zou worden gegeten als zij door de leiding van de VHP werd opgediend. Aan Nederlandse kant hadden wij de indruk dat de verhoudingen tussen de bevolkingsgroepen in de samenleving zelf minder gespannen was dan de leiders van de oppositie het deden voorkomen. Waren die spanningen niet mede geconstrueerd door de leiders, door een elite die dat van pas kwam om aldus de eisen op te schroeven? Enkele min of meer gewelddadige acties, waaronder de (opzettelijk aangestoken?) brand tijdens een onderhandelingsronde in Paramaribo in 1995 deden ons twijfelen, maar brachten ons niet af van de gedachte dat de spanningen deels waren opgefokt en ook weer zouden worden teruggeschroefd. Op dit punt hebben we, meen ik, gelijk gekregen. Echter, het had anders kunnen lopen. Ook wanneer een tegenstelling binnen een samenleving niet erg diep zou zijn geworteld en van boven af zou worden gemanipuleerd kan zij volstrekt onbeheersbaar worden. Dat hebben we in de jaren negentig over de hele wereld kunnen zien, ook in landen waar onderscheiden bevolkingsgroepen decennia lang in pais en vree hadden samen geleefd. We hebben, stel ik vast, het risico schromelijk onderschat. In laatste instantie hebben de leiders in Suriname wijsheid en terughoudendheid betracht Daar hoopten we op, maar we mochten er niet op vertrouwen dat dit hen zou lukken. Men kan het ook anders stellen: we hebben met ons allen geluk gehad.
We hebben ons dus beperkt tot pogingen tot verwezenlijking van de voorwaarden waaronder de onafhankelijkheid zich in stabiliteit zou kunnen voltrekken. De eerste voorwaarde was dat degenen die zich niet bij de onafhankelijkheid wensten neer te leggen een uitweg hielden richting Nederland. De opstelling van de VHP heeft zeker haar uitwerking gehad op de uiteindelijke beslissing over de toescheiding. Dit leidde tot een fikse stijging van de emigratie naar Nederland en tot een redelijke overgangsperiode waarin individuen zich zouden kunnen bezinnen op hun keuze voor de ene of de andere nationaliteit. Dat had nadelen voor de capaciteit van de nieuwe natie om beleid en bestuur en andere maatschappelijke functies snel en hoogwaardig te vervullen, maar het had als voordel dat mogelijke spanningen (wederom) een uitweg werd geboden waardoor er een zekere mate van stabiliteit zou worden bewerkstelligd. Bovendien, het negatieve effect van een vlucht uit Suriname zou slechts tijdelijk zijn. Het zou na enige tijd via onderwijs en capaciteitssteun kunnen worden ondervangen. De nieuwe regering van Suriname nam overigens een ambivalente houding in ten opzichte van de diaspora. Enerzijds had men een groot vertrouwen in eigen kunnen: ‘wij hebben de onafhankelijkheid in Suriname zelf bewerkstelligd, we kunnen het ook verder wel zonder U’. Daarbij werden vooral de laatst vertrokkenen als deserteurs gezien. Anderzijds begreep men ook wel dat een omvangrijke vlucht het vertrouwen in het buitenland aantastte. Meermalen heeft met name Arron een beroep gedaan op Surinamers in Nederland om te komen helpen bij de opbouw van het nieuwe Suriname. Veel remigratie heeft niet plaatsgevonden, soms alleen op tijdelijke basis. Dat was ook het gevolg van de grote sociaal-economische verschillen (qua salarissen, sociale zekerheid en toegang tot voorzieningen) tussen Nederland en Suriname Terugkijkend geloof ik dat de tamelijk flexibele wijze waarop de migratie en de toescheiding door beide landen is afgehandeld de stabiliteit en de rust hebben bevorderd. Op korte termijn heeft een en ander tot vacatures geleid, echter zonder langere termijn negatieve gevolgen voor de verdere sociaal-economische invulling van de autonomie van het nieuwe Suriname.
Een tweede voorwaarde was dat Suriname een nieuwe Grondwet zou krijgen. Daarin zouden rechten en vrijheden moeten zijn gegarandeerd, ook die van minderheden. Die Grondwet zou er moeten komen aleer de onafhankelijkheid een feit zou zijn. Dat is gelukt, op het laatste moment, met Nederlandse steun. Wat niet lukte was het opnemen van een mensenrechten clausule in het verdrag over de door Nederland na onafhankelijkheid te verlenen hulp. In die tijd werd zo’n clausule ook niet opgenomen in officiele overeenkomsten en aide memoires met andere ontwikkelingslanden, bilateraal noch multilateraal. Dat gebeurde pas vanaf het einde van de jaren tachtig. De Surinaamse onderhandelingspartners achtten het een onaanvaardbare discriminatie wanneer we er op een dergelijke clausule zouden blijven staan. Hulp zou erdoor afhankelijk worden gesteld van respect voor de rechten van de mens. Ook al stelden we dat dit op geen enkele wijze mocht worden uitgelegd als een gebrek aan vertrouwen in onze onderhandelingspartners, doch dat zich over een aantal jaren, bijvoorbeeld na verkiezingen of misschien wel na een staatsgreep een andere situatie zou kunnen voordoen, men bleef mordicus tegen. We hebben toen verklaard dat wij ten opzichte van Suriname hetzelfde beleid zouden voeren als tegenover andere ontwikkelingslanden, inclusief demogelijkheid van een eenzijdige opschorting van de relatie. Dat is na de coup van 1980 niet gebeurd - tot begrijpelijk groot ongenoegen van de inmiddels zonder vorm van proces gevangen gezette Arron c.s. werd de hulp toen zelfs opgevoerd! - maar na de decembermoorden van 1982 wel.
De vraag of Suriname al dan niet zou moeten opteren voor een leger hing hier nauw mee samen. Suriname had geen eigen strijdmacht. Er waren ook geen strijders voor onafhankelijkheid die de kern van een nieuw eigen leger zouden kunnen vormen. De onafhankelijkheid werd aan de onderhandelingstafel bereikt, niet zoals in Indonesie en in tal van ontwikkelingslanden in Afrika en Azie middels een bevrijdingsstrijd. Oostindie en Klinkers opperen dat het wellicht beter zou zijn geweest wanneer Suriname meer voor haar onafhankelijkheid had moeten vechten. 34) Ook al werd Suriname niet uit het Koninkrijk geschopt, het kreeg haar zelfstandigheid wel op een presenteerblaadje aangereikt. Gezamenlijke strijd zou de natievorming hebben kunnen bevorderen. Maar er zijn zoveel gevallen van door strijd verworven onafhankelijkheid, waarna de strijd is doorgegaan, bijvoorbeeld tussen elkaar beconcurrerende groeperingen (Mozambique), of tegen de bestuurlijke elite (Pakistan) dan wel tegen de bevolking als geheel (Uganda) of tegen delen daarvan (Burundi), dat we blij mogen zijn met de wijze waarop het proces in Suriname is verlopen. Dat wordt door de critici vaak te gemakkelijk over het hoofd gezien. Veel kritiek heeft een typisch Nederlands-provinciaal karakter, met weinig oog voor de internationale context.
Op het punt van de het leger hebben we het er overigens wel bij laten zitten. De geschiedenis is bekend. Aan Nederlandse kant waren we geen voorstander van het oprichten en optuigen van een Surinaamse strijdmacht. Suriname werd immers niet bedreigd vanuit het buitenland. Indien zich toch een internationaal conflict zou aandienen - grensgeschillen mochten niet worden uitgesloten - behoorde een combinatie van internationaal begeleide onderhandelingen, arbitrage en multilaterale veiligheidsgaranties tot de mogelijkheden. De handhaving van de binnenlandse veiligheid was een taak voor de politie Een eenmaal opgericht leger zou zich tegen de bevolking of tegen bepaalde bevolkingsgroepen kunnen keren, zeker wanneer er internationaal weinig te beschermen viel. Van Surinaamse zijde werd daartegen geopperd het leger een ontwikkelingstaak te geven, met name door de genie te benadrukken, maar we achtten dat tamelijk gezocht. Uiteindelijk hebben we ons er bij neergelegd en geprobeerd er het beste van te maken door een en ander zo goed mogelijk te begeleiden, met name door training en overdracht van kennis en normen en waarden uit de traditionele Nederlandse militaire traditie, vanouds gewend het democratische politieke systeem te respecteren. Dat heeft dus niet gewerkt. Op dit punt hadden we er beter aan gedaan het verwijt van inmenging in de binnenlandse aangelegenheden te trotseren. Ook al werd onze vrees niet bewaarheid dat een eventueel gewelddadig conflict een etnisch karakter zou hebben, we hadden voet bij stuk moeten houden.