Dat is in Suriname anders gelopen. Daar koos men ervoor de volgende stap niet langer uit te stellen. Bruma en Pengel spraken zich in de jaren zestig zonder terughoudendheid uit voor volledige onafhankelijkheid op korte termijn. 19) Premier Sedney wenste niet zover te gaan, 20) maar Nederland wist wat het kon verwachten. Het was slechts een kwestie van tijd. In 1971 stelde Arron in een openbare bijeenkomst in Paramaribo tegenover een delegatie van de Nederlandse Tweede Kamer “dat elke rechtgeaarde Surinamer thans tot het besef zal moeten komen, dat wij in een vrij, zelfstandig, onafhankelijk Suriname moeten leven. … En als U mij vraagt wanneer, dan zeg ik U vandaag.” 21) Kort nadat Arron premier was geworden deed hij datgene wat hij van Lier en mij had gezegd. Niet toegezegd. We hadden er niet om gevraagd. Een nieuwe Nederlandse politieke generatie had er geen misverstand over laten bestaan de Statuutverhoudingen te willen wijzigen. De onlusten in Willemstad hadden daarbij een rol gespeeld. De kwaliteit van het bestuur aan de betrokken landen overlaten, maar wanneer het fout liep datzelfde bestuur op haar verzoek militaire bijstand verlenen, achtten wij niet meer passend in de nieuwe internationale verhoudingen. Ook in 2002 kan dat niet meer, tenzij vastgelegd in een internationaal veiligheidsverdrag tussen meerdere landen - en niet alleen met het voormalige koloniale moederland - dan wel in het multilaterale kader van de Verenigde Naties, met in achtneming van criteria van goed bestuur en mensenrechten, ook door het bij te springen regime. Maar ook zonder Willemstad was de attitude gewijzigd. Het koloniale conflict met Indonesie had, zeker na het vasthouden door Nederland aan West Irian, tot ver in de jaren zestig sporen nagelaten. Het had ook doorgewerkt in de binnenlandse verhoudingen in Nederland. Zo was de reactie van de toenmalige Nederlandse regering op de militaire staatsgreep in Indonesie, die in 1966 had geleid tot de val van Sukarno, aartsvijand van rechts Nederland, door links Nederland als reactionair bestempeld. Over de door ons land bij de dekolonisatie van Indonesie gemaakte fouten heersten verlegenheid, schaamte en frustratie. Daarom heeft Ramdas wel gelijk wanneer hij stelt dat Den Uyl in Suriname eigenlijk de vorige oorlog won. “Won”, schreef Ramdas, en niet “probeerde te winnen”. Kennelijk heeft Den Uyl volgens Ramdas niet gefaald, tenzij hij van mening is dat Suriname de oorlog verloor en afhankelijk had moeten blijven. Maar dat heb ik uit de diverse geschriften van Ramdas niet kunnen afleiden, niettegenstaande zijn cynische en vaak terechte commentaar op het verloop van het proces. En het is waar: links in Nederland probeerde, in de terminologie van Ramdas, de vorige oorlog nog eens dunnetjes over te doen. Dat betekende twee dingen. We wilden de volledige autonomie van Suriname, als de laatste fase van de dekolonisatie, niet tegenhouden of afremmen, maar juist bevorderen en bespoedigen. En, ten tweede, we wilden het beter doen dan de vorige keer. Dat betekende zonder strijd, maar langs de weg van onderhandelingen. En het betekende dat wij ons bereid wilden verklaren om Suriname, na het bereiken van de volledige staatkundige onafhankelijkheid, verder te helpen, door ruime steun te geven op weg naar meer economische onafhankelijkheid. Dat was in de verhouding met Indonesie nooit gebeurd. Integendeel, beide landen hadden zich verbitterd van elkaar afgekeerd en elkaar economisch meer tegengewerkt dan geholpen. Dat alles bedoelde Den Uyl, toen hij het later had over de dekolonisatie van Suriname, als een van de grotere successen van zijn regeringsperiode. 22). Het is hem na de coup van 1980 en de decembermoorden van 1982 kwalijk genomen. Maar Den Uyl heeft nooit meer willen aangeven dan dat Suriname weliswaar eerder te laat dan te vroeg onafhankelijk was geworden, maar dat het proces al met al goed was verlopen, en tot en met de soevereiniteitsoverdracht in ieder geval beter dan elders en eerder. De pretentie een ‘model-dekolonisatie’ tot stand te brengen hebben wij nooit gehad Als we het woord ‘model’ gebruikten, deden we dat in de zin van ‘type’, niet ‘ideaaltype’.

Hetgeen wij nastreefden was de verwezenlijking van de autonomie middels een proces dat ook zelf door autonomie werd gekarakteriseerd. In de terminologie van deze jaren: Suriname diende eigenaar te zijn van het proces. Met andere woorden: de autonomie moest door de nog afhankelijke Rijksdelen ook echt gewild worden, langs democratische weg. Dat was de opvatting van alle opeenvolgende Nederlandse kabinetten, ook al werd de toonzetting van de argumenten steeds dringender. In de jaren zestig hadden uitlatingen van Den Uyl 23) en van Lier 24) namens de Pvda, de Goede 25) namens D’66 en ook van de Anti-revolutionaire minister Bakker 26), alle in dezelfde richting gewezen: volkomen onafhankelijkheid is ‘aanvaardbaar’, ‘mogelijk’, ‘noodzakelijk’, ‘gewenst’, maar: “Jullie beslissen”. En zolang Suriname en de Antillen die beslissing niet wensten te nemen zou Nederland daarin berusten, zo was nog in 1973 het standpunt van de Nederlandse regering. 27) Nu was dat het kabinet Biesheuvel dat korte tijd later werd opgevolgd door het kabinet Den Uyl, dat zich bij haar aantreden onomwonden uitsprak ten gunste van “spoedig … overleg (omtrent) … een eindbeslissing over het tijdstip van de onafhankelijkheid” van de beide Rijksdelen. 28) Let wel: er werd gesproken over ‘spoedig overleg’, niet over een ‘spoedige eindbeslissing’, laat staan over een ‘spoedig tijdstip’ van de onafhankelijkheid. Er kan geen misverstand over bestaan dat de meeste leden van het kabinet Den Uyl dat prefereerden - dat had dan ook met zoveel woorden in het verkiezingsprogramma “Keerpunt 1972” van de drie zogenoemde progressieve partijen gestaan - , en het was duidelijk dat wij in het overleg niet alleen de aanvaardbaarheid en de mogelijkheid van de onafhankelijkheid wensten te onderstrepen, maar ook de wenselijkheid en zelfs de noodzakelijkheid ervan, maar we hadden ook duidelijk gemaakt dat deze niet eenzijdig zou worden opgedrongen, zelfs al achtten wij haar uiteindelijk onvermijdelijk.

De onafhankelijkheid is dan ook niet opgelegd. Suriname is niet uit het Koninkrijk geschopt. Dat is wel beweerd, onder meer door de diplomaat Ferdinand van Dam 29) en oud-minister van der Stee 30). Dat is ernstig, want beiden waren destijds bij het proces betrokken. De een maakte ambtelijk deel uit van Nederlandse onderhandelingsdelegaties, de ander van het kabinet. Dat zij geen gelijk hebben valt met twee argumenten te staven. Ten eerste, als Nederland echt er op uit was geweest de Rijksdelen tegen hun zin uit het Koninkrijk te zetten, hoe valt dan te verklaren dat dit met de Antillen niet is gebeurd? Na Willemstad had het vanuit het vermeende Nederlandse belang zelfs voor de hand gelegen juist van de Antillen afscheid te nemen. Dat is niet gebeurd. Van Nederlandse kant werd dat geprefereerd, maar de Antillen wilden niet onafhankelijk worden - met name premier Everts toonde zich onwrikbaar - en dat werd gerespecteerd. De Antillen hadden immers het in het Statuut vastgelegde recht de status quo niet te veranderen. Dat was ook een vorm van zelfbeschikking. Ten tweede, Surinaamse politici zelf hebben meermalen verklaard “De vraag kwam uit Suriname”. Dat zei niet alleen Arron 31), maar ook bijvoorbeeld Ooft, Sedney en Soemita 32).