Dat hebben we wel gedaan op het punt van de besteding van de ontwikkelingshulp. In tegenstelling tot hetgeen vaak is gedacht betrof het strijdpunt in de onderhandelingen niet de hoogte van de hulp, doch de wijze waarop deze zou worden verstrekt. Wat de hoogte betreft: de uitkomst was een bedrag dat voor een periode van vijftien jaar de omvang van de hulp in de laatste jaren voorafgaande aan de onafhankelijkheid (ongeveer 170 miljoen gulden) zou zekerstellen, plus het volledige restant van de eerder beloofde, maar nog niet uitgegeven hulp, plus een volledige kwijtschelding van de schuld om aldus met een schone lei te kunnen beginnen, plus een garantie tot een bepaald maximum aan kredieten en investeringen vanuit de particuliere sector. Dit laatste zou kunnen helpen een start te maken op de weg naar reguliere marktgerichte economische na staatkundige verzelfstandiging. Als men dit alles bij elkaar optelt - maar dat kan eigenlijk niet want het gaat om andersoortige bedragen - dan komt men uit op een groot bedrag: rond drie miljard gulden. Dat was overigens tien miljard minder dan aanvankelijk door Lachmon was geeist. Natuurlijk gaf dat zowel binnen het Nederlandse kabinet als in de onderhandelingen aanleiding tot de nodige discussie, maar naar mijn mening was de uitkomst alleszins redelijk en beheersbaar, zowel binnen de Nederlandse begroting voor ontwikkelingshulp als in het kader van de nationale middelen en bestedingen in Suriname. Immers, wanneer de absorptiecapaciteit van Suriname in bepaalde jaren zou te kort schieten, zou het bedrag aan hulp beschikbaar blijven voor de jaren daarna. Daar ging het eigenlijk om: zekerheid bieden dat Suriname tot in lengte van jaren aanspraak zou kunnen maken op economische steun uit Nederland. Dat ging zelfs zover dat wij vanuit Nederland zeiden: wij laten jullie niet in de steek; ook wanneer - over tien, vijftien of meer jaren - de thans geboden hulp volledig is besteed zijn wij bereid met U te praten over verdere steun.

Die belofte is publiekelijk bevestigd tijdens debatten in de Tweede Kamer. Het was alles een poging om verbondenheid in verantwoordelijkheid ook in een situatie van zelfstandigheid vorm en inhoud te geven. Ook nu ruim vijfentwintig jaar na de genomen beslissingen en gedane toezeggingen wens ik dat vol te houden, tegen het oordeel van de historici Oostindie en Klinkers in. Zij stellen vast dat het Nederlandse beleid “in de eerste plaats (werd) ingegeven door overwegingen van gepercipieerd eigenbelang. Met de beste bedoelingen misschien,” en, zo insinueren zij, “tegen een ruime tegemoetkoming in financiele middelen, … uiteindelijk om zelf een probleem buiten de Rijksgrenzen te brengen had Nederland zich van Suriname ontdaan.” 35) We wilden ons nergens van ontdaan. We wilden recht verschaffen. We hadden inderdaad de beste bedoelingen, maar onvoldoende zicht op een paar gevolgen. De hulpafhankelijkheid nam toe in plaats van af. Hoewel de grote omvang van de hulp politiek, economisch en bestuurlijk verdedigd kan worden, is er een kwalijk psychologisch effect. Een hulpontvangend land kan zich zozeer gaan koesteren in de zekerheid dat buitenlandse hulp beschikbaar blijft, dat deze hulp haar doel voorbij gaat schieten. Wanneer de hulp niet wordt gebruikt om investeringen te financieren die een land helpen om economisch op eigen benen te gaan staan, waardoor het ook zelf middelen genereert voor de verdere ontwikkeling, dan wordt het paard achter de wagen gespannen. Er is ergens een psychologische kritische grens. In een aantal landen is die overschreden, zoals in Cambodja en in Mozambique na de burgeroorlogen in die landen, toen de internationale gemeenschap er te zeer op was gebrand door middel van veel en snelle hulp snel een definitieve ommekeer te bewerkstelligen. In Suriname waren we er te zeer op gebrand op een soortgelijke wijze een definitieve doorbraak te bewerkstelligen. Ook hier is een kritische grens overschreden. We hebben onvoldoende beseft dat hulpverslaving het gevolg zou kunnen zijn.

Dat effect trad op ondanks bewuste pogingen om een staatkundig onafhankelijk Suriname in staat te stellen de buitenlandse hulp aan te wenden op een wijze die de economische onafhankelijkheid zou bevorderen, zonder de politieke afhankelijkheid van het hulpgevende Nederland weer te doen toenemen. Vandaar de algehele kwijtschelding van de schuld, vandaar ook pogingen om Suriname zich economisch niet alleen op Nederland te doen concentreren, maar ook op het Caraibisch gebied, op Europese landen en op multilaterale organisaties. Dat ontmoette wantrouwen, omdat de Surinaamse regering dit interpreteerde als een poging van Nederland om zich aan haar verdragsverplichtingen op het punt van de hulp te onttrekken. Maar het echte politieke dilemma lag elders. Er was geen zekerheid dat de Surinaamse regering de geboden hulp ook inderdaad ten goede zou laten komen van de gehele bevolking. Het clientelisme zou met de staatkundige onafhankelijkheid niet ineens verdwenen zijn. Vanuit Suriname werd gepleit voor herstelbetalingen, uitkeringen ineens, bedragen a fonds perdu, begrotingsteun of programmahulp. Wij wensten, om de redenen die ik noemde, niet verder te gaan dan projecthulp. Suriname zou zelf beslissen welke programma’s en projecten men voor financiering wenste voor te dragen, maar wat ons betreft diende de uitkomst van een en ander op een evenwichtige wijze in economisch zowel als in sociaal opzicht ten goede te komen van de alle bevolkingsgroepen. Daarop wensten wij de financieringsvoorstellen te beoordelen.

De zorg was terecht. De politiek van de regering Arron na 1975 was niet bijster evenwichtig. De belofte spoedig verkiezingen uit te schrijven werd niet nagekomen, waardoor andere groeperingen het nakijken hadden. De regering hield zich evenmin aan de belofte ook binnenlandse middelen te genereren ter financiering van investeringen ten behoeve van de verdere economische verzelfstandiging. Men bleef de hand ophouden bij Nederland. Men raakte verzeild in een economisch avontuur in West Suriname - de aanleg van een spoorlijn ten behoeve van de exploratie van bauxiet - dat weliswaar interessant was als nieuw groot nationaal project na het bereiken van de onafhankelijkheid, maar het werd, zoals gevreesd, een fiasco. Op sociaal terrein (bijvoorbeeld volkswoningbouw en ouderenzorg) en op dat van de kleinschalige werkgelegenheid (bijvoorbeeld in de kleinschalige landbouw) bleef men in gebreke. Maar onze beslissing om alleen afzonderlijke projecten te financieren kon het evenwicht uiteraard niet herstellen. Een aantal apert minder goede voorstellen werd niet gehonoreerd, andere alleen op voorwaarde dat er ook activiteiten op sociaal terrein of ten behoeve van minderheidsgroepen zouden worden uitgevoerd. Maar die belofte werd lang niet altijd gehouden

De gekozen methode kwam wel goed van pas toen na de coup in Suriname regeringen aan het bewind kwamen die niet democratisch waren gelegitimeerd, en dus ook niet in hun sociaal-economisch ontwikkelingsbeleid. Maar toen dat een tiental jaren later wel weer het geval was hadden we niet tot de oorspronkelijke aanpak moeten terugkeren. Eigenlijk waren het vooral politieke motieven die ons daarvan afhielden, en dan ook nog binnenlandse politieke motieven in Nederland zelf. Een beleid gericht op herstel, economische aanpassing en vervolgens een nieuwe poging tot verdere verzelfstandiging had in de jaren negentig tot een bijstelling van de Nederlandse positie moeten leiden. Dat gebeurde niet en ook dat was een gemiste kans.