Ik heb deze opvatting niet altijd gehuldigd. Als aankomend politicus en Derde Wereld activist, in de jaren zestig ijverend tegen koloniale verhoudingen, beschouwde ik het in 1954 van kracht geworden Koninkrijkstatuut tussen Nederland, Suriname en de Antillen als een hinderpaal. Ik zag het als een constructie die de afhankelijkheid van de voormalige kolonien slechts versterkte in plaats van dat hun zelfstandigheid er door werd bevorderd. Echter, goed lezen van de tekst van het Statuut, analyse van de onderhandelingen die er aan vooraf gingen en van de werking van het Statuut, brengt mij tot een meer genuanceerde conclusie.

Gert Oostindie en Inge Klinkers publiceerden hun studie onder de titel “Knellende Koninkrijksbanden”. Die titel ontleenden zij aan uitdrukkingen die destijds waren gebezigd door politici die hun oordeel gaven over het Statuut. Onder hen was bijvoorbeeld Theo van Lier, die mij - toen ik in 1971 lid was geworden van de Tweede Kamer - onder de hoede had genomen en wegwijs gemaakt in de politiek van de Nederlandse regering en van de Partij van de Arbeid omtrent Suriname en de Nederlandse Antillen. Een jaar eerder had hij verklaard: “De banden van het Statuut in zijn huidige vorm beginnen te knellen, in alle drie de landen.” 6) Ik was het daarin volledig met hem eens. Kort tevoren hadden we de opstand in Willemstad meegemaakt, gevolgd door het ingrijpen van uitgezonden Nederlandse militairen. Dat ingrijpen vond plaats op verzoek van de toenmalige regering van de Antillen en het was gewettigd door het Statuut. Maar velen in de drie landen vonden dat dit toch eigenlijk niet meer kon: gewapenderhand orde herstellen in een Derde Wereld land door een al dan niet voormalig koloniaal moederland, dat eigenlijk mee verantwoordelijk was voor een situatie die tot de opstand had geleid. Dat was eens maar nooit weer. De verhouding met Suriname en de Antillen kon niet los gezien worden van de nieuwe verhoudingen in de wereld. De wereldwijde dekolonisatie was zo goed als afgerond. Bestendiging van staatkundige afhankelijkheidsverhoudingen werd een anomalie. Nederland zou zich binnen niet al te lange tijd weer moeten verantwoorden in de dekolonisatie commissie van de Verenigde Naties. Daar waren aanwijzingen voor, ook al hadden Nederlandse diplomaten dat jaren lang met goede juridische argumenten weten af te houden. Dat had in 1955 weliswaar geresulteerd in een beslissing van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties om Nederland te ontslaan van een rapportageplicht, en in 1960 in een resolutie die inhield dat naast het verlenen van onafhankelijkheid ook andere vormen van dekolonisatie mogelijk waren, waaronder ‘the free association or integration with an independent state”, maar in de jaren zeventig waren de verhoudingen op het wereldtoneel aanzienlijk veranderd. De beslissing van 1960 was in 1970 herbevestigd, maar dat was moeilijk gegaan en alles wees op dat de gehanteerde volkenrechtelijke redenering op het wereldtoneel geen stand zou kunnen houden tegenover politieke argumenten, te meer niet omdat Nederland zelf een voorvechter was van nieuwe internationale politieke en economische verhoudingen. We moesten consequent zijn, vonden velen die zich in de jaren zestig hadden ingezet voor bevrijdingsbewegingen, dekolonisatie, ontwikkelingssamenwerking en een andere politiek ten aanzien van Vietnam.

De doorslag gaf mijns inziens dat een toenemend aantal Surinamers zelf naar onafhankelijkheid streefde. Ik had contacten met een groep jonge Surinamers rond de AMVJ te Rotterdam. Ik had Anton de Kom gelezen, kende de opvattingen van Bruma, was onder de indruk van mensen als Frits Moll en de gebroeders Kross en had deelgenomen aan bijeenkomsten van Surinaamse studenten en actie-comite’s in meerdere universiteitssteden in Nederland. 7) En toen in 1972 de nieuwe leider van de NPS, Henck Arron, op bezoek in Nederland, in een gesprek met Theo van Lier en mij aankondigde dat, wanneer zijn partij de verkiezingen zou winnen, spoedige onafhankelijkheid het hoofdpunt zou zijn van een door hem te leiden kabinet, wist ik dat het streven naar die onafhankelijkheid niet alleen werd gedragen door Surinaamse jongeren en intellectuelen in Nederland, maar ook door delen van een nieuwe generatie in Suriname zelf.

Daar kwam bij dat ik als ontwikkelingseconoom ervan overtuigd was dat de economische relatie tussen Nederland en Suriname niet leidde tot economische verzelfstandiging. Er werd wel veel ontwikkelingshulp gegeven, maar de omvang van de bedragen die vanuit Suriname naar Nederland stroomden was jaar in jaar uit groter. Dat was aangetoond door mijn collega Henk Chin, die later directeur zou worden van het Planbureau in Suriname. 8) De winstovermakingen door het bedrijfsleven waren omvangrijk, herinvestering in Suriname vond weinig plaats, de economie was en bleef eenzijdig en belangrijke economische beslissingen - bijvoorbeeld over bauxiet, suiker en rijst - werden niet door, maar voor Suriname genomen.