Ik ben nog steeds van mening dat de grenzen van de voorbereiding van de staatkundige onafhankelijkheid van Suriname in het begin van de jaren zeventig waren bereikt. Daarmee doorgaan, zonder de uiteindelijke stap te zetten, in een situatie van economische afhankelijkheid, had weinig zin meer. Maar dat neemt niet weg dat de voorbereiding zelf de nodige vruchten had afgeworpen. Zoals ik al zei: er was voorbereid. Van Oostindie en Klinkers hebben in hun studie de diverse stappen gezet tussen 1940 en 1954 nog eens goed op een rijtje gezet. Aan Nederlandse kant was het schoorvoetend gegaan en vanzelfsprekend waren er politieke meningsverschillen. Maar de geleidelijke verschuiving in de Nederlandse opstelling leidde in 1942 tot de bekende rede van Koningin Wilhelmina, die sprak over een ‘volledig deelgenootschap’, over ‘vrijwillige aanvaarding … (van) een Rijksverband, waarin Nederland, Indonesie, Suriname en Curacao tezamen deel zullen hebben, terwijl zij ieder op zichzelf de eigen, inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid en steunend op eigen kracht, doch met den wil elkander bij te staan, zullen behartigen.” De rede was meer gericht tot Nederlands Indie dan tot de West. In het eerste geval werd zij niet waargemaakt. Een koloniale oorlog was het gevolg. In de West waren de Nederlandse belangen geringer: “economisch niet zeer groot, militair nihil, cultureel idem”, zo luidde het oordeel. 9) In Suriname, klein als het was, werd niet gekozen voor gewelddadige acties doch voor onderhandelingen. En onderhandelen was een kunst die op de Antillen en in Suriname altijd zeer goed is verstaan. Reeds in 1946 luidde de instructie aan een Surinaamse delegatie om in besprekingen met de Nederlandse regering “op zo kort mogelijke termijn zelfbeschikkingsrecht te verwerven”. 10) In dat zelfde jaar had minister Logemann dit begrip reeds namens de Nederlandse regering gebezigd, maar later werd er gekozen voor een meer terughoudende formulering. Bij haar troonsbestijging in 1948 sprak Koningin Juliana over “vrijheid, gelijkwaardigheid en zelfstandigheid …als een onvervreemdbaar erfdeel van het volk van Suriname en de Nederlandse Antillen.” Dat was nog geen zelfbeschikking, maar het kwam er dicht bij. De gekozen bewoordingen gingen verder dan waartoe Nederland zich tijdens de onderhandelingen in het kader van de Ronde Tafel conferentie eerder dat jaar had bereid verklaard. Daar was men niet verder gekomen dan te spreken over “vrijheid, gelijkwaardigheid en verbondenheid”, in overeenstemming met de tekst van de nieuwe Grondwet van dat jaar. Zelfstandigheid of verbondenheid, dan wel zelfstandigheid in verbondenheid, dat was de kwestie.

Gedurende opeenvolgende onderhandelingen hielden Surinaamse delegaties vast aan een clausule over het recht op zelfbeschikking. Van Nederlandse zijde wilde men echter Statuutbepalingen voorkomen grond waarvan de andere Rijksdelen zich later vrij zouden kunnen voelen zich af te scheiden. Die vrijheid wilde Suriname zich uitdrukkelijk wel voorbehouden. Men koos voor de formule ‘vrijwillige verbondenheid’ en stelde dat daar niet van zou kunnen worden gesproken zonder dat Suriname het recht zou krijgen “om de bestaande verbondenheid te bestendigen dan wel te beeindigen.” 11) Nederland wist dat in 1952 Pengel streefde naar volledige onafhankelijkheid van Suriname. 12) Nederland weigerde echter het zelfbeschikkingsrecht op te vatten als een recht op afscheiding, hoewel Kernkamp en de PvdA voorstander waren van een flexibele interpretatie. 13) Een en ander leidde er toe dat minister Kernkamp een voorstel deed voor een tekst van de preambule van het nieuwe Statuut, waarin expliciet gesproken werd over ‘internationaal-rechtelijke regelen omtrent het recht van zelfbeschikking’, doch waarin de erkenning van dit recht, zonder gelijktijdige opname van het recht van afscheiding, werd gekoppeld aan de overeen te komen wijzigingsprocedure van het Statuut. Dat was vernuftig, ook al omdat hiermee werd aangegeven dat het nieuwe Statuut geen eindstation zou zijn. 14) Expliciet werd zelfs de bepaling opgenomen dat de nieuwe rechtsregeling ‘geen eeuwig edict’ inhield. 15) Suriname wenste echter, indien het recht op afscheiding niet kon worden vastgelegd, ook geen verwijzing naar het zelfbeschikkingsrecht. Uiteindelijk werd overeenstemming bereikt over een preambule, waarin verklaard werd “uit vrije wil … een nieuwe rechtsorde te aanvaarden, waarin zij de eigen belangen zelfstandig behartigen en op voet van gelijkwaardigheid de gemeenschappelijke belangen verzorgen en wederkerig bijstand verlenen …”

Dat is een voorzichtige formulering. Ze valt een beetje tegen. Maar uit de eenmaal ingenomen posities en uit het verloop van de onderhandelingen kan niet anders dan afgeleid worden dat het volgende station staatkundige onafhankelijkheid zou inhouden. In ieder geval voor Suriname. De Surinaamse onderhandelaars grepen tijdens de onderhandelingen voorafgaand aan de onafhankelijkheid in 1975 dan ook uitdrukkelijk terug op in 1954 overeengekomen regelingen. De Antilliaanse onderhandelaars ook, maar dan in een andere richting, door zich uitdrukkelijk het recht voor te behouden zich niet af te scheiden. Ook die mogelijkheid lag besloten in het Statuut Zelfbeschikking als de ultieme uitdrukking van de gelijkwaardigheid hoeft immers niet noodzakelijkerwijs tot afscheiding en onafhankelijkheid te leiden. De Antillen hadden zich in de onderhandelingen over het Statuut dan ook meer terughoudend opgesteld. Voor Suriname was het niet meer dan een kwestie van tijd. Twee vragen restten er nog. Zouden de nieuwe Statuutbepalingen kunnen bijdragen aan een verdere inhoudelijke voorbereiding van die onafhankelijkheid? En de tweede vraag luidde: Wie zou het initiatief nemen, Nederland of Suriname, en, indien Suriname, wie in Suriname?

De voorbereiding op basis van de nieuwe afspraken moest Suriname klaar maken voor de volgende stap. Suriname was niet klaar, vond men, toen kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog een bezinning op gang kwam over de nieuwe verhoudingen. Oostindie en Klinkers concluderen uit hun analyse van het onderhandelingsproces dat tot het Statuut leidde dat vele Nederlandse bestuurders Suriname eigenlijk te klein achtten om onafhankelijk te kunnen worden en dat zij ‘aan laatdunkendheid grenzend bedenkingen koesterden over het niveau van de lokale bestuurders.” 16) Dat soort argumenten is een lang leven beschoren: groter kan Suriname alleen worden via de geleidelijke bevolkingsgroei, en een meerwaardigheidsgevoel blijft in afhankelijkheidsrelaties die ook nog door cultuurverschillen gekenmerkt altijd bestaan. Daar moest in 1975 dus doorheen gebroken worden. Maar ook in Suriname zelf achtte men zich nog niet rijp voor volledig zelfstandigheid. De in 1946 door de Nederlandse regering ingestelde Commissie de Niet had vastgesteld dat in Suriname zelf nog onvoldoende zelfvertrouwen heerste, dat de Aziatische bevolking een creoolse overheersing vreesde, dat men van mening was dat eerst de lokale autonomie tot ontwikkeling moest worden gebracht, en , tenslotte, dat zelfbestuur pas mogelijk zou zijn wanneer aan een aantal economische voorwaarden was voldaan. Hieraan moest dus na 1954 worden gewerkt.

Dat kon, want er was met het Statuut echt een nieuwe fase ingegaan. Dat werd ook in Suriname en de Antillen erkend. Currie, voorzitter van de regeringsraad van Suriname, achtte met het Statuut “aan elke koloniale verhouding … een einde gekomen”, terwijl Jonckheer, der Antilliaanse minister-president “de deur thans geopend (achtte) voor een politieke evolutie op gelijkwaardige basis.” 17) Ik geloof dat dit twee te optimistische inschattingen waren. Neo-kolonialisme is vooral economisch en laat zich aan staatkundige verhoudingen weinig gelegen liggen. Gelijkwaardigheid in ongelijkheid heeft slechts beperkte betekenis. Maar hoe dan ook, er is na 1954 verder gewerkt aan de verwezenlijking van de voorwaarden voor een grotere autonomie en met resultaat. Het Statuut verschafte Suriname een basis autonomie, maar natuurlijk moest capaciteit worden opgebouwd om deze ook op langere termijn te kunnen invullen. Daartoe zou, ook dat lag vast in het Statuut, door Nederland financiele hulp en technische bijstand worden geboden.

Twintig jaar later was er in Suriname een parlementair democratisch bestel dat functioneerde, met verkiezingen, met verschillende politieke partijen en met regeringswisselingen. De rechtspraak was onafhankelijk, evenals politie en justitie, de pers vrij - zij het enigszins ‘dorps’ van karakter - de vakbeweging vrij en pluriform. De mensenrechten werden gerespecteerd, er was weinig analfabetisme, de deelname aan het basis onderwijs was algemeen, de voorzieningen op het terrein van gezondheidszorg, drinkwater en energie meer dan adequaat. Er was armoede in Suriname, vooral onder ouderen en in het binnenland, en te veel mensen woonden in zeer schamele woningen. Sociale voorzieningen ontbraken, de werkloosheid nam toe, maar er was geen ondervoeding. Suriname was een ontwikkelingsland, maar op alle punten was de situatie er beter dan in alle andere landen van de regio: de buurlanden, het Caraibisch gebied, Centraal Amerika. Ten dele was dit het voordeel van de kleine schaal van de samenleving in Suriname. De problemen waren er meer beheersbaar dan in grotere ontwikkelingslanden.

Daar stond tegenover dat een kleine schaal zowel politieke als economische problemen met zich mee kan brengen. Politieke, zoals het gemakkelijk door elkaar heen lopen van verantwoordelijkheden van personen met onderscheiden functies in de samenleving, minder anonimiteit in het bestuur en dus meer kans op nepotisme en clientalisme. Economische, zoals een eenzijdige productiestructuur en een grote importafhankelijkheid. Dat is het beeld in tal van ontwikkelingslanden, zowel in kleine als in middelgrote landen met een desondanks kleinschalige economie, een bestuurlijke elite van beperkte omvang en zonder een sociale middenklasse. Dat zijn structurele ontwikkelingsproblemen waarmee ook Suriname te kampen had, maar in tegenstelling tot tal van andere landen leidden ze er destijds niet tot stagnatie in de ontwikkeling.

Twee andere problemen deden dat wel. Die hadden minder te maken met de schaal van het land en met de interne ontwikkelingen dan met de nog steeds bestaande afhankelijkheid ten opzichte van Nederland.. Een ervan noemde ik reeds: de belangrijke structurele economische beslissingen werden niet in, maar buiten Suriname genomen. Formeel was er autonomie, materieel niet. Niet dat de Nederlandse regering alle beslissingen nam op sociaal-economisch gebied. Het waren vooral buitenlandse ondernemingen die invloed uitoefenden. Maar de speelruimte van de Surinaamse autoriteiten om zich daartegen te verweren - zo men dat wilde en voor zover die speelruimte tegenover het buitenlands kapitaal bestond - werd vanuit Nederland beperkt. Bovendien was de Nederlandse ontwikkelingshulp in de jaren vijftig en zestig weinig gericht geweest op economische differentiatie en verzelfstandiging en evenmin op structurele armoedebestrijding. Het was een weinig programmatisch ingekaderde projecthulp, waarbij gedetailleerde beslissingen in Den Haag in plaats van in Paramaribo werden genomen. Daarnaast was er veel institutionele steun en technische bijstand, noodzakelijk, doch de afhankelijkheid van Nederland nam er niet door af.

Het tweede probleem had hier sterk mee te maken. Men kon niet alleen bij Nederland terecht, maar ook in Nederland. Rijksgenoten zijn Nederlanders, en hebben, eenmaal in Nederland, dezelfde rechten als alle andere Nederlanders. Daar mag niet geringschattend over worden gedaan. Het was een uitdrukking van de met het Statuut toegezegde gelijkwaardigheid. Het was oprecht bedoeld: ‘we hebben allemaal een Nederlands paspoort en, op Nederlands grondgebied, dezelfde politieke en sociale rechten, zonder onderscheid.’ Wat dat betreft ging Nederland in de jaren vijftig verder dan andere koloniale mogendheden. Het Statuut lag conceptueel voor op constructies die in het tijdperk van de dekolonisatie elders in de wereld werden beproefd. Maar geleidelijk deed de wet van de remmende voorsprong zich gelden. Het Statuut bleek een neo-koloniale werking te hebben. Het versterkte de brain drain. Het wakkerde de neiging aan tot het sublimeren van problemen: er was voor elk probleem een personele uitweg naar Nederland. Dat voorkomt dat problemen uitbarsten, wentelt deze af, bevordert weliswaar de stabiliteit, maar ook de afhankelijkheid. Het versterkte ook de neiging zich alleen op het moederland te richten, sociaal en cultureel, in plaats van zich ook te orienteren op landen in de regio, op andere Europese naties of op Amerika. Men kon immers voor alles in Nederland terecht. En Nederland wakkerde dat aan, deels op ethische gronden, een oprecht gevoel van verantwoordelijkheid, deels vanuit een bewust historisch besef. In de woorden van oud-minister Logemann, voorzitter van de Sticusa, de Stichting tot Culturele Samenwerking met Suriname en de Antillen, “de taal, de wetenschap, kunst, maatschappelijke en staatkundige opvattingen door Nederland in Nederlandse vorm … verspreid, zijn heden ten dage levende bestanddelen van die samenlevingen. Dat verdwijnt niet met onze koloniale macht.” 18) De constatering was terecht, maar, zoals opgemerkt door Oostindie en Klinkers, Logemann voegde er direct de vaststelling aan toe: “Dat is de uitzet van hun nieuwe vrijheid”. Dat mag gerust een karakteristiek voorbeeld genoemd worden van de laatdunkende houding jegens de cultuur van Suriname.

Leiders en intellectuelen in Suriname en op de Antillen waren zich daarvan bewust. Maar het privilege van de permanente toegang tot een voormalig moederland wordt juist door een elite niet gemakkelijk prijsgegeven, ook niet wanneer men beseft dat de afhankelijkheid er door wordt versterkt. Eigenlijk is dit anno 2002, ruim vijftig jaar na het tot stand komen van het Statuut en ruim vijfentwintig jaar nadat men op de Antillen beslist had Suriname niet te volgen op de weg naar volledige autonomie, nog steeds de houding van de elite op de Antillen. Te Willemstad worden heden ten dage nog exact dezelfde argumenten tegen die autonomie gehoord als gedurende de onderhandelingen in de jaren veertig en zeventig. Het argument is er zelfs nog sterker geworden. Er zijn nieuwe afhankelijkheidsrelaties bijgekomen: de invloed van de Zuidamerikaanse maffia, het drugsverkeer. De eilanden vertrouwen elkaar nog minder dan voorheen en daarom worden ook diverse verdelingsbeslissingen gaarne aan Nederland overgelaten. Het is altijd gemakkelijker Nederland verwijten te doen, en zich er dan verder bij neer te leggen, dan onderling te proberen een oplossing te vinden voor geschillen. Hoe langer dat doorgaat hoe meer permanent zo’n constructie wordt en hoe verder weg de autonomie, de wil tot autonomie en ook de mogelijkheid om die wil, wanneer zij zich zou manifesteren, zonder conflicten te verwezenlijken.