Volledig autonoom?
Terug naar de vijf vragen waarmee ik begon. Werd Suriname te vroeg onafhankelijk of te laat? Is het wel onafhankelijk? Was het een model-kolonisatie? Is het land er beter van geworden?
Staatkundige zelfstandigheid is absoluut, maar daarmee is nog geen politieke autonomie bereikt. Die hangt af de positie van een land in de regio en op het wereldtoneel. Sommige landen zijn meer autonoom dan andere en geen enkel land is volledig autonoom. Ook in economisch opzicht is zelfstandigheid een relatief begrip. Op de huidige geglobaliseerde markt is dat nog meer het geval dan in 1954 of 1975. Een land als Suriname, met een geringe bevolkingsomvang en een economie op kleine schaal heeft een extra handicap.
De overdracht van staatkundige soevereiniteit is een moment in een proces van geleidelijk groeiende autonomie. Dat proces kreeg in Suriname een flinke stimulans met het in werking treden van het Statuut, maar er moest een nieuwe stap volgen, want anders dreigde er verlamming en regressie. Die volgende stap moest het mogelijk maken dat Suriname zelf meer zeggenschap zou krijgen op sociaal-economisch gebied. Dat is de volgorde, niet andersom. Meer hulp bieden voorafgaand aan de staatkundige onafhankelijkheid had zin, omdat aldus de capaciteit werd vergroot om in politiek en sociaal-economisch opzicht zelfstandiger te beslissen, maar voor naties is er nooit een afgetekend moment van volwassenheid. Er is geen ideaal moment, geen examen, geen absolute rijpheid. Er is wel een situatie waarin, bij verder uitstel van overdracht van staatkundige soevereiniteit, meer hulp en technische bijstand de capaciteit van een natie in wording om de grote politieke en economische beslissingen zelf te nemen niet verder vergroot maar verlamt. Die grote politieke beslissingen hebben altijd te maken met verdelingskwesties: de verdeling van de macht en de verdeling van de welvaart tussen bevolkingsgroepen, tussen eilanden, tussen arm en rijk. Dat soort beslissingen kan lang worden overgelaten aan een zogeheten moederland. Ook te lang. Wanneer elites zich koesteren in een gevoel van afhankelijkheid, in plaats van zich ertegen te verzetten, is het te laat. Want dan kan de autonomie alleen nog maar bewerkstelligd worden door middel van een interne strijd, in plaats van via een conflict met het moederland. Dat is in Suriname niet geschied, en daarom was het een redelijke gang van zaken.
Daarmee zijn de eerste vier vragen beantwoord. De staatkundige onafhankelijkheid kwam noch te vroeg, noch te laat. Zij kwam op tijd om de volgende fase in te luiden: meer politieke en meer economische zelfstandigheid. Maar ook die zijn naar hun aard gedoemd beperkt te blijven. Het dekolonisatieproces van Suriname verliep anders dan elders, maar het was niet uniek. In bepaalde opzichten verliep het beter, maar het had nog beter gekund.
Dat brengt mij ten slotte tot de vijfde vraag: is Suriname er beter van geworden? Met andere woorden, heeft de staatkundige onafhankelijkheid Suriname geholpen in politiek en economisch opzicht wat minder afhankelijk te worden van het buitenland? Degenen die het proces tussen 1945 en 1975 leidden wilden lessen trekken uit het verleden en het beter doen dan elders en voorheen, maar zij startten niet vanaf een nulpunt. De geschiedenis van Suriname kon niet worden weggedacht of overgedaan. Suriname bestond zoals het bestond, een speciale mix van immigranten uit alle windrichtingen, een kleine groep mensen op een groot grondgebied, waarvan de grenzen tamelijk willekeurig van buitenaf waren getrokken, een samenleving getekend door de slavernij, een klein wingewest, met een taalkundige en culturele navelstreng naar een moedernatie die haar vooraanstaande politieke, economische en culturele positie op het wereldtoneel gaandeweg geheel was kwijtgeraakt. Dat verleden kon men ook in Suriname na 1975 niet zomaar van zich afschudden, onafhankelijk of niet.
Daardoor is het niet verwonderlijk dat de verkregen ruimte en capaciteit om politieke en economische beslissingen zelfstandig te nemen met vallen en opstaan is gebruikt. De economische teruggang na 1975, de toegenomen armoede, het gebrekkige herstel, de erosie van de bestuurlijke capaciteit, de coup, de mensenrechtenschendingen, de geldontwaarding en de nieuwe schulden, al deze gebeurtenissen en ontwikkelingen waren en zijn reden tot grote zorg. Geen ervan was onvermijdelijk, maar geen enkel ontwikkelingsland dat na 1945 staatkundig onafhankelijk is geworden is in staat gebleken een dergelijke gang van zaken te vermijden. Maar veel van deze landen zijn ook periodes van herstel ingegaan, op eigen kracht, omdat door de bevolking zelf beseft werd dat het proces uiteindelijk van binnen uit in betere banen moet worden geleid. De eerste stap daartoe werd gezet toen Suriname een etnisch conflict wist te vermijden. De terugkeer van de parlementaire democratie, een tiental jaren geleden, was een tweede voorbeeld van dat besef. De geleidelijke opbouw van een maatschappelijk middenveld dat zelfbewustheid uitstraalt kan een derde stap worden. Wanner dat middenveld er in slaagt politieke leiders te doordringen van de urgentie van het herstel van maatschappelijke instituties die sociale en rechtszekerheid garanderen, is een vierde stap gezet. Wanneer dat gepaard gaat met een economisch beleid dat er in slaagt voor een langere periode monetaire stabiliteit te bewerkstelligen, armoede te bestrijden, de rijken te belasten en voldoende eigen middelen op te brengen om ieder jaar een beetje vooruitgang te financieren, dan is voldaan aan de basisvoorwaarden voor een verduurzaming van de onafhankelijkheid, in meer dan louter staatkundige zin.
Autonomie wordt niet verleend. Zij moet toch bevochten worden, voortdurend, maar dan vooral van binnen uit.
Jan Pronk
Multatuli lezing
Breda, 1 november 2002.
Staatkundige zelfstandigheid is absoluut, maar daarmee is nog geen politieke autonomie bereikt. Die hangt af de positie van een land in de regio en op het wereldtoneel. Sommige landen zijn meer autonoom dan andere en geen enkel land is volledig autonoom. Ook in economisch opzicht is zelfstandigheid een relatief begrip. Op de huidige geglobaliseerde markt is dat nog meer het geval dan in 1954 of 1975. Een land als Suriname, met een geringe bevolkingsomvang en een economie op kleine schaal heeft een extra handicap.
De overdracht van staatkundige soevereiniteit is een moment in een proces van geleidelijk groeiende autonomie. Dat proces kreeg in Suriname een flinke stimulans met het in werking treden van het Statuut, maar er moest een nieuwe stap volgen, want anders dreigde er verlamming en regressie. Die volgende stap moest het mogelijk maken dat Suriname zelf meer zeggenschap zou krijgen op sociaal-economisch gebied. Dat is de volgorde, niet andersom. Meer hulp bieden voorafgaand aan de staatkundige onafhankelijkheid had zin, omdat aldus de capaciteit werd vergroot om in politiek en sociaal-economisch opzicht zelfstandiger te beslissen, maar voor naties is er nooit een afgetekend moment van volwassenheid. Er is geen ideaal moment, geen examen, geen absolute rijpheid. Er is wel een situatie waarin, bij verder uitstel van overdracht van staatkundige soevereiniteit, meer hulp en technische bijstand de capaciteit van een natie in wording om de grote politieke en economische beslissingen zelf te nemen niet verder vergroot maar verlamt. Die grote politieke beslissingen hebben altijd te maken met verdelingskwesties: de verdeling van de macht en de verdeling van de welvaart tussen bevolkingsgroepen, tussen eilanden, tussen arm en rijk. Dat soort beslissingen kan lang worden overgelaten aan een zogeheten moederland. Ook te lang. Wanneer elites zich koesteren in een gevoel van afhankelijkheid, in plaats van zich ertegen te verzetten, is het te laat. Want dan kan de autonomie alleen nog maar bewerkstelligd worden door middel van een interne strijd, in plaats van via een conflict met het moederland. Dat is in Suriname niet geschied, en daarom was het een redelijke gang van zaken.
Daarmee zijn de eerste vier vragen beantwoord. De staatkundige onafhankelijkheid kwam noch te vroeg, noch te laat. Zij kwam op tijd om de volgende fase in te luiden: meer politieke en meer economische zelfstandigheid. Maar ook die zijn naar hun aard gedoemd beperkt te blijven. Het dekolonisatieproces van Suriname verliep anders dan elders, maar het was niet uniek. In bepaalde opzichten verliep het beter, maar het had nog beter gekund.
Dat brengt mij ten slotte tot de vijfde vraag: is Suriname er beter van geworden? Met andere woorden, heeft de staatkundige onafhankelijkheid Suriname geholpen in politiek en economisch opzicht wat minder afhankelijk te worden van het buitenland? Degenen die het proces tussen 1945 en 1975 leidden wilden lessen trekken uit het verleden en het beter doen dan elders en voorheen, maar zij startten niet vanaf een nulpunt. De geschiedenis van Suriname kon niet worden weggedacht of overgedaan. Suriname bestond zoals het bestond, een speciale mix van immigranten uit alle windrichtingen, een kleine groep mensen op een groot grondgebied, waarvan de grenzen tamelijk willekeurig van buitenaf waren getrokken, een samenleving getekend door de slavernij, een klein wingewest, met een taalkundige en culturele navelstreng naar een moedernatie die haar vooraanstaande politieke, economische en culturele positie op het wereldtoneel gaandeweg geheel was kwijtgeraakt. Dat verleden kon men ook in Suriname na 1975 niet zomaar van zich afschudden, onafhankelijk of niet.
Daardoor is het niet verwonderlijk dat de verkregen ruimte en capaciteit om politieke en economische beslissingen zelfstandig te nemen met vallen en opstaan is gebruikt. De economische teruggang na 1975, de toegenomen armoede, het gebrekkige herstel, de erosie van de bestuurlijke capaciteit, de coup, de mensenrechtenschendingen, de geldontwaarding en de nieuwe schulden, al deze gebeurtenissen en ontwikkelingen waren en zijn reden tot grote zorg. Geen ervan was onvermijdelijk, maar geen enkel ontwikkelingsland dat na 1945 staatkundig onafhankelijk is geworden is in staat gebleken een dergelijke gang van zaken te vermijden. Maar veel van deze landen zijn ook periodes van herstel ingegaan, op eigen kracht, omdat door de bevolking zelf beseft werd dat het proces uiteindelijk van binnen uit in betere banen moet worden geleid. De eerste stap daartoe werd gezet toen Suriname een etnisch conflict wist te vermijden. De terugkeer van de parlementaire democratie, een tiental jaren geleden, was een tweede voorbeeld van dat besef. De geleidelijke opbouw van een maatschappelijk middenveld dat zelfbewustheid uitstraalt kan een derde stap worden. Wanner dat middenveld er in slaagt politieke leiders te doordringen van de urgentie van het herstel van maatschappelijke instituties die sociale en rechtszekerheid garanderen, is een vierde stap gezet. Wanneer dat gepaard gaat met een economisch beleid dat er in slaagt voor een langere periode monetaire stabiliteit te bewerkstelligen, armoede te bestrijden, de rijken te belasten en voldoende eigen middelen op te brengen om ieder jaar een beetje vooruitgang te financieren, dan is voldaan aan de basisvoorwaarden voor een verduurzaming van de onafhankelijkheid, in meer dan louter staatkundige zin.
Autonomie wordt niet verleend. Zij moet toch bevochten worden, voortdurend, maar dan vooral van binnen uit.
Jan Pronk
Multatuli lezing
Breda, 1 november 2002.