Vreemdelingen, vluchtelingen en asielzoekers, worden wat Nederland betreft, op tweeerlei wijze beschermd: door onze Grondwet en door de verplichtingen die wij zijn aangegaan bij de ratificatie van het Verenigde Naties Charter voor de Rechten van de Mens en het Verenigde Naties Vluchtelingen Verdrag. Krachtens deze verdragen heeft iedereen het recht om in een ander land asiel te zoeken, dient ieder verzoek behandeld te worden en dient iedere asielzoeker beschouwd te worden als een vluchteling in spe, totdat een definitieve beschikking is getroffen. Vluchtelingen en asielzoekers hebben dus gelijke rechten op bescherming binnen het land waarheen zij zijn gevlucht en alwaar zij asiel hebben gezocht dan wel gevonden. Mocht uiteindelijk negatief op het verzoek worden beslist, dan, zo luidt de praktijk krachtens de Vluchtelingenconventie, vallen de betrokkenen onder de normale immigratiebepalingen. Volgens diezelfde conventie mogen zij niet gedwongen worden terug te keren naar een land waar zij hun leven of vrijheid bedreigd achten. En volgens de Nederlandse grondwet hebben zij, zolang zij zich op Nederlandse bodem bevinden, recht op gelijke behandeling.

De huidige praktijk staat daarmee op gespannen voet. Asielzoekers wordt steeds minder een reele gelegenheid geboden hun verzoek te substantieren, waardoor het niet eens in behandeling wordt genomen. Asielverzoeken die wel in procedure zijn genomen.worden zodanig behandeld, dat velen het gevoel krijgen dat niet het recht beschikt, maar het lot. Diegenen over wie afwijzend wordt beschikt, en waarvan wordt geoordeeld dat zij niet gedwongen kunnen worden naar hun land terug te keren, worden wel daartoe gedrongen, middels de beeindiging van iedere steun, opsluiting, op straat zetting, het beeindigen van de steun en het illegaal verklaren van opvang verleend door derden. En een aantal wordt wel degelijk gedwongen terug te keren. Dit alles is het tegendeel van bescherming en gelijke behandeling.

Artikel 1 van de Grondwet in combinatie met het Mensenrechten- en het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties kan mijns inziens niet anders betekenen dan dat, wanneer asielzoekers ons land daartoe gedrongen of gedwongen verlaten, een specifieke Nederlandse mede verantwoordelijkheid en betrokkenheid voor hun lot blijft bestaan. Die is niet gemakkelijk waar te maken. Maar een poging tot monitoring van afgewezen asielzoekers alsmede het instellen van een mogelijkheid tot het terugdraaien van een eenmaal genomen beslissing, wanneer blijkt dat het leven of de vrijheid van teruggezonden asielzoekers toch bedreigd worden, is het minste waartoe wij ons moreel verplicht zouden moeten achten. De huidige praktijk, waarbij de autoriteiten, zich beroepend op de onfeilbaarheid van de Nederlandse rechtsstaat, hun handen in onschuld wassen staat met zo’n morele verplichting in schril contrast.