De naasten?
De thans aangekondigde maatregelen gericht op uitzetting van asielzoekers, nadat de politieke toezegging was gedaan om al degenen die aan het einde van de procedures waren gekomen nog eens te beoordelen op het schrijnende karakter van hun situatie, zijn schaamteloos. Slechts een minimaal aantal is gepardonneerd: slechts twee procent van de bijna tienduizend die, nota bene op uitnodiging van de regering, een verzoek hadden ingediend. Aan het woord “schrijnend” is een nieuwe dimensie toegevoegd.
Onder degenen die niet worden gepardonneerd zijn velen die in een situatie verkeren vergelijkbaar met die van mensen die wel zijn toegelaten. Criteria worden niet gehanteerd. Dat hoeft niet, wordt gezegd, want het valt onder de discretionaire bevoegdheid van de minister. Dat is formeel juist, maar het wekt de schijn van willekeur, zeker omdat tegelijkertijd besloten wordt ongeveer tweeduizend mensen toe te laten die nog niet eens een definitieve beschikking hadden ontvangen. Samen leidt dit tot ongeveer 2300 mensen, toevalligerwijs het aantal dat genoemd was in het politieke akkoord dat ten grondslag ligt aan de vorming van dit kabinet. De discretionaire beoordeling vond kennelijk niet plaats op grond van een individuele toetsing, maar was aan politieke grenzen gebonden. Bovendien mochten mensen alleen een verzoek indienen als ze geen gebruik hadden gemaakt van de hen rechtens toekomende beroepsprocedure. Hoe durft het kabinet zo iets voor haar rekening te nemen? Hoe durft men de genomen beslissingen te rechtvaardigen met het argument dat voor anderen “ruimte moet worden geschapen”?.Hoe durft een kabinet eerst willens en wetens bij mensen die in kommervolle omstandigheden verkeren hoge verwachtingen te wekken om deze vervolgens rucksichtlos de grond in te boren? Hoe durft men vervolgens anderen, die daartegen in het geweer komen, te verwijten dat aldus “valse hoop” wordt verschaft? Het is de omgekeerde wereld.
Hoe durft men dit alles te rechtvaardigen met de stelling dat eindelijk duidelijkheid wordt verschaft en dat dit in ieders belang is, ook in dat van machteloze vreemdelingen zelf? Duidelijkheid als waarde op zich. Het is de wereld van de flinkheid, van no-nonse, van het leggen van de verantwoordelijkheid bij de slachtoffers zelf. Twintig jaar geleden heeft Ien Dales reeds de vloer aangeveegd met een dergelijke mentaliteit in een indringend artikel over de tweedeling in de Nederlandse samenleving. Zij schreef het onder de titel “De harde cijfers en hun waarden”. 3). Haar betoog van destijds geldt evenzeer de verduistering van waarden achter de tweedeling van vandaag: die tussen degenen binnen en buiten de muur die wij rond onze zelfvoldane welvaartsstaat hebben opgetrokken.
Wij hebben het plechtig beloofd en de belofte bekrachtigd: vluchtelingen en asielzoekers hebben een onaantastbaar recht op bescherming, een onaantastbaar recht op toelating tot een asielprocedure, op een gedegen en rechtvaardige behandeling van hun verzoek en op bescherming. Dat recht is aangetast, niet door de wet, maar door de wijze waarop zij wordt toegepast, door de formele verwijzing naar een eenmaal gedane rechterlijke uitspraak, met voorbijgaan aan humaniteit, met voorbijgaan aan beter inzicht in het lot dat uitgewezenen te wachten staat, met voorbij gaan aan de plicht tot gelijke behandeling, met voorbijgaan aan verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de geweldige voorsprong in welvaart die wij hebben ten opzichte van onze naasten.
De “naaste” is een ongebruikelijke categorie in politieke termen. Maar het is geen vreemd begrip voor wie politiek wil baseren op waarden en beginselen. Je naaste heb je niet zelf gekozen. Het is niet een van je eigen familieleden, vrienden of kennissen, niet iemand die behoort tot de eigen vertrouwde groep. Je naaste is degene je het meest naast is komen te staan, door de loop der geschiedenis, in de ontwikkeling der gebeurtenissen, ook wanneer we die zelf maar zeer ten dele konden beinvloeden. Onze naaste hebben we niet gezocht, de naaste is nabij gekomen, is er opeens, alleen over het hoofd te zien wanneer we de ogen sluiten. Maar de ogen sluiten is een politieke daad. Tot onze naasten behoren in deze tijd vooral ook degenen die naar ons land gevlucht zijn, bij ons asiel zochten en een poos in ons midden waren. Tot de normen en waarden waarover thans in de Nederlandse politiek zoveel te doen is zou ook moeten behoren dat we onze naasten behandelen zoals onszelf. Die waarde vormt een van de inspiratiebronnen van het recht op gelijke behandeling en bescherming, zoals vastgelegd in de Grondwet.
Vorige week verscheen een bundel gedichten geschreven door Afghaanse vluchtelingen in Nederland, bijeengebracht door Qader Shafiq. De titel van de bundel is: “Een zwijgend lied op mijn lippen”. Liederen zijn er om gezongen te worden, met overgave. Sommigen kunnen dat niet meer. Bij wie veel pijn heeft geleden stokt de stem. Wie ervaart dat niemand luistert, zingt niet meer hardop. Asiel zoeken is pijn lijden, na de pijn waarvoor men is gevlucht. Asiel zoeken is steeds meer een ontmoeting met autoriteiten die zich doof houden. Asielzoekers hebben niets meer toe te voegen aan het verhaal dat zij reeds talloze malen hebben verteld, het lied dat zij destijds zongen, in de verwachting menselijk, rechtvaardig en gelijk behandeld te worden. Menselijk, niet als een ding, als afval dat op straat gezet kan worden. Rechtvaardig, overeenkomstig hoogwaardige beginselen onwrikbaar vastgelegd de hoogst denkbare wet. Gelijkelijk, conform de behandeling die Nederlanders zichzelf gunnen, zoals verwacht mag worden krachtens diezelfde grondwet.
Een zwijgend lied op de lippen. Versterk de stokkende stem van radeloze mensen door Uw eigen stem te verheffen.
Jan Pronk
Burgemeester Dales lezing.
Nijmegen, 30 Januari 2004
1) Zie: C.J.H. Jansen, “Klassieke grondrechten. Achtergrond en ontwikkeling”, in: Prof. Dr. N.C.F. van Sas, De eeuw van de Grondwet. Grondwet en politiek in Nederland, 1798-1917, Uitgeverij Kluwer, Deventer, 1996, pp. 96- 112.
2) Prof. Dr. H.B. Entzinger, “Immigratie, staat en natie. De multiculturele samenleving en de Nederlandse rechtsstaat”, in Prof. Mr. M.C. Burkens e.a., Gelet op de Grondwet. 150 Jaar Grondwet, Uitgeverij Kluwer, Deventer, 1998, pp. 89/90.
3) C.I. Dales, “De harde cijfers en hun waarden”, in: M.B. ter Borg en L. Leertouwer (red.), Het neorealisme in de politiek theologisch beschouwd, Ten Have, Baarn 1987, pp. 21-34.
4) Qader Shafiq (ed.), Een Zwijgend Lied op mijn Lippen, Osmose, Arnhem, 2004.
Onder degenen die niet worden gepardonneerd zijn velen die in een situatie verkeren vergelijkbaar met die van mensen die wel zijn toegelaten. Criteria worden niet gehanteerd. Dat hoeft niet, wordt gezegd, want het valt onder de discretionaire bevoegdheid van de minister. Dat is formeel juist, maar het wekt de schijn van willekeur, zeker omdat tegelijkertijd besloten wordt ongeveer tweeduizend mensen toe te laten die nog niet eens een definitieve beschikking hadden ontvangen. Samen leidt dit tot ongeveer 2300 mensen, toevalligerwijs het aantal dat genoemd was in het politieke akkoord dat ten grondslag ligt aan de vorming van dit kabinet. De discretionaire beoordeling vond kennelijk niet plaats op grond van een individuele toetsing, maar was aan politieke grenzen gebonden. Bovendien mochten mensen alleen een verzoek indienen als ze geen gebruik hadden gemaakt van de hen rechtens toekomende beroepsprocedure. Hoe durft het kabinet zo iets voor haar rekening te nemen? Hoe durft men de genomen beslissingen te rechtvaardigen met het argument dat voor anderen “ruimte moet worden geschapen”?.Hoe durft een kabinet eerst willens en wetens bij mensen die in kommervolle omstandigheden verkeren hoge verwachtingen te wekken om deze vervolgens rucksichtlos de grond in te boren? Hoe durft men vervolgens anderen, die daartegen in het geweer komen, te verwijten dat aldus “valse hoop” wordt verschaft? Het is de omgekeerde wereld.
Hoe durft men dit alles te rechtvaardigen met de stelling dat eindelijk duidelijkheid wordt verschaft en dat dit in ieders belang is, ook in dat van machteloze vreemdelingen zelf? Duidelijkheid als waarde op zich. Het is de wereld van de flinkheid, van no-nonse, van het leggen van de verantwoordelijkheid bij de slachtoffers zelf. Twintig jaar geleden heeft Ien Dales reeds de vloer aangeveegd met een dergelijke mentaliteit in een indringend artikel over de tweedeling in de Nederlandse samenleving. Zij schreef het onder de titel “De harde cijfers en hun waarden”. 3). Haar betoog van destijds geldt evenzeer de verduistering van waarden achter de tweedeling van vandaag: die tussen degenen binnen en buiten de muur die wij rond onze zelfvoldane welvaartsstaat hebben opgetrokken.
Wij hebben het plechtig beloofd en de belofte bekrachtigd: vluchtelingen en asielzoekers hebben een onaantastbaar recht op bescherming, een onaantastbaar recht op toelating tot een asielprocedure, op een gedegen en rechtvaardige behandeling van hun verzoek en op bescherming. Dat recht is aangetast, niet door de wet, maar door de wijze waarop zij wordt toegepast, door de formele verwijzing naar een eenmaal gedane rechterlijke uitspraak, met voorbijgaan aan humaniteit, met voorbijgaan aan beter inzicht in het lot dat uitgewezenen te wachten staat, met voorbij gaan aan de plicht tot gelijke behandeling, met voorbijgaan aan verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de geweldige voorsprong in welvaart die wij hebben ten opzichte van onze naasten.
De “naaste” is een ongebruikelijke categorie in politieke termen. Maar het is geen vreemd begrip voor wie politiek wil baseren op waarden en beginselen. Je naaste heb je niet zelf gekozen. Het is niet een van je eigen familieleden, vrienden of kennissen, niet iemand die behoort tot de eigen vertrouwde groep. Je naaste is degene je het meest naast is komen te staan, door de loop der geschiedenis, in de ontwikkeling der gebeurtenissen, ook wanneer we die zelf maar zeer ten dele konden beinvloeden. Onze naaste hebben we niet gezocht, de naaste is nabij gekomen, is er opeens, alleen over het hoofd te zien wanneer we de ogen sluiten. Maar de ogen sluiten is een politieke daad. Tot onze naasten behoren in deze tijd vooral ook degenen die naar ons land gevlucht zijn, bij ons asiel zochten en een poos in ons midden waren. Tot de normen en waarden waarover thans in de Nederlandse politiek zoveel te doen is zou ook moeten behoren dat we onze naasten behandelen zoals onszelf. Die waarde vormt een van de inspiratiebronnen van het recht op gelijke behandeling en bescherming, zoals vastgelegd in de Grondwet.
Vorige week verscheen een bundel gedichten geschreven door Afghaanse vluchtelingen in Nederland, bijeengebracht door Qader Shafiq. De titel van de bundel is: “Een zwijgend lied op mijn lippen”. Liederen zijn er om gezongen te worden, met overgave. Sommigen kunnen dat niet meer. Bij wie veel pijn heeft geleden stokt de stem. Wie ervaart dat niemand luistert, zingt niet meer hardop. Asiel zoeken is pijn lijden, na de pijn waarvoor men is gevlucht. Asiel zoeken is steeds meer een ontmoeting met autoriteiten die zich doof houden. Asielzoekers hebben niets meer toe te voegen aan het verhaal dat zij reeds talloze malen hebben verteld, het lied dat zij destijds zongen, in de verwachting menselijk, rechtvaardig en gelijk behandeld te worden. Menselijk, niet als een ding, als afval dat op straat gezet kan worden. Rechtvaardig, overeenkomstig hoogwaardige beginselen onwrikbaar vastgelegd de hoogst denkbare wet. Gelijkelijk, conform de behandeling die Nederlanders zichzelf gunnen, zoals verwacht mag worden krachtens diezelfde grondwet.
Een zwijgend lied op de lippen. Versterk de stokkende stem van radeloze mensen door Uw eigen stem te verheffen.
Jan Pronk
Burgemeester Dales lezing.
Nijmegen, 30 Januari 2004
1) Zie: C.J.H. Jansen, “Klassieke grondrechten. Achtergrond en ontwikkeling”, in: Prof. Dr. N.C.F. van Sas, De eeuw van de Grondwet. Grondwet en politiek in Nederland, 1798-1917, Uitgeverij Kluwer, Deventer, 1996, pp. 96- 112.
2) Prof. Dr. H.B. Entzinger, “Immigratie, staat en natie. De multiculturele samenleving en de Nederlandse rechtsstaat”, in Prof. Mr. M.C. Burkens e.a., Gelet op de Grondwet. 150 Jaar Grondwet, Uitgeverij Kluwer, Deventer, 1998, pp. 89/90.
3) C.I. Dales, “De harde cijfers en hun waarden”, in: M.B. ter Borg en L. Leertouwer (red.), Het neorealisme in de politiek theologisch beschouwd, Ten Have, Baarn 1987, pp. 21-34.
4) Qader Shafiq (ed.), Een Zwijgend Lied op mijn Lippen, Osmose, Arnhem, 2004.