Hans Opschoor, in memoriam
Den Haag, 13 mei 2026
Hans en ik kennen elkaar bijna vijfenzestig jaar, vanaf onze studententijd in Rotterdam. We studeerden economie en waren lid van dezelfde studentenvereniging. De eerste brief die ik ooit van hem kreeg was een studentikoze felicitatie met ons huwelijk, dat hij betitelde als ‘afscheid van een roemrucht vrijgezellenbestaan’. Hij schreef te hopen dat we elkaar zouden blijven tegenkomen. Zijn laatste brief kreeg ik een maand geleden: een lang epistel met een doorwrochte beschouwing over toekomstvragen.
In de tussenliggende jaren zijn we elkaar tegengekomen bij tal van gelegenheden en in verschillende functies, wetenschap, politiek, oecumene, maatschappelijk middenveld, milieubeweging en internationale conferenties. We werden vrienden, traden soms samen op, discussieerden en schreven elkaar over talloze onderwerpen. Ik heb veel van Hans geleerd en beschouw hem als de belangrijkste denker in Nederland over het spanningsveld tussen economie, milieu en ecologie.
Dat spanningsveld is er. Hoe kan je als economist partij kiezen voor natuur, ecologie, milieu en klimaat in een academische omgeving die steeds meer gefocust is op groei, markt en commercie? Hans Opschoor deed dat door keuzes te maken op grond van expliciete waarden en door de grondslag te leggen voor een nieuwe discipline: milieueconomie of ecologische economie. Zijn vertrek uit Rotterdam naar Amsterdam was zo’n keuze. Daar bood de universiteit hem meer ruimte. ‘Ik was gepokt en gemazeld in het neoklassieke economische denken’, schreef hij, ‘maar ben daar sinds en door mijn proefschrift vanaf gedreven’. ‘Sinds en door mijn proefschrift’, dat tekent de wetenschapper die blijft studeren en denken langs andere dan geijkte lijnen. Dat bleef Hans altijd doen en dat maakte hem tot een zeer gewaardeerd discussiepartner aan beide zijden van het spectrum.
Ook de beslissing om een tijd in Afrika te werken was zo’n keuze. Die hielp om met andere ogen te kijken naar schaarste en naar de basisvoorwaarden voor een leefbaar menselijk bestaan. Het bracht hem tot een pleidooi voor een nieuwe levensstijl, en tot het ijken van nieuwe concepten, zoals de milieugebruiksruimte, waarvan de grenzen niet eenduidig kunnen worden afgeleid uit de natuurwetenschap, maar worden bepaald door beleidskeuzes. Daar ging het volgens hem om bij het maken van beleid: leg je uitgangspunten en waarden op tafel en maak duidelijk wat je wil. Hij citeerde Alice in Wonderland toen die, in antwoord op de vraag ‘Where do we go from here?’, antwoordde: ‘That depends on where you want to go’.
Dat was Hans ten voeten uit. Hij had een goed zicht op beleid en politiek, zonder zelf politieke ambten na te streven. Dat zicht deed hij op in de jaren zeventig in bijeenkomsten van de Wereldraad van Kerken, in de jaren tachtig in het kader van de samenwerking tussen wetenschappers van Oost en West, en daarna in VN-commissies en rond topconferenties. Het verschafte hem een brede visie op vrede, veiligheid, ontwikkeling en verduurzaming. Die droeg hij uit als hoogleraar in Nederland, directeur van het Instituut voor Milieuvraagstukken, lid van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen en rector van het Institute of Social Studies, en in colleges aan universiteiten in het buitenland, zoals in Beijing en Nanking.
Hans was overal bij, maar hij was er niet op uit headlines te maken. Hij bleef op de achtergrond, maar bracht zijn inzichten helder naar voren, in woord en geschrift. Hij wist door vragen te stellen in plaats van voortijdig antwoorden te geven discussies verder te brengen en kreeg daardoor groot gezag. Dat paste bij zijn karakter. Hij was altijd opgewekt en van nature bescheiden. Over zijn werk als universitair docent in de jaren zestig schreef hij eens: ‘Onderwijs was niet mijn ding’, maar hij zei er niet bij, dat hij in dat jaar door de studenten was uitgeroepen tot de beste docent. Die bescheidenheid gold ook zijn onderzoek. Over een tekst die hij ooit geschreven had zei hij later: ‘De inhoud was, zo bleek mij bij herlezing, in het licht van de toenmalige situatie niet al te dom’.
Vooral de laatste tien jaar hebben wij veel met elkaar gecorrespondeerd, over tal van onderwerpen: de ecologische voetafdruk, de illiberale democratie, klimaat, China, internationale veiligheid, ontwikkelingssamenwerking en de verduurzaming van de wereldeconomie. Ik heb dezer dagen alles nog eens nagelezen en werd opnieuw getroffen door de scherpte van zijn analyses. Hij was zeer bezorgd over de huidige ontwikkelingen in de wereld en over de bedreigingen die ons te wachten staan. Maar hij zocht naar middelen om de ontwikkelingen bij te sturen, want, aldus de titel van een van zijn laatste boeken: ‘Na ons geen zondvloed’.
Integendeel, zoals hij dat dertig jaar eerder zelf had verwoord toen hij in de Kalahari woestijn een hevig en urenlang onweer meemaakte: ‘De woestijn bloeide even plotseling als uitbundig. We zagen het met eigen ogen. Wat Jesaja ooit als een visioen beschreef, is een in de werkelijkheid verscholen mogelijkheid’.
Die mogelijkheid mag niet verscholen blijven, maar moet manifest gemaakt worden. Dat vraagt studie, schrijven, doceren en het beleid beïnvloeden. ‘Frapper, frapper toujours en daarmee gewoon doorgaan. Elke gewonnen dag is er een’, schreef Hans mij eens. Die winst van dag op dag kan ook geboekt worden door actie te voeren, eventueel ook gewoon op straat. Hans en Irene deden dat, bijvoorbeeld bij acties van de Grootouders voor het Klimaat en van Extension Rebellion. Kortgeleden werden ze door een journalist gespot bij de bij de bezetting van de A12. ‘Wij gaan al langer naar demonstraties dan dat menig demonstrant hier oud is’, zei Hans. Of ze ooit stoppen met demonstreren? ‘Nee’ schudt Irene: ‘Zo lang we leven, gaan we door’.
Ze hielden woord. Drie weken geleden was Hans bij mij op bezoek. We spraken over het boek dat we samen zouden schrijven over de onderwerpen die ons beiden bezighielden. Toekomstvragen dus en hoe daarop niet alleen wetenschappelijk maar ook politiek een antwoord te vinden. Na afloop nodigde ik hem uit om met me mee te gaan naar de wekelijkse sit-in voor het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar al meer dan twee jaar lang iedere donderdag gedemonstreerd wordt tegen het Nederlandse beleid over Gaza. Natuurlijk ging Hans mee. Bij aankomst raakten we elkaar kwijt. Ik stond samen met andere ouderen rond de kring waar de jongeren op de grond zaten. Ik keek rond maar zag hem niet. Tot bleek dat hij de sit-in letterlijk had genomen. Hij was er zelf bij gaan zitten, de oudste van de groep.
Frapper toujours. Elke gewonnen dag is er een. Geen zondvloed, maar een bloeiende woestijn. Dat kan. Laten we dat Hans nazeggen.
Jan Pronk
Herdenkingsbijeenkomst, Haagse Duinen, Den Haag, 13 mei 2026