Hulpverlening
Als het niet zeker is dat we beter zijn voorbereid om calamiteiten te voorkomen, zijn we dat dan in ieder geval wel om de gevolgen op te vangen? Is de hulpverlening beter dan vroeger? Er zijn drie maatstaven om de effectiviteit van de hulpverlening in noodsituaties te beoordelen. Wordt er snel genoeg gereageerd? Immers, hoe sneller de hulpverlening op gang komt, hoe meer mensen kunnen worden gered. Ten tweede: is die hulpverlening goed georganiseerd? Weet ieder wie wat waar moet doen en wanneer? Zijn de verantwoordelijkheden duidelijk afgebakend? Slechte coordinatie van de rampbestrijding maakt onnodig veel slachtoffers. Ten derde: hoe staat het met de kwaliteit, de deskundigheid, de inzet en toewijding van de hulpverleners zelf? Doen zij alles gedaan wat zij kunnen en meer dan dat?
Op 31 januari 1953 en in de dagen daarna hebben de hulpverleners een bovenmenselijke inspanning verricht. Zij hebben vele mensen gered, niet zelden met gevaar voor eigen leven. De hulp stroomde toe, van alle kanten. De betrokkenheid en de inzet waren geweldig. Degenen die toen geholpen hebben en deels vandaag hier aanwezig zijn past dank, veel dank. Zij hebben iets groots verricht. Daarvan getuigen de verslagen van het Rode Kruis en de boeken geschreven door Kees Slager en anderen. Tegenover het afschuiven van verantwoordelijkheden door sommigen stond de creativiteit en heldenmoed van vele anderen.
In die boeken en rapporten komt ook tot uiting dat aan de organisatie van een en ander veel schortte. Dat weten ook de hulpverleners zelf. Zij zullen zich vaak geergerd hebben aan autoriteiten. Mijn schoonvader was binnenschipper, die de Zeeuwse wateren op zijn duimpje kende. Hij had zich direct aangemeld, werd opgeroepen en heeft meegeholpen, maar in zijn verhalen later kwam telkens de opmerking terug: “We hadden meer kunnen doen”. Dat was geen kritiek op personen, maar teleurstelling over onvoldoende maatvoering in de hulp: op sommige plaatsen te veel, op andere te weinig, of verkeerd gericht. Ook dat is geboekstaafd: de onvoldoende samenwerking tussen militaire en burgerlijke autoriteiten, de incompetentie van sommige plaatselijke besturen, de afwachtende houding van de regering. Maar dat vergroot eens te meer de bewondering voor wat de hulpverleners voor elkaar kregen. Velen zijn gered ondanks een gebrekkige organisatie, ondanks amateurisme, ondanks inadequate communicatie. Meer mensen zouden gered kunnen zijn wanneer eerder was begonnen met een grootscheepse inzet van de hulp. Maar wie zich weet te verplaatsen in de omstandigheden waarin Nederland kort na Tweede Wereldoorlog verkeerde, kan niet anders dan grote bewondering hebben voor het feit dat Defensie zo alert snel reageerde, door reeds zondagochtend alle verloven in te trekken; bewondering ook voor de snelle opvang van de evacuees, het met man en macht dichten van de gaten, het herwinnen van het verdronken land, zo spoedig als dat maar enigszins kon.
Informatie, communicatie en hulpverlening: het is tegenwoordig real time, een kwestie niet van minuten, maar seconden, aleer informatie over een catastrofe de andere kant van de aardbol bereikt en actie kan worden ondernomen. In het midden van de vorige eeuw duurde het uren voordat de omvang van een ramp kon doordringen tot degenen die niet eens al te ver weg beslissingen moesten nemen over hoe te reageren. Dan kost het al gauw weer uren voordat hulpverleners zelf worden bereikt en weer uren voordat zij ter plaatse kunnen zijn. Dat is een kwestie van organisatie. Daar schortte het destijds aan. Maar het is ook een kwestie van communicatie infrastructuur. Die was toen heel wat beperkter dan thans. Nederland was nog maar net de fase van ontwikkelingsgebied ontgroeid.
Dat gaat nu inderdaad beter. De Bijlmerramp en die in Enschede en Volendam waren heel wat kleiner dan de stormramp van 1953 en dus ook eenvoudiger te bestrijden. In evaluaties van het optreden bij die drie catastrofes zijn vele noten gekraakt. De voorzorg schoot te kort, de nazorg eveneens, maar de snelheid en de organisatie van de hulp werden geprezen. De rampbestrijding kon in de jaren negentig beter zijn dan in de jaren vijftig en zij was dat ook Wat dat betreft hebben we in Nederland onze les geleerd. De hulpverleners in Amsterdam, Volendam en Enschede hebben snel, betrokken en deskundig geopereerd. In de rapporten staat veel kritiek op de autoriteiten, maar niet op de mensen in het veld: de werkers van het Rode Kruis, de politiemensen en brandweerlieden, de artsen, verplegers en de individuele burgers die meehielpen. Zij deden wat vijftig jaar eerder hun voorgangers in Zuid Holland, Zeeland en West Brabant hadden gepresteerd. Dat was hulp van klasse.
Op 31 januari 1953 en in de dagen daarna hebben de hulpverleners een bovenmenselijke inspanning verricht. Zij hebben vele mensen gered, niet zelden met gevaar voor eigen leven. De hulp stroomde toe, van alle kanten. De betrokkenheid en de inzet waren geweldig. Degenen die toen geholpen hebben en deels vandaag hier aanwezig zijn past dank, veel dank. Zij hebben iets groots verricht. Daarvan getuigen de verslagen van het Rode Kruis en de boeken geschreven door Kees Slager en anderen. Tegenover het afschuiven van verantwoordelijkheden door sommigen stond de creativiteit en heldenmoed van vele anderen.
In die boeken en rapporten komt ook tot uiting dat aan de organisatie van een en ander veel schortte. Dat weten ook de hulpverleners zelf. Zij zullen zich vaak geergerd hebben aan autoriteiten. Mijn schoonvader was binnenschipper, die de Zeeuwse wateren op zijn duimpje kende. Hij had zich direct aangemeld, werd opgeroepen en heeft meegeholpen, maar in zijn verhalen later kwam telkens de opmerking terug: “We hadden meer kunnen doen”. Dat was geen kritiek op personen, maar teleurstelling over onvoldoende maatvoering in de hulp: op sommige plaatsen te veel, op andere te weinig, of verkeerd gericht. Ook dat is geboekstaafd: de onvoldoende samenwerking tussen militaire en burgerlijke autoriteiten, de incompetentie van sommige plaatselijke besturen, de afwachtende houding van de regering. Maar dat vergroot eens te meer de bewondering voor wat de hulpverleners voor elkaar kregen. Velen zijn gered ondanks een gebrekkige organisatie, ondanks amateurisme, ondanks inadequate communicatie. Meer mensen zouden gered kunnen zijn wanneer eerder was begonnen met een grootscheepse inzet van de hulp. Maar wie zich weet te verplaatsen in de omstandigheden waarin Nederland kort na Tweede Wereldoorlog verkeerde, kan niet anders dan grote bewondering hebben voor het feit dat Defensie zo alert snel reageerde, door reeds zondagochtend alle verloven in te trekken; bewondering ook voor de snelle opvang van de evacuees, het met man en macht dichten van de gaten, het herwinnen van het verdronken land, zo spoedig als dat maar enigszins kon.
Informatie, communicatie en hulpverlening: het is tegenwoordig real time, een kwestie niet van minuten, maar seconden, aleer informatie over een catastrofe de andere kant van de aardbol bereikt en actie kan worden ondernomen. In het midden van de vorige eeuw duurde het uren voordat de omvang van een ramp kon doordringen tot degenen die niet eens al te ver weg beslissingen moesten nemen over hoe te reageren. Dan kost het al gauw weer uren voordat hulpverleners zelf worden bereikt en weer uren voordat zij ter plaatse kunnen zijn. Dat is een kwestie van organisatie. Daar schortte het destijds aan. Maar het is ook een kwestie van communicatie infrastructuur. Die was toen heel wat beperkter dan thans. Nederland was nog maar net de fase van ontwikkelingsgebied ontgroeid.
Dat gaat nu inderdaad beter. De Bijlmerramp en die in Enschede en Volendam waren heel wat kleiner dan de stormramp van 1953 en dus ook eenvoudiger te bestrijden. In evaluaties van het optreden bij die drie catastrofes zijn vele noten gekraakt. De voorzorg schoot te kort, de nazorg eveneens, maar de snelheid en de organisatie van de hulp werden geprezen. De rampbestrijding kon in de jaren negentig beter zijn dan in de jaren vijftig en zij was dat ook Wat dat betreft hebben we in Nederland onze les geleerd. De hulpverleners in Amsterdam, Volendam en Enschede hebben snel, betrokken en deskundig geopereerd. In de rapporten staat veel kritiek op de autoriteiten, maar niet op de mensen in het veld: de werkers van het Rode Kruis, de politiemensen en brandweerlieden, de artsen, verplegers en de individuele burgers die meehielpen. Zij deden wat vijftig jaar eerder hun voorgangers in Zuid Holland, Zeeland en West Brabant hadden gepresteerd. Dat was hulp van klasse.