Rampen elders: eerder regel dan uitzondering.
Internationaal is dat niet anders. Hetgeen bij ons mogelijk is, omdat we een welvarende natie zijn geworden, kan niet in bijvoorbeeld India of Turkije. De recente aardbevingen daar maakten talloze slachtoffers. Deels kwam dat door onvoldoende voorzorg: er was niet aardbevingsbestendig gebouwd. Voor velen was dat te duur. Bovendien had ook in die landen economisch profijt bouwers en ambtenaren de hand doen lichten met de regelgeving. Tenslotte kwam de hulp te laat en was er te weinig materieel. Armere landen kunnen zich nu eenmaal minder goed voorbereiden op rampen, op het voorkomen en bestrijden daarvan en op het redden en opvangen van slachtoffers. Maar bij alle kritiek en begrip overheerst bij rampen in ontwikkelingslanden altijd weer de bewondering voor de individuele hulpverleners die met weinig middelen en met gevaar voor eigen leven, met grote inzet onverflauwd doorgaan te redden wie er te redden valt. Dat zien we bij mijninstortingen in Zuid Afrika, overstromingen in Mozambique en Bangladesh, aardverschuivingen in Venezuela. Mensen stijgen boven zich zelf uit wanneer zij worden geconfronteerd met de opdracht anderen het leven te redden. Dat zagen we in de 19e eeuw bij de bemanning van de simpele reddingsboten langs de Nederlandse kust die bij storm en ontij uitvoeren om schipbreukelingen te redden. Dat lezen we in kranteberichten over mensen die in zee verdrinken na anderen gered te hebben.
Diezelfde gedrevenheid en moed zien we bij hulpverleners aan slachtoffers van oorlog en geweld. Artsen, verplegers, buitenlandse noodhulpverleners, helpers van vluchtelingen en ontheemden, mensenrechtenadvocaten in dictatoriale landen, zij zijn het altijd en overal weer die er tegenaan gaan en zo de gevolgen proberen te verminderen van het falen van anderen: autoriteiten, bestuurders, politici, oorlogshitsers, haatpredikers, bendeleiders. De hulpverleners die in Sarajevo bleven tijdens de beschietingen, in Ramallah ondanks de raids op ambulances, in Freetown ondanks de bedreiging door gedrogeerde kindsoldaten, de brandweerlieden van New York, die hun leven waagden en verloren toen zij het WTC gebouw ingingen om overlevenden te zoeken, zij doen hetzelfde als de hulpverleners bij rampen zoals de watersnood van 1953.
De meeste rampen spelen niet af in of rond Europa en Amerika, maar op de andere continenten. De armere continenten. Volgens het rampenjaarboek 2002 vallen er meer slachtoffers van natuurrampen in midden-inkomenslanden dan in de rijkere landen. De meeste slachtoffers vallen in de armste landen. Daar zijn dan nog niet eens de slachtoffers bijgeteld van het catastrofale geweld van burgeroorlogen waardoor veel armere landen worden geteisterd. Armere landen hebben vaak een geografische structuur of een natuurlijke omgeving die hen meer kwetsbaar maakt voor rampen - bijvoorbeeld tengevolge van klimaatverandering - dan andere. De economische structuur en de sociale verhoudingen leiden er eerder dan elders tot hongersnood of milieucatastrofe. Hun politieke structuur kan eerder dan elders tot gewelddadige conflicten leiden en hun bestuurlijke structuur is vaak te jong en fragiel om zich op een en ander voor te bereiden en de gevolgen van een crisis op te vangen. De buffer om schokken te dempen is dun, wanneer armoede heerst, wanneer de staat zwak is en de civiele samenleving versnipperd.
In veel arme landen, anders dan in West Europa en Amerika, is de catastrofe geen uitzondering, maar regel. Daar vervagen grenslijnen tussen hetgeen normaal is en wat elders als uitzonderlijk zou gelden. Veel van die rampen worden vergeten: de altijd maar voortdurende rampen, de verre rampen, de gemaakte rampen, de rampen die zich in de toekomst zullen voordoen omdat wij thans nalatig zijn. AIDS in Afrika, een burgeroorlog in Sudan die decennia duurde en miljoenen slachtoffers maakt, vluchtelingenkampen waar grootouders, ouders en kleinkinderen samen wonen zonder perspectief op een normaal leven, mensen die huizen op eilanden in de Golf van Bengalen waarvan de kust zienderogen afbrokkelt, iedere dag opnieuw. Enzovoort.
Die rampen worden niet alleen niet voorkomen, de slachtoffers worden ook terzijde geschoven. Althans, door autoriteiten, die medicijnenprijzen handhaven op een niveau dat alleen rijke Westerse consumenten zich kunnen veroorloven. Autoriteiten, die schuldaflossing verabsoluteren in plaats van ruimte te bieden voor onderwijs, gezondheidszorg en plattelandsontwikkeling en aldus de buffer te versterken waarmee rampen kunnen worden opgevangen. Autoriteiten die het laten afweten om humanitair te intervenieren. Autoriteiten die beknibbelen op hulp. Opinieleiders die de slachtoffers de schuld geven: “zij hebben het er toch zelf naar gemaakt…”.
Gelukkig zijn er talloze hulpverleners die het niet laten afweten. Het Rode Kruis, Artsen Zonder Grenzen, Unicef, UNHCR, de VN hulpverleners die naar Bagdad gingen ondanks de bedreigingen, vrijwilligers van particuliere organisaties, vluchtelingenwerkers. Zij proberen het ergste op te vangen. Zij trachten te corrigeren wat door anderen werd nagelaten dan wel veroorzaakt. Hulpverleners vragen niet om gehuldigd te worden. Zij vragen steun en bescherming. Zij vragen van bestuurders en politici en autoriteiten net zoveel inzet om rampen te voorkomen als zijzelf betonen bij het bestrijden van de gevolgen daarvan. Door die inzet te tonen - preventie, prioriteiten stellen, geldmiddelen ter beschikking stellen, snelle en doeltreffende organisatie opzetten, spoedig werk maken van herstel en wederopbouw - de basis van de preventie van een herhaling van de ramp - wordt aan de feitelijke hulpverleners getoond dat hun hulp meer is dan een doekje voor het bloeden. Door slachtoffers, overlevenden, nabestaanden en vluchtelingen niet te vergeten, maar voor hen zorg te organiseren, opdat zij spoedig weer een veilige en normale plaats in de samenleving kunnen vinden, kunnen officials, bestuurders en politici aan hulpverleners tonen dat hun inzet niet voor niets is geweest en dat de aanvankelijk geredde mensen niet alsnog het slachtoffer worden van een ramp na de ramp.
Laat de slachtoffers niet in de steek. Laat ook de hulpverleners niet in de steek. Dat zijn in deze wereld de echte helden.
Jan Pronk
Toespraak nationale bijeenkomst voor de hulpverleners na de Watersnoodramp van 1 Februari 1953
Tholen, 18 September 2003.
Diezelfde gedrevenheid en moed zien we bij hulpverleners aan slachtoffers van oorlog en geweld. Artsen, verplegers, buitenlandse noodhulpverleners, helpers van vluchtelingen en ontheemden, mensenrechtenadvocaten in dictatoriale landen, zij zijn het altijd en overal weer die er tegenaan gaan en zo de gevolgen proberen te verminderen van het falen van anderen: autoriteiten, bestuurders, politici, oorlogshitsers, haatpredikers, bendeleiders. De hulpverleners die in Sarajevo bleven tijdens de beschietingen, in Ramallah ondanks de raids op ambulances, in Freetown ondanks de bedreiging door gedrogeerde kindsoldaten, de brandweerlieden van New York, die hun leven waagden en verloren toen zij het WTC gebouw ingingen om overlevenden te zoeken, zij doen hetzelfde als de hulpverleners bij rampen zoals de watersnood van 1953.
De meeste rampen spelen niet af in of rond Europa en Amerika, maar op de andere continenten. De armere continenten. Volgens het rampenjaarboek 2002 vallen er meer slachtoffers van natuurrampen in midden-inkomenslanden dan in de rijkere landen. De meeste slachtoffers vallen in de armste landen. Daar zijn dan nog niet eens de slachtoffers bijgeteld van het catastrofale geweld van burgeroorlogen waardoor veel armere landen worden geteisterd. Armere landen hebben vaak een geografische structuur of een natuurlijke omgeving die hen meer kwetsbaar maakt voor rampen - bijvoorbeeld tengevolge van klimaatverandering - dan andere. De economische structuur en de sociale verhoudingen leiden er eerder dan elders tot hongersnood of milieucatastrofe. Hun politieke structuur kan eerder dan elders tot gewelddadige conflicten leiden en hun bestuurlijke structuur is vaak te jong en fragiel om zich op een en ander voor te bereiden en de gevolgen van een crisis op te vangen. De buffer om schokken te dempen is dun, wanneer armoede heerst, wanneer de staat zwak is en de civiele samenleving versnipperd.
In veel arme landen, anders dan in West Europa en Amerika, is de catastrofe geen uitzondering, maar regel. Daar vervagen grenslijnen tussen hetgeen normaal is en wat elders als uitzonderlijk zou gelden. Veel van die rampen worden vergeten: de altijd maar voortdurende rampen, de verre rampen, de gemaakte rampen, de rampen die zich in de toekomst zullen voordoen omdat wij thans nalatig zijn. AIDS in Afrika, een burgeroorlog in Sudan die decennia duurde en miljoenen slachtoffers maakt, vluchtelingenkampen waar grootouders, ouders en kleinkinderen samen wonen zonder perspectief op een normaal leven, mensen die huizen op eilanden in de Golf van Bengalen waarvan de kust zienderogen afbrokkelt, iedere dag opnieuw. Enzovoort.
Die rampen worden niet alleen niet voorkomen, de slachtoffers worden ook terzijde geschoven. Althans, door autoriteiten, die medicijnenprijzen handhaven op een niveau dat alleen rijke Westerse consumenten zich kunnen veroorloven. Autoriteiten, die schuldaflossing verabsoluteren in plaats van ruimte te bieden voor onderwijs, gezondheidszorg en plattelandsontwikkeling en aldus de buffer te versterken waarmee rampen kunnen worden opgevangen. Autoriteiten die het laten afweten om humanitair te intervenieren. Autoriteiten die beknibbelen op hulp. Opinieleiders die de slachtoffers de schuld geven: “zij hebben het er toch zelf naar gemaakt…”.
Gelukkig zijn er talloze hulpverleners die het niet laten afweten. Het Rode Kruis, Artsen Zonder Grenzen, Unicef, UNHCR, de VN hulpverleners die naar Bagdad gingen ondanks de bedreigingen, vrijwilligers van particuliere organisaties, vluchtelingenwerkers. Zij proberen het ergste op te vangen. Zij trachten te corrigeren wat door anderen werd nagelaten dan wel veroorzaakt. Hulpverleners vragen niet om gehuldigd te worden. Zij vragen steun en bescherming. Zij vragen van bestuurders en politici en autoriteiten net zoveel inzet om rampen te voorkomen als zijzelf betonen bij het bestrijden van de gevolgen daarvan. Door die inzet te tonen - preventie, prioriteiten stellen, geldmiddelen ter beschikking stellen, snelle en doeltreffende organisatie opzetten, spoedig werk maken van herstel en wederopbouw - de basis van de preventie van een herhaling van de ramp - wordt aan de feitelijke hulpverleners getoond dat hun hulp meer is dan een doekje voor het bloeden. Door slachtoffers, overlevenden, nabestaanden en vluchtelingen niet te vergeten, maar voor hen zorg te organiseren, opdat zij spoedig weer een veilige en normale plaats in de samenleving kunnen vinden, kunnen officials, bestuurders en politici aan hulpverleners tonen dat hun inzet niet voor niets is geweest en dat de aanvankelijk geredde mensen niet alsnog het slachtoffer worden van een ramp na de ramp.
Laat de slachtoffers niet in de steek. Laat ook de hulpverleners niet in de steek. Dat zijn in deze wereld de echte helden.
Jan Pronk
Toespraak nationale bijeenkomst voor de hulpverleners na de Watersnoodramp van 1 Februari 1953
Tholen, 18 September 2003.