Te Velde beschrijft hoe Thorbecke, Kuyper, Colijn, Drees en Den Uyl dat deden, ieder met een eigen stijl die past in de geest van hun tijd. Nu werd voor ieder van deze vijf de periode waarin zij leiding gaven gekenschetst door grote maatschappelijke veranderingen, maar niet door een oorlog of door een crisis die gepaard ging met geweld op grote schaal. Het is jammer dat Te Velde geen Nederlandse politiek leider gedurende de Tweede Wereldoorlog in zijn boek heeft kunnen opnemen. Wellicht was Koningin Wilhelmina de enige die daarvoor in aanmerking zou zijn gekomen, ook al was haar leiderschap van een andere aard..
In zijn studie heeft Te Velde enkele tijdgenoten uit het buitenland opgevoerd die als leidersfiguren internationaal een voorbeeld waren: Gladstone, Kennedy en Willy Brandt. Gladstone’s leiderschap, aldus Te Velde, had drie kenmerken. Hij vertoonde passie in kwesties van moraliteit. Hij kon zich identificeren met zijn achterbanen dat aan die achterban overbrengen (“I am one of yourselves”). En, tenslotte, hij was eerder een alerte volger van een maatschappelijke beweging dan een initiatiefnemer; hij sloot aan, nam over, doch liet zich niet meeslepen.

Het zijn de kenmerken van leiderschap in een evenwichtige maatschappelijke ontwikkeling, noodzakelijk om ‘de boel bij elkaar te houden’, zoals Den Uyl placht te zeggen. Zijn het ook voldoende eigenschappen in een situatie van oorlog of crisis? Of kort daarna, teneinde de samenleving weer op te bouwen en een nieuwe crisis te voorkomen? Dan gaat het er immers niet om de boel bijeen te houden, maar om deze bijeen te brengen: geweld uit te bannen, vrede te bewerkstelligen, herstel en eenheid. Daar is meer voor nodig: naast passie een profetische visie, naast identificatie met de eigen achterban het vermogen een brug te slaan naar anderen, naast alert volgen het nemen van initiatief om doorbraken te bewerkstelligen.

Kennedy kon dat. Hij straalde passie uit en wist een visie over te brengen, een visie op de eigen samenleving en op de wereld. Hij zette zich niet alleen af tegen voorgangers, maar werd de verpersoonlijking van vernieuwing. Die vernieuwing bracht hij niet zelf tot stand. Dat deden mensen die geinspireerd werden door zijn elan en die de ruimte benutten die hij schiep. Hij begeesterde de zijnen, maar oefende ook aantrekkingskracht uit op tallozen wier leider hij niet was, zelfs op de achterban van zijn tegenstanders. Hij zocht de confrontatie, ook in crisissituaties, nam initiatief en risico.

Net als Kennedy zocht Willy Brandt de macht. Maar hij ging er behoedzaam mee om. Hij zocht de confrontatie niet. Zijn leiderschap was er op gericht via discussie en overtuigen eenheid tot stand te brengen. Openlijk sprak hij uit dat twijfel in de politiek belangrijk was om aldus ook vermeende vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen. Dat legitimeerde hem initiatieven te nemen om patstellingen te doorbreken en verzoening na te streven. Daardoor strekte ook zijn gezag, net als dat van Kennedy, zich uit tot velen die eigenlijk een andere leider hadden. Zo’n leiderschapsstijl is functioneel wanneer het er op aan komt vrede te verduurzamen door een nieuwe band te smeden met mensen die gewoontegetrouw beschouwd worden alsde tegenpartij. Brandt ging zijn achterban daarin voor , zonder deze van zich te vervreemden.

Dat was klasse. Het is de klasse van Mandela. Na eerst zijn leiderschap te hebben getoond in de strijd tegen de Apartheid en ondanks een lange periode van ballingschap, bleek Mandela in staat ook na de strijd de onomstreden leider te zijn. Hij ging voor in het proces van verzoening door voormalige tegenstanders niet af te stoten, maar hen de hand toe te steken. Hij leidde de wederopbouw van de samenleving en werd het symbool van het nieuwe Zuid Afrika.
Mandela was uniek. Hij kon zijn leiderschap na de crisis vervullen omdat hij zelf ook persoonlijk strijd had gevoerd en slachtoffer was geweest. Dat gaf hem extra gezag en maakte hem bij uitstek geloofwaardig in pogingen de kloof in de samenleving te dichten. Het unieke van Mandela was niet dat hij zelf had gestreden en geleden, maar dat hij desondanks voorging in het helen van de samenleving. Dat hebben slechts weinig leiders kunnen opbrengen. Mugabe in Zimbabwe, Kagame in Rwanda, Meles Zenawi in Ethiopie hebben ook midden in de strijd gestaan en zijn ook zelf slachtoffer geweest Maar toen zij uiteindelijk als overwinnaar uit te voorschijn kwamen hadden zij onvoldoende grootheid om daarna de leiding te nemen bij de verduurzaming van de overwinning. De een was er niet toe bereid, de tweede niet in staat, de derde hield niet vol.

Verduurzaming komt alleen tot stand wanneer ook de oorzaken van een conflict zijn weggenomen en mogelijke motieven om de strijd te hervatten bij voorbaat uitgebannen. Zo’n motief is wraak, al dan niet gevoed door overmatige vergelding na de strijd, of door nieuw onrecht, maar nu jegens de overwonnen tegenstanders van weleer. Het kan ook gelegen zijn in eenzelfde eigengereide en wellustige omgang met macht door de nieuwe leiders als door de terzijde geschoven machthebbers. Het hoeft niet eens een nieuwe onderdrukking te zijn. Het ontnemen van perspectief aan (nieuwe) minderheden, het bevoordelen van de eigen groep, (etnisch, religieus, cultureel, sociaal, economisch) kan leiden tot het gevoel uitgesloten te zijn, genegeerd en vernederd. Dat leidt tot afkeer, wrok, ressentiment, haat en geweld en tot het hernemen van de strijd.

Dat proces hebben we in bijna alle landen van Afrika gezien. Maar niet alleen daar. Op de Kaukasus en in de Balkan, in het Midden Oosten en in Zuid Azie doet het zich net zo voor. Een eind maken aan de geweldsspiraal tussen Hindoes en Moslims, Israeli’s en Palestijnen,
Bosniers, Serven, Kroaten en Albanezen, Koerden en Turken, Tamils en Sinhalezen, dat vereist niet alleen het wegnemen van huidig onrecht en het vereffenen van bestaande ongelijkheden tussen minderheden en meerderheden, maar ook het ongedaan maken van onrecht en ongelijkheid uit het verleden. Dat kan per definitie niet. Maar in de plaats daarvan kan wel verzoening plaatsvinden en zekerheid worden geboden dat de geschiedenis zich niet herhaalt. Dat vereistvan nieuwe structuren: een rechtsstaat, democratie, geinstitutionaliseerde rechten en vrijheden, sociale zekerheid, een economisch stelsel met ingebouwde correcties tegen machtsmisbruik en ongelijkheid. Dat kost tijd. En het wordt niet door iedereen als vanzelfsprekend noodzakelijk geaccepteerd. Integendeel. De nieuwe structuren die recht en zekerheid moeten bieden aan iedereen, ook aan minderheden en aan voormalige tegenstanders, betekenen immers dat iets wordt afgedaan aan de voorsprong van de meerderheid. Perspectief bieden aan minderheden, hen volwaardig en op voet van gelijkheid laten deel uitmaken van de samenleving vereist dat vrijheden, macht en welvaart van degenen die zich tot nu toe het meeste hebben kunnen toeeigenen worden beperkt. Daartoe zijn zij pas bereid als zij beseffen dat dit in hun eigen belang is en dat er geen alternatief bestaat. Altruisme en solidariteit zijn in zo’n situatie onvoldoende motief. Er is een meer duurzaam alternatief nodig. Verlicht eigenbelang zou dat kunnen zijn: het voorkomen van toekomstig onheil door reeds nu eerlijker te delen. Maar dat motief, hoe verstandig ook, blijkt iedere keer weer te wijken voor de gedachte dat het wellicht niet nodig is, want men zou de voorsprong toch ook kunnen gebruiken om zich te beschermen? En zo zien we telkens opnieuw hoe eerlijker delen wordt uitgesteld, hoe vredesbesprekingen worden afgebroken en maatschappijhervorming op de lange baan geschoven wordt.

Tenzij er een leider opstaat die solidariteit en recht en verlicht eigenbelang als motief weet hoog te houden tegen alle weerstand in en de mensen weet te overtuigen dat dit de enig begaanbare weg is. Zo’n leider moet niet alleen de eigen achterban daarvan overtuigen – en dat is moeilijk, want men was toch aan de winnende hand? – maar ook de anderen, mensen wiens leider hij niet was, maar nog moet worden. Waarom zouden zij het wagen hem te vertrouwen? De overtuigingskracht in beide richtingen zal groter zijn naarmate de leider ook zelf alle fasen van het conflict heeft doorleefd: onrecht hem aangedaan, de strijd door hem aangegaan, leed in die strijd hem berokkend, de overwinning bevochten met middelen die niet haaks staan op het doel – zonder oorlogsmisdaden dus – en een tijdige verzoening, niet pas wanneer het verkregen leiderschap op zijn retour dreigt te raken.

Zo’n leider moet het ook zelf aandurven. Een dergelijk leiderschap houdt nu eenmaal een zekere verwijdering in van de eigen achterban. Het is een waagstuk. Er kunnen concurrenten opstaan die de kans schoon zien. Er kan ruimte ontstaan voor fanatici die hun woede niet richten op de tegenstanders van weleer, maar op de eigen leiders. Wie een dergelijk leiderschap aandurft heeft heldenmoed nodig. Daarom is het uniek en verdient het gekoesterd te worden. Leiderschap als een Godsgeschenk, een leider als een Deus ex Machina. Martin Luther King len Rabin liepen die risico’s en zij werden vermoord.

Daarom past de buitenwacht bescheidenheid. Hoe graag we ook zouden zien dat in het Midden Oosten, in Kashmir, in Tsjetsjenie, in Soedan en in Sri Lanka en in al die andere regio’s die verscheurd worden door gewelddadige strijd de rede zal overwinnen, we weten dat dit niet vanzelf gaat. De rede is nooit vanzelfsprekend. Ook de rede moet bevochten worden.

Kunnen we de rede een handje helpen? Door goed leiderschap te prediken, of ‘good governance’, in het hedendaags jargon van de internationale samenwerking? Dat wordt al gauw beschouwd als de wijsheid van betweters, die het conflict zelf niet aan den lijve hebben ondervonden en gemakkelijk praten hebben. Kan de rede worden geholpen door steun te beloven? Hulp van buitenaf op voorwaarde van goed bestuur? Hulp bij het scheppen van omstandigheden waaronder goed leiderschap kan ontstaan? De buitenwacht heeft echter zelden schone handen en is vaak zelf partij. De buitenlandse adviseurs van nu hebben in het verleden vaak slechte leiders en slecht bestuur gesteund, het conflict verergerd en er van geprofiteerd. Of zij meten met twee maten: interventie in de ene situatie, terwijl elders onrecht wordt gedoogd en in verhoudingen op wereldschaal zelfs wordt bestendigd.

Hoe geloofwaardig is momenteel het internationale leiderschap? Doen we internationaal datgene waarvan we vinden dat het nationaal zou moeten? Die vraag heeft rond de wisseling der Millennia aan betekenis gewonnen nu de globalisering grenzen tussen naties heeft vervaagd. Dat werd in de jaren negentig van de vorige eeuw, na de aanvankelijke euforie over hert einde van de Koude Oorlog gaandeweg duidelijker. De migratie kreeg het karakter van een volksverhuizing. Het conflict op de Balkan werd een Europees conflict met Atlantische proporties. Het Israelisch-Palestijnse conflict deed zich steeds sterker voelen in het gehele Midden Oosten, Europa en de Verenigde Staten. De Golfoorlog deed dat in bijna de gehele wereld. De Aziatische financiele crisis had economische repercussies tot ver buiten het continent. AIDS werd een killer op wereldschaal. De doorbraak op het terrein van de informatietechnologie, de communicatie en het data verkeer luidde een culturele wereldrevolutie in. De internationale orde kraakte in haar voegen. Het internationale leiderschap beperkte zich tot het faciliteren van de wereldmarkt. Parallelle sociale actie bleef uit en internationale conflictbeheersing faalde volledig. En toen kwam, in het eerste jaar van het nieuwe Millennium, 11 September.