De risico's zijn groot. Er wordt te veel oorlogstaal gebezigd. Oorlogsretoriek leidt tot vervreemding, uiteindelijk zelfs van het gedachtegoed (vrijheid, recht, non-discriminatie) dat men wil beschermen. Er is te veel vijanddenken. De vreemdeling wordt tot verdachte gemaakt. Wie dat predikt verabsoluteert verschillen, heeft geen oog voor overlappingen tussen culturen, kan niet relativeren, schoffeert welwillende twijfelaars, gooit alles en iedereen op een hoop, ziet niet dat er juist binnen culturen dynamiek bestaat en dat het beter is die niet te bevriezen door de tegenstellingen op de spits te drijven.

Oorlogsretoriek en vijandsdenken zijn desastreus. Zij werken processen in de hand die niet meer beheerst kunnen worden. In plaats daarvan is het zaak bruggen te slaan en te investeren in de preventie van escalatie van conflicten. Conflicten zelf kunnen niet worden voorkomen; ze bestaan. Maar ze kunnen worden gemitigeerd, hun intensiteit en hun uitstraling kan worden beperkt en daarmee ook de werking van het virus van het terrorisme. Dat vereist diplomatie, vredesinitiatieven, armoedebestrijding en de bevordering van mensenrechten.

Kofi Annan had het over de onschendbaarheid en waardigheid van alle menselijk leven. Dat vraagt om een recht op individualiteit en een plicht tot solidariteit. Solidariteit wordt niet meer gezien, zoals in het ideologisch debat voor 1989, als een beperking van de individualiteit ten dienste van de gemeenschap, maar als een voorwaarde om de individualiteit van ieder mens tot zijn recht te laten komen, zonder onderscheid. Overal ter wereld cirkelt de politieke discussie rond dezelfde vragen. Gaat het vooral om ontplooiing en solidariteit in sociaal-economische zin of ook in cultureel opzicht? Gaat het alleen om het verzekeren van een basisniveau voor ieder individu, met daarboven een mogelijk grote economische ongelijkheid en een grote culturele diversiteit, of zijn daar grenzen aan te stellen? Strekt de solidariteit zich alleen uit tot de erkende medeburgers in eigen land, of ook tot diegenen die we binnen onze eigen samenleving als vreemdeling beschouwen (met diverse gradaties van legaliteit), of zelfs ook tot over de grens? In welke mate? Hoe wordt over dit alles beslist: democratisch of autoritair? Tenslotte: zijn er min of meer algemeen geldende antwoorden op dit soort vragen te geven, of worden die mee bepaald door de historische ontwikkeling van een land, haar cultuur dan wel het bereikte niveau van economische ontwikkeling?

Dit waren kernvragen in Nederland tijdens de herwaardering in de jaren tachtig van het sociaal-democratisch gedachtegoed (“Schuivende Panelen”). Het waren ook Paarse vragen en het blijken tevens de belangrijkste post-Paarse vragen te zijn. Het zijn wezenlijke vragen in het debat over de toekomst van Europa. Het waren ook de vragen achter de Top in Johannesburg. In Nederland verschilden de antwoorden van Den Uyl, Bolkestein en Fortuyn , maar over de kern waren zij het eens: mensen hebben het recht op individuele ontplooiing, de realisering van dat recht vereist een bepaalde mate van solidariteit, een tekort daaraan leidt tot spanningen die een samenleving kunnen breken. In Europa is dat ook de visie van Schroder, Chirac en Blair. In Amerika ligt het verankerd in de constitutie; binnen de Verenigde Naties in het Verdrag over de Rechten van de Mens.

De naleving verschilt. In sommige landen lopen de antwoorden flink uit de pas met de gegroeide intenationale communis opinio. In andere worden officieel zelfs de vragen genegeerd. Maar de discussie is niet te stoppen, ook al niet omdat zij tegenwoordig gemakkelijk nationale grenzen overschrijdt. Dat is een van de verworvenheden van de globalisering. Ook in Arabische en Islamitische landen is een debat op gang gekomen dat niet wezenlijk verschilt van hetgeen in het Westen aan de orde is: de opkomst van het moderne individu, autonoom, zelfbewust, verantwoordelijk.

Die opkomst vormt het enig afdoende antwoord op slecht leiderschap. Kan dat worden gegeven zonder steun van buitenaf? Van Middelaar vond van niet. “Mensenrechten”, zo schreef hij, “kunnen niet zonder Napoleon worden verspreid”. In die opvatting is een regime verandering niet de uitkomst van het proces maar het begin, niet in de vorm van een binnenlandse revolutie, maar een kruistocht.

Napoleontisch leiderschap na 11 September. Is dat wat de wereld nodig heeft? Napoleon keerde onverrichterzake uit een leeg Moskou terug en verloor uiteindelijk de strijd bij Waterloo. De boodschap van de Franse revolutie was aan zijn geopolitieke ambitie ondergeschikt geraakt. Het ging hem minder om vrijheid, gelijkheid en broederschap dan om glorie. Daar hadden de Russen en Engelsen geen boodschap aan.

Een kruistocht is een gevaarlijke route. Zodra geweld tegen Het Kwaad door de twijfelaars niet gepercipieerd wordt als de ondersteuning van universele waarden als vrijheid en recht, maar als een middel ter bevordering van Westerse belangen, raakt iedere ontvankelijkheid zoek. Dan vindt een hedendaagse Napoleon een lege Derde Wereld, een verenigde en vijandige Arabische wereld, waar de voedingsbodem van het terroristische virus niet is verzwakt, maar versterkt. Een Waterloo is ver weg, maar wanneer het terrorisme de vorm aanneemt van een nucleaire, chemische of biologische aanval is een catastrophe dichtbij

Maar om dat te voorkomen moet er toch juist een regimeverandering in Irak worden bewerkstelligd, preventief en, aldus Balkenende, keihard? Misschien is dat ooit onvermijdelijk, maar dan niet door een natie die zich zelf tot de politieman van de wereld uitroept. Het kan alleen door en namens de zich bedreigd voelende wereldsamenleving als geheel, dus mits gelegitimeerd door besluitvorming in het kader van de Verenigde Naties en pas nadat alle andere wegen geblokkeerd blijken. Zo niet, dan achten fanatici en twijfelaars zich gelegitimeerd tot nieuw geweld.

Het gaat na 11 September om een keuze tussen twee paradigma's. Dat van de veiligheid, exclusief: 'onze' veiligheid, die wij bedreigd achten derden - vreemden, de potentiele vijand - en die wij trachten te beschermen door hen zoveel mogelijk buiten te sluiten. Daartegenover een incusief paradigma, dat van de duurzaamheid: een veilige en menswaardige plaats voor iedereen, met zoveel wederzijds vertrouwen dat het recht zal worden gehandhaafd, zonder onderscheid, dat daarmee tegelijkertijd ook de wederzijdse veiligheid is gegarandeerd. Dat
vereist een wereldwijd program om mensen en bevolkingsgroepen die zich slachtoffer voelen van onrechtvaardige structuren, die de indruk hebben dat men zich in de machtscentra een hen niets gelegen laat liggen en die twijfelen over wat hen te doen staat, niet van zich vervreemdt maar een perspectief biedt. Het perspectief er volledig bij te horen, in de Palestijnse gebieden, in Afrika, in de verpauperde buurten van de grote steden en overal elders waar men zich apart gesteld voelt.

Veiligheid versus duurzaamheid. Zien we in de ander een mogelijke vijand of een nabuur? Hoe gaan leiders ons daarin voor? Na 11 September is er behoefte aan leiderschap dat de passie van Gladstone voor de moraliteit combineert met de bereidheid van Kennedy om risico's te nemen, de wijsheid in de omgang met de macht, zoals betracht door Willy Brandt, en het vermogen van Mandela om bruggen te slaan naar oude en nieuwe tegenstanders. Het volstaat niet om daar alleen wereldleiders op aan te spreken. Iedereen kan zich leider tonen in de eigen omgeving: inclusief denken, waken tegen een verkeerde retoriek, duurzaamheid nastreven, initiatieven nemen, bruggen slaan. Kortom, het devies ter harte nemen van Lois Ramondo ”Wees wijs. Wees moedig. Wees bevreesd”.




Jan Pronk Burgemeesterslezing
Den Haag, 11 September 2002