Waarom deze schets, zult u zich afvragen. Een wedervraag: is er een onderwerp dat ik hierboven heb aangeduid als een hoofdtrend in de achter ons liggende eeuw, waar Tinbergen zich niet betrokken bij heeft getoond? Niet als belangstellend toeschouwer of commentator, maar als wetenschapper en adviseur, door te pogen bij te dragen tot een oplossing? Het antwoord op die vraag is negatief. Tinbergen was er bij, heeft bijdragen geleverd. Geen futiele bijdragen in de marge, of op zich wel relevante, doch onopgemerkt gebleven bijdragen. Geen bijdragen die door iedereen als extreem, irreeel of niet toepasbaar werden beschouwd. Altijd waren het bijdragen die iets betekenden, een inzicht waarop anderen voortborduurden, een analyse die een reactie uitlokte, een advies dat werd overgenomen door een regering of door een internationale organisatie, of niet, maar dan niet door het simpelweg te negeren, maar beargumenteerd te verwerpen of als thans nog niet uitvoerbaar te kwalificeren,. Wie Tinbergens inzichten verwierp, moest dat inderdaad beargumenteren, want zijn denkbeelden sloegen aan bij velen. Hij was geen activist die probeerde anderen achter zich te krijgen. Dat was niet nodig; velen deden dat uit eigen beweging en brachten deze in de politieke arena.

De geleidelijke verschuiving in de aandacht voor onderwerpen van onderzoek, waarover Tinbergen sprak in het eerder aangehaalde citaat, weerspiegelde de maatschappelijke ontwikkeling. Maar het was ook een logische ontwikkeling qua onderzoeksmethodiek. In zijn werk wist Tinbergen aan te sluiten bij datgene wat zich in de loop der tijd als een actueel nieuw groot en urgent vraagstuk aandiende. Maar het onderwerp diende zich tegelijkertijd ook aan als een logisch vervolg op de analyse van voorgaande thema’s, waarbij men stuitte op dilemma’s, randvoorwaarden, knelpunten, ceteris paribus situaties of tot dan toe als exogeen beschouwde variabelen.

Dat begon al in de eerste periode van zijn werk, toen hij, als fysicus geboeid door een analogie tussen de trendmatige en cyclische ontwikkeling van een aantal natuurkundige en economische grootheden, en getroffen door het sociale vraagstuk van zijn tijd overstapte naar de economische wetenschap en zich ging concentreren op dynamische ontwikkelingen in de economie, de studie van veranderingsprocessen: de conjunctuur, en later economische groei en ontwikkeling. Het leidde tot een doorbraak in het wetenschappelijk economisch denken: de statistisch-wiskundige analyse van samenhangen tussen economische variabelen en de veranderingen daarin. Tinbergen droeg daarmee bij tot de verklaring eerst van de conjunctuur in de Nederlandse economie tijdens de depressie van de jaren dertig en vervolgens ook internationaal. Hij deed dat niet vanuit een louter theoretische belangstelling om nieuwe gebieden te betreden en nieuwe methodieken toe te passen en zich daarmee een eigen plaats te verwerven in de wereld van de economen, maar omdat hij gegrepen was door de grote problemen van zijn tijd: de werkloosheid en armoede van de grootste slachtoffers van de crisis: de arbeiders. Daarom werd veel van zijn werk gepubliceerd niet alleen in wetenschappelijke tijdschriften, maar juist ook in de vorm van rapporten en beleidsadviezen. Het viel wel op. Men kon er niet om heen. En het werd ook bekritiseerd. In Nederland was de ontvangst in kringen van de Vereniging voor de Staathuishoudkunde niet onverdeeld positief. 7). En Keynes reageerde op Tinbergens modellen, die, zoals Tinbergen zelf vond, “veel gemeen hadden met het Keynesiaanse denken” weliswaar aardig, maar ook afstandelijk. Zijn reactie werd door Tinbergen zelf samengevat als “Ik zie het wel niet helemaal zitten, maar het is bij hem toch wel in goede handen” 8). Tinbergen liet zich er niet door weerhouden, niet omdat hij vast wenste te houden aan door hem nu eenmaal ontwikkelde theorieen waarvoor hij erkenning zocht, maar omdat hij dit als de beste methode zag om op een wetenschappelijk verantwoorde wijze een beleidsmatig operationeel bijdrage te leveren tot de aanpak van problemen waarvan de oplossing niet kon wachten totdat de theorie volmaakt zou zijn. Het is juist dat werk, qua onderwerp en methodiek, dat hem, die aanvankelijk van alchemie werd beticht, de Nobelprijs in de wetenschap die zijn tweede keus was heeft opgeleverd. Het maakte dat hij altijd open stond voor nieuwe ideeen, bijvoorbeeld toen Irma Adelman in de jaren zestig nieuwe onderzoeksmethoden toepaste om verbanden te begrijpen tussen politieke, culturele en economische factoren in het ontwikkelingsproces. 9). Het is een vorm van “measurement without theory”, luidde Tinbergens commentaar, maar hij beschouwde het als een “complicated and dared combination of theory and testing” en als “an exploration of a new territory of science … for which they deserve our admiration”. 10). In dat oordeel, uitgesproken bij de aanvaarding van de Nobelprijs, dertig jaar na het door hem verrichte onderzoek, klonk de echo door van de discussie die zijn doorbraak destijds had opgeroepen.

Het lag voor de hand dat Tinbergen na de oorlog zijn aandacht verlegde naar het economisch herstel en de wederopbouw van Nederland. Dat deed hij ook weer in beleidsvisies, als de eerste directeur van het nieuw opgerichte Centraal Planbureau, waarvan hij, samen met Hein Vos, eigenlijk ook de auctor intellectualis was. Hij richtte zich op macro-economische planning, maar het was eigenlijk, naast prognose, vooral de systematische bepaling van de beste inhoud en vorm van het sociaal-economische beleid op korte en middellange termijn. Op basis van door de politiek aangereikte beleidsdoelstellingen en “voorkeuren die wetenschappelijk dienden te worden onderbouwd met als criterium: wat levert de hoogste volkswelvaart” Aldus Tinbergen in een terugblik op zijn werk bij het Planbureau. 11). Het bracht hem tot wetenschappelijk werk over tal van onderwerpen: economische stabiliteit, loonpolitiek, werkgelegenheidsbeleid, inkomensverdeling, belastingpolitiek, monetaire politiek, sociale zekerheid, investeringspolitiek, economische groei, technologische verandering. En het leidde tot steeds meer inzicht in de algemene systematiek van economische politiek in het algemeen., in 1956 culminerend in de beroemde studie: “Economic Policy, Principles and Design”. 12).

Omdat het herstel niet alleen afhing van binnenlandse factoren ging Tinbergen zich ook steeds meer bezighouden met onderwerpen op het terrein van de internationaal economisch beleid: buitenlandse handel, Europese integratie. Dat vloeide natuurlijk ook voort uit zijn vooroorlogse belangstelling voor een internationaal gecoordineerde anti-crisis politiek.

Eigenlijk is reeds dit alles een oeuvre zonder weerga. Ik kan geen enkele tijdgenoot van Tinbergen noemen die heeft gepubliceerd op zoveel terreinen, die weliswaar onderling samenhangen, doch alle ieder voor zich stof bieden voor een levenswerk van een geleerde in de economische wetenschap. Op al deze terreinen heeft Tinbergen relevant werk afgeleverd dat nog decennia lang gold als baanbrekend. En naast de reeds genoemde terreinen publiceerde hij onderzoek dat paste in de traditie van de welfare economics, en studies die beschouwd kunnen worden als behorend tot de institutionele economie. Heden ten dage is geen enkele econoom die zich met macro-vraagstukken bezighoudt in staat zich op al deze deelterreinen tegelijkertijd als toonaangevend te presenteren. Komt dat omdat de economische wetenschap inmiddels zover is voortgeschreden, dat niemand meer in staat kan worden geacht het gehele terrein te overzien, laat staan op alle deelterreinen substantiele bijdragen te leveren? Misschien, maar toch is dat geen bevredigende verklaring. De ontwikkeling in de wetenschap van de economie is onmiskenbaar, hoewel deze lang niet altijd vooruitgang in relevant wetenschappelijk inzicht met zich heeft meegebracht. Maar de economie zelf was in de jaren twintig tot en met vijftig zeker niet minder ingewikkeld dan thans. Zij zag er anders uit, maar was net zo gecompliceerd. Daarom blijft het verbazingwekkend dat een persoon op zoveel deelterreinen van de macro-economie wetenschappelijke bijdragen wist te leveren die in zijn tijd en nog jaren daarna als gezaghebbend golden. Misschien was Tinbergen tegelijkertijd de laatste der klassieke economen, alpha’s, die probeerden een totaalvisie te ontwikkelen, en de eerste der moderne economen, die trachtten met methoden uit de beta wetenschappen dat inzicht te verfijnen. In de hierboven genoemde terugblik zegt Tinbergen: “Ik vind de methode van de natuurkunde gewoon DE wetenschappelijke methode, en die moet worden toegepast, alleen heb je objecten die dat beter toelaten, zoals de dode natuur, en darnaast objecten die dat wat minder goed toelaten en daartoe behoort dan zeker ook de economie en de sociologie en dergelijke. Dat is dan jammer voor die wetenschappen maar je moet dan toch proberen dat zo goed mogelijk te doen”. 13). Dat was Tinbergen ten voeten uit: een echte beta, de natuurwetenschappelijke methode ‘moet’, dat is misschien jammer voor de economie als wetenschap, maar niet voor de economie als maatschappelijk verschijnsel. Dat maatschappelijk verschijnsel moet in al haar samenhangen worden verklaard, en daarmee toont Tinbergen zich tegelijkertijd - hij zou mij deze kwalificatie vergeven - ook een alfa-wetenschapper, een klassiek economist.

Tinbergen probeerde in alles waarmee hij bezig was samenhangen en systemen te zien. Dat maakte ook dat het nooit een grote sprong was naar een nieuw terrein, doch gewoon de volgende stap in onderzoek dat erop gericht was om het proces uiteindelijk in zijn totaliteit te kunnen beschrijven: de volgende te verklaren factor, de volgende verklarende variabele, het volgende knelpunt dan wel de volgende randvoorwaarde. Hij wist steeds een kleine doorbraak in het algehele inzicht met betrekking tot een nieuw onderwerp te bewerkstelligen, waarmee andere onderzoekers verder konden. Dat maakt dat hij op zovele velden nog decennia lang een van de meest geciteerde onderzoekers bleef. Zijn werk verschafte anderen een nieuwe impuls.

In de jaren vijftig leidde dit ertoe dat Tinbergen zijn blik sloeg in twee voor hem nieuwe richtingen: het economisch systeem, de economische orde waarbinnen economische politiek wordt gevoerd, en, ten tweede, de problematiek van het nieuwe sociale vraagstuk in de wereld: de armoede in ontwikkelingslanden. Het waren voor hem nieuwe terreinen van onderzoek, maar de aandacht daarvoor vloeide logisch voort uit eerder verkregen inzichten. Bovendien, de economische en politieke ontwikkelingen in de wereld maakten dit tot onderwerpen van eminent maatschappelijk belang. Het eerstgenoemde terrein bracht hem tot publicaties over een drietal thema’s: de welvaartstaat, methoden en technieken van planning alsmede de maatschappelijke procedures die daaraan ten grondslag zouden moeten liggen en, ten derde, het vraagstuk van het beste economisch stelsel waarbinnen sociaal-economisch beleid kan worden gevoerd, het vraagstuk van de optimale economische orde. Sedertdien is de maatschappij verder veranderd, zowel in Nederland als in de meeste andere landen van het Westen. Politieke inzichten omtrent de welvaartstaat, wenselijkheid van planning, de maakbaarheid van de samenleving en het beste economisch stelsel zijn gewijzigd. Min of meer algemeen is er een voorkeur voor meer markt, een terughoudende overheid, minder sociale zekerheden, minder plan, meer decentralisatie. Het is echter de vraag in hoeverre de achterliggende waarden en normen – vrijheid, gelijkheid, solidariteit, verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid en dergelijke - ook veranderd zijn. Tinbergen stelde de waarden als exogeen: een andere keuze van waarden zou tot andere optima leiden. Dat geldt bijvoorbeeld de inkomensverdeling, die wat Tinbergen betreft ‘redelijk’ dient te zijn, zowel in economisch als sociaal opzicht, dat wil zeggen optimaal naar behoefte en naar inspanningscapaciteit. Het geldt ook de economische orde. In Tinbergens optiek dienen alle beslissingen genomen te worden op een zo laag mogelijk niveau, gegeven de randvoorwaarde dat de effecten op degenen die geen deel hebben aan die beslissingen anders dan door als marktpartij op te treden verdisconteerd moeten zijn. Dat is weliswaar wat anders dan markt, markt, en nog eens markt, maar ook geheel wat anders dan een centrale top-down sturing. Planning is voor Tinbergen dan ook nooit veel anders geweest dan een systematische manier om een omgekeerde projectie te bedrijven, een scenario-analyse aan de hand van niet louter mogelijke, doch ook gewenste uitkomsten.