Het tweede onderwerp, de problematiek van de arme landen in de wereld, heeft Tinbergen zozeer geboeid dat hij zich er na 1960 bijna geheel aan heeft gewijd. Het werd zijn tweede levenswerk. Het maakte hem tot een van de belangrijkste ontwikkelingseconomen ter wereld. Daarmee wordt nog een extra uitroepteken gezet achter hetgeen ik hierboven zei omtrent de betekenis en verstrekkendheid van zijn oeuvre tot dan toe. Tinbergen ging zich voortaan met name bezig met houden de programmering van de economische ontwikkeling van ontwikkelingslanden, aanvankelijk vooral macro-economisch, maar ook op dit terrein geleidelijk uitgebouwd tot een compleet geheel: macro, sector- en projectplanning, regionale planning, onderwijsplanning. Van daaruit leverde hij essentiele bijdragen op het terrein van de internationale ontwikkelingshulp en de internationale handel van ontwikkelingslanden, de internationale arbeidsverdeling, wederom zowel theoretisch als in de vorm van beleidsadviezen, met name in het kader van de Verenigde Naties.

In de huidige opleidingsprogramma’s in het kader van de studie van processen en beleid in Afrika, Azie, Latijns Amerika en het Midden Oosten wordt wel eens de vraag gesteld of bestudering van bevindingen van economen als Arthur Lewis, Rosenstein Rodan, Hirschman en hun tijdgenoten nog zin heeft. Die vraag zou men ook kunnen stellen ten aanzien van het werk van Tinbergen. De wereld is veranderd en de ontwikkelingslanden met hen. Globalisering, culturele conflicten, religie, ecologie en natuurlijk milieu zijn aspecten die in de studie van de onderzoekers uit de jaren vijftig tot en met zeventig minder aandacht kregen dan thans. Daar staat tegenover dat belangrijke aspecten uit het werk van destijds thans veel te weinig aandacht ontvangen: de dualistische nationale economie bijvoorbeeld, de ruilvoet, de gevolgen van een koloniaal verleden en de mogelijkheid van een katalyserende investeringsimpuls. En, zeker zo belangrijk, ook hier geldt: de samenhang, de totaliteit en integraliteit van het ontwikkelingsproces, dat is waar het vooral om gaat. Die werden door Tinbergen c.s. beschreven en geanalyseerd. Natuurlijk had men niet altijd voldoende oog voor alle aspecten. Zo liet Tinbergen het vraagstuk van de uitvoering van beleid en van ontwikkelingsprogramma’s en projecten aan anderen over. Dat was jammer, juist omdat hij degene was die zo’n belangrijke bijdrage had geleverd aan het denken over beleid in achtereenvolgende fasen, op elkaar af te stemmen door middel van terugkoppeling. Ook vraagstukken van politieke macht en culturele differentiatie vormden geen onderwerp van Tinbergens analyse. Maar hij wees ze wel aan als veld van onderzoek en gaf ze een nog in te vullen plaats in een totaalbenadering, evenals – tijdiger dan andere ontwikkelingseconomen – vraagstukken omtrent milieu en fysieke schaarste. Hij heeft het inderdaad allemaal al aan de orde gesteld, zo verbaasden we ons vaak wanneer we de college dictaten nog eens doornamen. Dat zou je ook nu nog kunnen stellen: hedendaagse vraagstukken omtrent migratie, ‘good governance’, en ‘global governance’ bijvoorbeeld zijn door hem ook destijds reeds aangeroerd.

Dat geldt zeer zeker voor het onderwerp ‘global governance’. Eigenlijk kwamen al de eerder genoemde onderwerpen, zowel die waarop Tinbergen zich concentreerde in de jaren dertig tot vijftig als die uit de jaren zestig en zeventig samen in zijn bijdragen tot het denken over internationale samenwerking op wereldwijd niveau. Tinbergen pleitte actief voor een federale Europese samenwerking, voor internationale ontwikkelingssamenwerking tussen Noord en Zuid die de ontwikkelingshulp verre oversteeg, voor een samenwerking tussen Oost en West, voor wereldwijde instituties op het terrein van globale vraagstukken, zoals de voedselvoorziening, de financiele instabiliteit en, last but not least, de organisatie van de vrede. Voor dat laatste pleitte hij reeds in de jaren zestig, midden in de Koude Oorlog. Hij voorzag toen een convergentie tussen de economische systemen van Oost en West en bepleitte beleid om dat verder te stimuleren. Was dat wishful thinking? Ongetwijfeld ook: wishful en thinking. Maar er lag ook een rationele analyse aan ten grondslag van de factoren die in een geleidelijk globaliserende economie bepalend waren voor de ontwikkeling van afzonderlijke economieen. Is elke economie niet geneigd, al was het slechts tengevolge van marktprocessen, naar het eigen optimum te bewegen en liggen in een geglobaliseerde economie de optima niet dichter bij elkaar dan de ideologen pretenderen? Dat was Tinbergens grondgedachte en het is moeilijk die theoretisch te falsifieren, tenzij men bij de beschrijving van een maatschappelijke welvaartsfunctie aan politieke machtsverhoudingen - zowel binnen als tussen staten - en aan culturele factoren (motieven en tradities, doch welke?) een grotere plaats toekent dan aan sociaal-economische factoren. Die kwamen meer aan bod in culturele en politicologische analyses van ontwikkelingsprocessen en van internationale relaties, en, binnen de economie, sedert het begin van de jaren tachtig in micro-economisch onderzoek, vooral naar het marktgedrag van individuele economische actoren in de post-industriele welvaartssamenleving. Uiteindelijk heeft er toch een zekere convergentie plaats gevonden, zij het, maar dat heeft Tinbergen niet voorzien, meer na dan voor 1989. Of had Tinbergen toch gelijk, en wel in die zin, dat de convergentie van maatschappelijke voorkeuren van de burgers in Oost en West heeft bijgedragen aan een schoksgewijze beweging van de economische order in Oosteuropese landen in de richting van het optimum?

Het organiseren van de vrede zag Tinbergen van het begin af aan vooral als een noodzaak die voortvloeide uit de samenhang tussen economische ongelijkheid, armoede, conflict, geweld en oorlog. Eigenlijk trok Tinbergen in de jaren zestig de lijn door uit de jaren dertig, toen werkloosheid en armoede geleid hadden tot fascisme en oorlog. Dat mocht niet herhaald worden, vandaar eerst zijn pleidooi voor Europese economische samenwerking en gezamenlijke welvaartsgroei, teneinde de Europese economieen zozeer met elkaar te verweven, dat oorlog in niemands belang zou kunnen zijn. Dat was, naast de inherente noodzaak en de ethische opdracht om mensonwaardige armoede te bestrijden, een belangrijke nevenoverweging die ten grondslag lag aan Tinbergens denken over een ambitieuze, integrale en doeltreffende internationale samenwerking tussen Noord en Zuid. En het was een hoofdmotief in door hem ontwikkelde gedachten over ontwapening en het creeren van wereldwijde instituties met bevoegdheden om grensoverschrijdende vraagstukken aan te pakken die de wereldvrede bedreigden.

In vergelijking met de twee andere hoofdterreinen van aandacht – macro-economische politiek en ontwikkelingsbeleid – heef t Tinbergens denken over het organiseren van de vrede het minst wortel geschoten. Vond men hem naief? Of was men van mening dat de vrede inmiddels wel was bewerkstelligd - door enerzijds het stelsel van de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad en anderzijds het nucleaire afschrikkingsevenwicht - en geen verdere organisatie vereiste? Achtte men het niet nodig omdat men het einde van de Koude oorlog voorzag, zij het langs een andere weg dan die der convergentie tussen systemen. Als men dat dacht dan is dat inmiddels aantoonbaar onjuist gebleken. De armoede is behalve ethisch onduldbaar ook een bedreiging voor de vrede, in een tijdperk van globalisering waarin, anders dan tijdens de crisisjaren dertig en anders dan ten tijde van de opbouw van de na-oorlogse welvaarstaten, armoedebestrijding niet gezien wordt als verlicht eigen belang van de ondernemers en de middenklasse en waarin deze het karakter van een perspectiefloze uitsluiting krijgt en kan resulteren in geweld ook op geheel andere plaatsen dan waar die uitsluiting zich voltrekt. Dat vereist dus enerzijds, zoals Boutros Boutros Ghali, de vorige Secretaris Generaal van de Verenigde Naties voorstelde, het koppelen van vredesbeleid aan ontwikkelingsbeleid. Boutros richtte zich op afzonderlijke ontwikkelingsgebieden, zoals Mozambique of Palestina. Terecht, de koppeling tussen vrede en ontwikkeling is daar een voorwaarde voor de verduurzaming van beide.. Maar het vereist ook een geintegreerde wereld aanpak van de relatie tussen armoede, uitsluiting, veronachtzaming, verzet, conflict, geweld en oorlog. Dat is na 11 september 2001 bij uitstek gebleken, en na de oorlog met Irak opnieuw bevestigd. Dan zijn voorstellen zoals Tinbergen die deed in zijn geschriften over de organisatie van de vrede zo naief nog niet.

Integendeel. Tinbergen was geen dromer. Hij concentreerde zich op de grote problemen van zijn tijd en dacht vooruit. Hij droomde niet vooruit, boven de werkelijkheid verheven, maar probeerde altijd oplossingen aan te dragen die, ook al waren ze niet aanstonds toepasbaar, in een tijdsbestek van vijf tot zeven a tien jaar verwezenlijkt konden worden. In dat opzicht was hij zijn tijd vooruit en is hij eigenlijk ook van deze tijd.