Zijn maatschappelijke orientatie bepaalde ook zijn keuze voor de wetenschappelijke methode die hij hanteerde om problemen te analyseren. Ook de methode moest kunnen bijdragen tot de maatschappelijke relevantie van de analyse en van de aan te dragen oplossing. Destijds was dat voor hem de reden geweest om over de scheidslijn heen te stappen tussen fysica, wiskunde, statistiek en economie. Het was wetenschappelijke brille in combinatie met maatschappelijke gedrevenheid die hem had gemaakt tot grondlegger van de econometrie. Het was diezelfde combinatie die hem er als eerste toe had gebracht maatschappelijke processen te analyseren met behulp van systematische modellen. Maar die modellen waren slechts hulpmiddelen, geen doel in zich zelf. Hij, de eerste die economische modellen bouwde en er mee werkte, was ook degene die waarschuwde tegen een overmatig gebruik ervan. Die waarschuwing liet hij horen juist bij de gelegenheid van de uitreiking van de Nobelprijs, die een bekroning vormde voor zijn werken met statistisch toetsbare modellen. “(We) must beware of following vogues too easily. Model building has become a vogue … I am sometimes wondering whether, upon looking at some recent work by planners, I should not repeat the famous words by Goethe’s Zauberlehrling ‘Die ich rief die Geister werd, ich nun nicht los’ (The ghosts I called I can’t get rid of now). Sometimes indeed some of our followers overdo model building” 14). Daarom stelde hij altijd de eis dat coefficienten en variabelen op de een of andere manier meetbaar moesten zijn. De beschreven relaties mochten de band met de maatschappelijke werkelijkheid niet verliezen. Wetenschap mocht niet ontaarden in Schongeisterei. De grondlegger van de econometrie koos er voor die discipline niet te verfijnen voorbij de grens van hetgeen nog toepasbaar was in het beleid. Dat liet hij bewust aan anderen over. Zelf wenste hij zich te concentreren op hetgeen op enige redelijke termijn operationeel kon worden gemaakt. Dat was geen beperking, maar een uitbreiding. Zich beperken, dat deden en doen wetenschappers die een eenmaal gekozen onderwerp uitbenen, zozeer dat het niet meer herkenbaar is, zo diep dat de nieuw verworven inzichten er niet meer toe doen, omdat je er niets meer mee kunt doen. Tinbergen koos niet voor het werk op de vierkante centimeter, maar voor een robuuste aanpak. Hij richtte zich op het volgende knelpunt, de volgende te verklaren grootheid, in samenhang met hetgeen waarover reeds het nodige bekend was. Hij leerde ons, zijn studenten, dat het daarbij niet nodig is om alles wat op zo’n terrein reeds is gepubliceerd tot je te nemen. Je kunt je de schaarse tijd die je in je leven hebt misschien beter gebruiken door iets zelf te onderzoeken, zo hield hij ons voor, dat gaat sneller dan opzoeken wat anderen reeds hebben gevonden. Hij zei dat voordat de moderne communicatietechnieken hun intrede hadden gedaan in het wetenschappelijk onderzoek. Maar ik geloof dat hij ook nu nog liever zelf gedacht zou hebben en de pen op papier gezet – bij voorkeur op de achterzijde van reeds beschreven papier – dan gesurft op Internet. Het zou hem niet ouderwets hebben gemaakt, maar grensverleggend. Natuurlijk kon hij beter grenzen verleggen dan wie ook, en natuurlijk is het niet verstandig om te proberen het wiel opnieuw uit te vinden, maar de les was: wees creatief en vernieuwend, door je vooral bezig te houden met grote problemen die nog onvoldoende zijn onderzocht, laat staan opgelost Hij koos er daarom ook bewust voor om anderen in staat te stellen iets te doen met de door hem aangedragen inzichten. Zijn studenten hebben hem er altijd om bewonderd.

Inderdaad, Tinbergen was voor velen een leermeester. Waar werden wij door getroffen? Door zijn bescheidenheid. Door zijn gedrevenheid zonder geobsedeerd te raken. Hij behield distantie. Door de eenvoud: alles hangt met alles samen, maar Tinbergen maakte het nooit gecompliceerd, eerder transparant. Door de schoonheid - ik aarzel niet om dat woord te gebruiken - van zijn modellen en samenhangende systematische analyses. Door de logica die zich daaruit opdrong. Door de waarden exogeen expliciteerde, zodanig dat zijn onderzoek niet waardenvrij was, maar wel rationeel en werkelijkheidsgetouw. We werden geboeid door zijn geloof in de maakbaarheid van de samenleving, zonder dat die maakbaarheid opdringerig werd. Door zijn keuze, steeds opnieuw voor het optimum: optimaal beleid, optimale groei, optimale economische orde, optimale inkomensverdeling. Dat zoeken naar een optimum was de uitdrukking van een natuurlijke geneigdheid om de waarden voorop te stellen, ambitieuze doeleinden te kiezen, maar de weg daarheen te bepalen aan de hand van overwegingen van gezamenlijkheid en haalbaarheid.

Tinbergen luisterde ook naar anderen, zeker naar degenen met wie hij werkte en discussieerde. Wie de teksten van zijn geschriften, toespraken en interviews leest, wordt getroffen door zijn stelselmatig verwijzen, soms nog decennia later, naar zijn medewerkers. Hij gaf hen veel eer, soms, zo voelde je dat, meer dan je toekwam. Maar dat stimuleerde wel. Voor U staat een oud-student die Tinbergen nog steeds als een van zijn belangrijkste leermeesters beschouwt. Ik heb in mijn eigen werk altijd getracht elementen van hetgeen hij mij had onderwezen in praktijk te brengen. Ik weet dat velen dat hebben gedaan. De maatschappelijke relevantie van iemand als Tinbergen blijkt ook
.0-uit het feit dat hij nog steeds wordt geciteerd en dat velen in tal van landen zich nog steeds door hem geinspireerd achten en zijn inzichten proberen verder uit te werken dan wel in beleid te vertalen.

De hedendaagse maatschappelijke werkelijkheid is zo gecompliceerd en lijkt in zovele aspecten en fragmenten uiteen te vallen, dat weinigen kunnen pretenderen een totaalvisie te hebben. Toch is die werkelijkheid gebaat bij pogingen om er ook analytisch een globale greep op te krijgen, zoals de klassieke economisten deden en heden ten dage filosofen. Zo’n globale greep kan worden verkregen door aangereikte inzichten te testen, in onderling systematische samenhang te brengen, door waarden en feiten niet met elkaar te vermengen, en door de te ontwikkelen visie zo te modelleren en te presenteren dat het beleid er iets aan heeft, zodat de beschreven en verklaarde processen in een door de samenleving gewenste richting kunnen worden bijgestuurd. Dat is wat Tinbergen probeerde. Het is een methode van werken waaraan de maatschappij in Nederland, in de Westerse wereld, in ontwikkelingslanden en ook mondiaal baat bij heeft, meer dan aan vierkante centimeter research, meer ook dan aan niet aan de feiten getoetste ideologisch gekleurde filosofieen. Dat is zeker het geval nu een nieuwe ideologische tegenstelling het maatschappelijk proces dreigt te beheersen. Het einde van de Oost-West tegenstelling luidde niet het einde van de geschiedenis in, doch vormde het begin van nieuwe tegenstellingen en nieuwe bedreigingen van de wereldvrede. Ook die zijn deels economisch, deels ideologisch van aard. Daarom zijn zij extra gevaarlijk. Dergelijke conflicten kunnen alleen beheerst worden door te zoeken naar een optimum, nooit een extreem. Die les van Tinbergen is nog steeds navolgenswaard.

Tinbergens inzichten omtrent planning, de optimale orde, internationale hulpverlening, de publieke sector, internationale samenwerking, het sociale vraagstuk en de armoede zijn niet en vogue. Elk van deze aandachtspunten is in het politieke discours vervangen door een en hetzelfde nieuwe uitgangspunt: markt, markt, en nog eens markt. Makbaarheid is taboe, de armoede wordt gezien als een vorm van eigen schuld dan wel als een verschijnsel behorend tot een andere wereld die de onze niet is en straffeloos genegeerd kan worden, een redelijk sterke publieke sector wordt beschouwd als strijdig met efficiency en met het moderne individualisme, internationale ontwikkelingshulp wordt beschouwd als marktverstorend en contraproductief, internationale samenwerking als haaks op de nieuwe machtsverhoudingen in de wereld aan het begin van de nieuwe eeuw.

Maar toch. Wie die eeuw heeft zien beginnen met een aantal onverwacht grote conflicten, eerst binnenlands en thans ook weer internationaal, die vaak een zowel economisch als cultureel karakter droegen, waardoor het lijkt alsof we willens en wetens aansturen op een botsing tussen beschavingen, wie beseft dat die conflicten een groot geweldspotentieel hebben, dat de voortschrijdende bewapening nog steeds het karakter heeft van een wedloop, dat oorlog niet is uitgebannen, dat de veiligheid wereldwijd wordt bedreigd, dat onveiligheid en geweld met de moderne communicatie techniek gemakkelijk wereldwijd opdoemen, als een veenbrand, dan wel middels plotselinge explosies, her en der, beseft hoe actueel Tinbergens pleidooi is voor het organiseren van de vrede. Wie daarnaast beseft dat dit alles nauw samenhangt met het nieuwe verschijnsel van de een en twintigste eeuw: de vervolmaking van de globalisering die werd voorbereid in de negentiende en de twintigste eeuw, en dat daarin een groot nieuw sociaal vraagstuk is ontstaan, de uitsluiting van een wereldwijde onderklasse, moreel onaanvaardbaar en ook een potentiele bron van wereldwijd geweld, zal beseffen dat ook Tinbergens pleidooien ten gunste van armoedebestrijding en vormen van wereld bestuur actueler zijn dan ooit. Wie inziet dat het aantal failed states is toegenomen, waardoor schurken regimes de macht kunnen grijpen, en dat er steeds meer terroristische voorhoedes opkomen die, gebruik makend van de toenemende onvrede over achterstelling en armoede, de instabiliteit in deze wereld vergroten, kan zich niet gerust stellen met de gedachte dat dit alles alleen ver weg gebeurt. Net als in het Europa van de jaren dertig van de vorige eeuw is er in de wereld van vandaag de gecombineerde dreiging van een groot sociaal vraagstuk, fascistische antwoorden en een wereldoorlog. Wie al die wereldproblemen nog extra gecompliceerd acht door wereldwijde vraagstukken als de achteruitgang van het natuurlijk milieu en de biodiversiteit, milieuvervuiling, klimaatverslechtering, schaarste aan energie en water, door de toepassing van nieuwe technologieen zonder dat de risico’s voldoende zijn uitgeplozen, en door ziekten met wereldwijde effecten als AIDS en nieuwe virusziekten die gemakkelijke een pandemisch karakter kunnen krijgen, kan slechts tot de conclusie komen dat de noodzaak van global governance in de eenentwintigste eeuw nog groter is dan in de vorige. Global governance gebaseerd op gemeenschappelijke waarden aan de hand van wereldwijd als legitiem aanvaarde besluitvormingsprocessen.

Tinbergen heeft zich, ook al heeft hij in drie eeuwen geleefd, zich niet over al de nieuwe vraagstukken van de eenentwintigste eeuw uitgelaten. Maar hij heeft door de wijze waarop hij zich met die van de beide vorige bezighield en door de contouren te schetsen van een beleid dat toekomstwaarde zou kunnen hebben, wel degelijk iets te zeggen over hetgeen thans aan de orde is, analytisch-inhoudelijk, qua denk- en werkmethode en ook qua motivering en ambitie. Zijn les van zestig jaar luidt: zie de samenhang, probeer haar te doorgronden, bouw een model, expliciteer je waarden, stel een doel, wees rationeel, plan de toekomst een beetje, in plaats van deze aan over te laten aan krachten die geen verantwoordelijkheid dragen voor het totaal, creeer een beter systeem, beinvloed het proces, maak beleid maakbaar, zoek het optimum, neem je publieke verantwoordelijkheid, samen met anderen, verdrijf de armoede, geef anderen hulp en stel hen in staat zich zelf te helpen, verdeel de welvaart en de schaarste eerlijk en redelijk, sluit geen mensen uit, doe dat ook niet met landen en grote delen van de wereldbevolking, begrijp dat daardoor niet alleen een rechtvaardiger wereld wordt geschapen, maar dat ook de efficiency wordt bevorderd, en dat daardoor gemeenschappelijke belangen ontstaan die verdere samenwerking binnen bereik brengen, grijp die kans, werk wereldwijd samen en organiseer de vrede.

Dat was, kort samengevat, Tinbergens visie. Ze is genegeerd, maar niet achterhaald. Ze inspireert nog steeds.



Jan Pronk