Bij het Overlijden van Mijn Vader

Toespraak Oude Kerk, Scheveningen, 17 December 2005

Welkom in de Oude Kerk op Scheveningen. Hier heeft mijn vader vele stappen gezet. Hij was een echte Scheveninger, geboren in de Katwijkstraat, als zoon van Jan de Hoed, een haringschipper. Die heeft hier nog de klok geluid. Zijn vrouw, mijn oma Pronk, heb ik alleen gekend in Scheveningse dracht. Hoewel mijn vader later meer is gaan kerken in de Nieuwe Kerk aan de Duinstraat en in de Nieuwe Badkapel, stond de Oude Kerk van het begin af aan centraal. Hier hadden zijn ouders hun 'plaatsje'. Hier werd hij gedoopt. Hier is hij getrouwd met mijn moeder, een collega aan de Koningin Emmaschool, afkomstig uit Rotterdam. Hier werden de veranderingen, die zich gedurende de bijna-eeuw van mijn vader aftekenden in het dorp, weerspiegeld in de restauraties van het kerkgebouw en in het leven in en rond de kerk. Hier keert mijn vader vandaag terug. Hij werd 96 jaar.

Ik herinner mij mijn vader vooral als onderwijzer. Dat hij onderwijzer was geworden kwam vooral omdat zijn moeder, mijn oma Pronk, hem en haar andere kinderen aan de wal wilde houden. De zee betekende gevaar, zeker in de jaren van en na de Eerste Wereldoorlog. Misschien heeft mijn vader de vrees voor de zee van zijn moeder meegekregen. Ik kan me niet herinneren dat hij, hoezeer ook een echte Scheveninger, ooit meevoer op Vlaggetjesdag. Maar hij kon goed leren en zo was hij schoolmeester geworden. Hij bleek voor het vak in de wieg gelegd en is dat tot zijn dood gebleven. Eerst op de lagere school, enkele jaren in Albasserdam en Voorschoten en vervolgens jaren lang in Scheveningen. 's Avonds gaf hij les op de visserijschool en de ambachtsschool. Ten slotte stapte hij over naar de technische school aan het Veluweplein, waar hij algemeen vormend onderwijs gaf. Rekenen, taal, lezen, geschiedenis en aardrijkskunde, dat was zijn agenda. Weten, leren en doceren, dat was zijn leven. Hij kon uitstekend uitleggen en beleefde daar zelf veel plezier aan. Toen ik in de lagere klassen van de middelbare school zat gingen onze gesprekken aan de maaltijd steevast over wiskunde, met papier en potlood bij de hand. Dat gebeurde tot verdriet van mijn moeder, maar voor mij zijn het de prettigste maaltijden die ik mij van thuis herinner.

Mijn vader was onderwijzer in hart en nieren. Hij was dat op school en ook thuis. Ik zat bij hem in de klas op de lagere school, de Koningin Emma school in Scheveningen. Ik was trots op mijn vader. Hij was een goede schoolmeester voor wie ik mij niet tegenover mijn klasgenoten hoefde te schamen. Integendeel. Kinderen zijn kritisch, maar ik herinner me dat mijn vriendjes zeiden: “jouw vader is de fijnste meester van de school”. Zij hoefden dat niet te zeggen. Ik was de jongste van de klas en bij het voetballen werd ik als laatste verkozen. Ze hoefden mij niet naar de ogen te kijken en daarom wist ik dat ze het meenden. Mijn vader was iemand. Hij kon wat. Ik was er ook trots op dat hij mij in de klas niet voortrok. Als ik het fout heb moet dominee Albert Wilzing, die in dezelfde klas zat en die door mijn vader persoonlijk is verzocht deze uitvaartdienst te leiden, dat maar corrigeren. Maar hoe dan ook, mijn vader wilde een rechtvaardige schoolmeester zijn en voorzover ik dat kan beoordelen is hij in die opzet geslaagd. Hij was ook een goede schoolmeester, die de stof helder en enthousiasmerend kon overbrengen, boeiend kon vertellen en voorlezen en de klas aan zich wist te binden. Hij was, samen met mijn moeder - eveneens onderwijzeres - ook een voorbeeld voor ons: mijn broer Piet en mijn zus Liesbeth zijn beiden onderwijzer geworden, allebei getrouwd met onderwijzer en van beiden staat een kind voor de klas. Mijn vader was een prachtig voorbeeld van sociale emancipatie in een dorpssamenleving met een traditionele en eenzijdige economische structuur. Maar hij was ook voorbeeld in andere zin: als schepper van een dynastie van onderwijsmensen met liefde voor hun vak.

Hij was inderdaad een vader om tegen op te zien. Ik herinner me hoe we, kort na de oorlog, zwemles kregen met de hele klas, op de Mauritskade. Mijn vader kon niet zwemmen, maar hij aarzelde geen ogenblik en deed gewoon mee met de klas, allemaal jongens en meisjes van een jaar of tien. Niemand vond het gek. Integendeel, het werd gewaardeerd. De onderwijzer werd leerling voor het oog van zijn eigen leerlingen en daardoor steeg hij in hun achting. Iedereen slaagde voor het zwemdiploma, behalve juist die vier leerlingen die toelatingsexamen moesten doen voor de middelbare school. De anderen gingen naar de mulo, de ambachtsschool, de huishoudschool of naar zee. Zij allen haalden het diploma in een keer, maar wij vieren - de bollebozen van de klas - moesten het overdoen. Drie daarvan zijn er vandaag bij, Hans van der Kleijn, Albert Wilzing en ik. De tweede keer slaagden we wel, maar we hadden onze les geleerd: de anderen waren beter dan wij. Mijn vader vond dat prachtig.

Een paar jaar geleden, toen hij negentig was geworden, organiseerden we een reunie van zijn klas van 1951. Hans van der Kleijn had het initiatief genomen en bijna iedereen was gekomen. We bezochten, na een lunch op de Pier, samen de oude school aan de Stevinstraat. Hij genoot. Velen had hij tientallen jaren niet gezien, maar hij kende iedereen bij naam en toenaam. Hij was weer in zijn element en dat deed ons deugd.

We fietsten veel. In de oorlog woonden we in de Maagdenpalmstraat, dicht bij de begraafplaats waar wij mijn vader straks naar toe zullen brengen. Hij liep iedere dag naar de school in Scheveningen, heen en terug. Kort na de bevrijding verhuisden we weer naar Scheveningen, naar de Jurriaan Kokstraat. Ik herinner me hoe ik als kind bij hem achterop de fiets voor het eerst naar Scheveningen ging. We reden over de Scheveningse weg. Het was lente. De zon scheen en het bladerendak was onvergetelijk mooi. Ik was pas vijf jaar oud, maar ik herinner me hoe ik achter op de fiets bevangen werd door een geluksgevoel. Hoe jong ook, ik herinner mij dingen uit het laatste oorlogsjaar, ook met mijn ouders, maar al die herinneringen hebben te maken met ongeluk: wandelend met mijn vader en moeder op de Valkenboskade met zicht op de rode gloed boven de stad na het bombardement op het Bezuidenhout. Mijn vader die mij er op uitstuurde om aardappelenschillen in te leveren bij de broodbakkerij van Hus in ruil voor een boterham - tot tweemaal toe vergeefs. Mijn vader die zich verborg bij razzia's op straat. Maar bij mijn vader achter op de fiets had ik het eerste geluksgevoel dat mij is bijgebleven: een nieuwe weg naar een nieuw huis, zon, bomen, fietsen, alles was nieuw en mooi en dat alles had met mijn vader te maken.

Later had ik nog zo'n ervaring, ook op de fiets. We reden samen op de Laan van Meerdervoort, op het smalle stuk tussen de Javastraat en Metropole. Vroeger reed daar een tram. Ik raakte met beide wielen in de rails. Voor ik kon vallen had mijn vader me in de nek gegrepen. “Houd je stuur vast”, zei hij en hij tilde me met fiets en al uit de rails. We konden zo verder rijden, zonder af te stappen. Het was een combinatie van kracht en tegenwoordigheid van geest, die diepe indruk op mij maakte.

Mijn vader was de onderwijzer en hij was de baas. Ook thuis en daar was hij niet altijd even redelijk en rechtvaardig. Hij was er strenger dan op school. Eigenlijk was het op school leuker dan thuis. Thuis was ik een beetje bang voor hem. Dat gold ook voor mijn broer Piet en mijn zus Liesbeth. Ik was de oudste van de drie en had de indruk dat mijn vader strenger was tegen mij dan tegen hen, maar zij denken daar anders over. Mijn vader kon thuis ongenaakbaar zijn, tegenover ons, de kinderen, en ook tegenover zijn vrouw. Hij meende het ongetwijfeld goed, maar hij domineerde sterk en zijn gestrengheid boezemde ons vrees in. Ik ging hem ontwijken, nam afstand, ging discussies uit de weg. Hij wist het altijd beter en dat gaf de gesprekken een voorspelbaar verloop. Dat ontwijken heb ik volgehouden, lang, te lang. Het contact werd minder inhoudelijk, minder frequent ook, en dat heeft hem pijn gedaan.

Hij was niet altijd even redelijk maar hij had het beste met zijn kinderen voor en kon zich opofferen. Dat wij in de jaren vijftig niet naar Apeldoorn verhuisden, waar hij een betere betrekking aangeboden had gekregen, kwam omdat wij kinderen niet uit Scheveningen weg wilden. Dat was kortzichtig, maar hij legde zich er bij neer. Hij domineerde, maar liet ook vrij, omdat hij wilde dat zijn kinderen zouden leren zelfstandig in het leven te staan. Ik was schuchter, maar hij dwong me erop uit te gaan, dingen zelf te doen: boodschappen, mijn fietsband plakken, kaartjes kopen, lid worden van een bibliotheek en van jeugd- en sportverenigingen, op zomerkamp gaan, enzovoort. Het waren mijn eerste lessen in zelfstandigheid, het nemen van initiatief, het dragen van verantwoordelijkheid. Hij legde de grote lijnen vast, maar daarbinnen mocht ik zelf kiezen: naar welke gezondheidskolonie ik zou gaan, welke middelbare school, welke studie, welke universiteit, welke studentenvereniging. Wij kinderen hadden veel invloed op de keuze waar we 's zomers met vakantie naar toe zouden gaan. Later, toen ik zeventien was, mocht ik met een vriend door Europa liften. Hij eiste gehoorzaamheid maar gaf ook veel ruimte. Het was een combinatie van discipline en vrijheid waarvan ik, met vallen en opstaan, veel heb geleerd, tot op de dag van vandaag.

Hij waardeerde niet alle keuzen die ik deed, stelde grenzen, maar legde zich ook neer. Ik dacht te weten wat ik wilde en liet hem op een gegeven moment niet meer toe een beetje mee te sturen. In grotere dingen liet hij ons vrij, maar in kleinere zaken kon hij drammen en dwingen. Vooral mijn moeder heeft daar erg onder geleden. Uiteindelijk vluchtte zij in een andere kerk, met een warme omgeving, waarin zij zich meer gewaardeerd voelde. Mijn vader was het volstrekt niet eens met haar keuze voor de Pinkstergemeente, maar hij heeft het haar niet euvel geduid. Het was een fundamentele scheidslijn, maar we bleven een gezin. Hij was ouderling en scriba van de gemeente Nieuwe Kerk. Hij ervoer die functie als een erkenning en hij deed dat werk graag. Maar hij trad af toen hij merkte dat de keuze van zijn vrouw voor een andere kerk haar en hem niet in dank werd afgenomen. Hoe diep de breuk in geloofsovertuiging tussen hem en haar ook was, en hoezeer hij - net als ik - ervoer haar te zijn kwijtgeraakt als gesprekspartner (zij wilde immers bekeren), hij liet haar niet los.

Mijn vader heeft altijd een zware druk op mijn moeder gelegd, zo zwaar dat zij verzuchtte door hem niet echt gewaardeerd te worden. Ook tegenover haar wist en kon hij het altijd beter en hij liet dat merken ook. Maar toch respecteerde hij haar, als onderwijzeres - ook zij was goed in haar vak en geliefd in de klas - , als echtgenote, als bekeerd Christen. Hij hield van haar. Hoeveel, dat merkten we later opnieuw, toen zij Alzheimer kreeg en hij tot op het laatste moment voor haar bleef zorgen, alles voor haar deed, totdat het echt niet meer kon. Dat hij dat kon opbrengen, daar had ik grote bewondering voor.

Misschien is het mijn broer en zus vergaan als mijzelf. De bewondering van mijn kindsjaren keerde later terug. Hij ging enkele malen een zware operatie met open ogen en zonder vrees tegemoet. Bij de laatste was hij 92 jaar oud. Hij wist dat de kans die operatie te overleven niet bijster groot was. Hij nam de beslissing zelf, zonder enige druk, na overleg met zichzelf en met God, in volledige rust en overgave. De wijze waarop hij dokter Breslau meedeelde, dat hij besloten had zich aan hem toe te vertrouwen, maakte diepe indruk. En hij kwam er bovenop, leefde nog vier jaar, zelfstandig, in zijn eigen huis. Ook dat maakte indruk.

Vader is niet meer. Wij zijn niet bedroefd, maar dankbaar dat hij zo lang heeft mogen leven. Dankbaar voor de wijze waarop hij zijn kinderen de gelegenheid heeft geboden hun eigen weg te gaan, ook al had hij altijd commentaar. Hij bleef de schoolmeester in optima forma: opvoeden, niet aflaten, altijd commentaar, maar toch: opvoeden tot zelfstandigheid. Met liefde voor zijn klas, voor zijn kinderen en voor zijn vak. Hij was een goede onderwijzer, van wie wij veel hebben geleerd. Hij was een goede vader.


Jan Pronk
Scheveningen,
17 December 2005.
Uitvaartdienst Johannes Pronk (1909)